Stichtelijke overdenking.
Laat hem ook dit jaar.
Lukas 13 vers 8b.
Het is een woord uit de gelijkenis van den onvruchtbaren vijgenboom. De boom draagt wel bladeren, maar geen vrucht. Nu is het lot beslist. Houw hem uit, zoo luidt het bevel tot den wijngaardemer. Maar deze treedt tusschenbeide en vraagt : Och ! spaar hem nog dit jaar. Ik zal om hem graven, ilk zal den grond nog eens losmaken rondom den stam en mest daaromheen leggen, opdat de onvruchtbaarheid moge wijken.
Och ! nog één jaar, en dan, wanneer alle pogingen zijn aangewend, die het vruchtdragen kunnen bevorderen, en er worden geen vruchten gevonden, dan zullen wij hem uitbouwen en aan de verbranding overgeven.
Wij weten dat de Heere bij deze gelijlcenis het weerspannig volk Israël op het oog had. Och ! wat had Hij veel zorg aan dat volk besteed, met vele tijdelijke en geestelijke zegeningen omringd, en, helaas, niet anders dan vruchten der ondankbaarheid opgeleverd. Dat volk, dat Hij tot Zijn bijzonder eigendom verkoren had, daarover moet de Heere klagen: Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme hooren.
Zal Hij niet Zijn toorn over hen uitgieten ? Heeft Hij daartoe. niet het volste recht?
Hebben zij niet verdiend voor eeuwig verstooten te worden ?
De medelijdende Hoogepriester, de Zone Gods, komt nog te Waarschuwen, te vermanen.
Maar helaas !
Het volk heeft Hem verworpen, en Hem, den Zoon van den Landman, gedood.
Nu is echter Zijn geduld uitgeput. Zijn lankmoedigheid neemt een einde. Hij, de Heere, vond geen vrucht. De boom wordt uitgehouwen. Het volk Israël wordt uit zijn land verdreven — om als vreemdelingen te wonen in een vreemd land. Een deksel ligt op hun aangezicht en zij, de eersten, zullen de laatsten zijn, want eerst moet de volheid der heidenen ingaan, dan zal er zaligheid voor Israël zijn.
Laat hem ook dit jaar !
Ernstige prediking ook voor ons, nu wij de laatste maand van een heensnellend jaar weer mochten binnentreden. Voor velen zeker het laatste jaar hier op aarde. De bijl ligt alreede aan den wortel van den boom, nog een korten tijd en de boom valt, en zooals de boom is gevallen, zoo blijft hij liggen.
Wat heeft de Heere ook dit jaar weer gewaarschuwd en vermaand. Wat werd Zijn sparende hand dikwerf treffend openbaar, waar men werd opgericht van een ernstig krankbed of uitgered uit een bang gevaar.
En nu ! Wat is de vrucht van al dien arbeid ? Bracht dat alles ons op de knieën ? Mocht het onder de leiding des Heiligen Oeestes tot verbrijzeling komen van dat van nature zoo harde harte ? Of verhardde men zich tegen den Heere ! Onbekeerden ! bedenkt, de Heere spaarde u nog dit jaar. Misschien het laatste jaar. O, wat zal het wezen, onbekeerd te vallen in de handen van den levenden God, Die zich niet laat bespotten, maar een verterend vuur is voor den goddelooze. Wat zal uw lot anders zijn dan verworpen te worden en verwezen naar die plaats, waar de worm niet sterft en waar het vuur niet wordt uitgebluscht, waar weening zal zijn en knersing der tanden ? Dan zal men met heete tranen den verbeuzelden voorbereidingstijd betreuren, maar dan te laat ; dan nooit uitkomst meer mogelijk. Och, dat uw blinde oogen dan nog geopend mochten worden in het heden der genade en gij uwen Rechter nog om genade mocht smeeken voor 't voor eeuwig te laat is.
En gij, bezwaarden van harte, bekommerden vanwege uwe zorulen, die in het donker ronddwaalt, die aan de eene zijde niet durft'ontkennen dat de Heere bem.oeienis met u maakte, en die u door Gods vrije genade onder het licht des Heiligen Geestes in den spiegel der wet als doemwaardigen en schuldigen hebt leeren kennen, maar aan de andere zijde, ziende op die groote schuld die gij gemaakt hebt niet durft hopen op genade, och ! mocht gij maar met uwe vele zonden vluchten tot den Verhoogden Hoogepriester, Die in den hemel niet alleen luistert naar, maar ook pleit voor die verslagenen van harte. Die die zuchtingen, nadat Hij ze ontdaan heeft van al het zondige, als wierook legt voor het aangezicht van God den Vader. De Heere verzekert immers dien door onweder voortgedrevenen, dien ongetroosten, dat Hij hunne steenen gansch sierlijk zal leggen.
Moge de Heere u Zijne belofte ernstig op het harte binden, dat, waar Hij om wijze redenen toeft, Hij gewisselijk zal komen en niet zal achterblijven.
Mocht gij u dan maar dieper in het stof nederbuigen en dringender roepen en met een Jacob zeggen : Heere ; ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent !
Laat hem nog dit jaar.
Ja, u, meer bevestigden, heeft de Heere nog dit jaar gespaard. Als gij terugblikt naar den afgeloopen tijd, dan staat gij verbaasd over 's Heeren groote lankmoedigheid en oneindig geduld, die Hij ten opzichte van u heeft betoond.
Het wordt u dagelijks meer een wonder, als de Heere u komt inleiden in Zijne binnenkameren, dat Hij naar u omzag met voorbijgaan van anderen.
Waarom ?
In u was niets wat Hem kon aantrekken. Het was alleen Zijn wonderbaar welbehagen, dat Hem bewoog. De bijl ligt ook aan uw levensboom. Weldra ligt de boom geveld. Doch wat nood. Voor Gods volk. Zijne gunstgenooten, die in eeuwige liefde gekend zijn, en in des Heeren handpalmen zijn gegraveerd, is geen verdoemenis.
Voor al de gegevenen des Vaders heeft de Borg voldaan. En waren de vruchten hier gering, de hemelsche Hovenier zal Zijne plantingen overplanten in het hemelsch Eden. Daar zullen zij groeien en vruchten dragen. Daar zullen ze aanbiddend uitroepen : Uwe vrije gunst wordt de eere toegebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's