De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

door JAN VELTMAN : 

1) Hoofdstuk 1.

Op een zijtak van een eschdoorn, over 't zandpad hangend, zat een knaap in ruw linnen kleeren en met gebrandmerkte klompen aan de voeten. Door 't grove loof beschermd tegen de middagzonnestralen, staarde hij van zijn hoogte tusschen de groote bladeren door, over het lager kreupelgewas van els, berk en eik langs de slooten, in de nevelachtige oneindigheid, die hem als een verre, wijde kring omgaf. Staande op den grond werd de blik overal tegengehouden door laag geboomte en heideheuvels ; maar hier van omhoog zag hij de verre bosschen als grijspaars gebergte recht voor zich uit, en ginds, waar de hemel de aarde raakte, het eindlooze maadland als een groene zee aan zijn rechterhand.,

't Was den tengeren knaap in zijn armvoogdijkleeren, of de geheimzinnige heerlijkheid van omhoog over de aarde was neergedaald. De smetlooze stilte van den zomerschen Zondagmiddag greep zijn jonge ziel zoo wonderlijk aan, dat de ontroering rimpelde over zijn droomerig gelaat.

Geen blaadje, geen sprietje, geen halm, geen rietbewoog zich : alles, alles luisterde sprakeloos, den teeren adem inhoudend, roerloos en plechtig naar 't heilig fluisteren der wondere stilte.

Ver en hoog hoorde hij als een nevelkoor, zangen wolkend, het blijde lied der leeuweriken en omlaag golfde en reide over wei en koornveld, als opwasemend uit de aard, de reine zilverzang der graskrekels. In den boogaard tierelierden de vogeltjes zoo zacht of ze droomden, en over 't bloeiend boonenveld ging het bedwelmend zoemen van duizend maal duizenden bijen.

En — heerlijkheid boven alle heerlijkheid! — nergens zoo ver zijn blik reikte, was een mensch te zien ; daarom kon hij hier nu onbevreesd de rust genieten, evenals nabij de kippen, die midden in 't pad met haar buik een kuil boorden in 't mulle zand, en evenals de haasjes ginder rustig langs 't wegje aan de malsche blaadjes zich te goed deden.

Zoo was dan nu de geheimzinnige heerlijkheid van omhoog op de aarde neergedaald. En verkondigde niet al wat er leefde rondom hem, dat dat nu immer zoo zou blijven ? Want het was zoo stil, zoo stil, dat ook de tijd zich niet bewoog. Alles koesterde zich nu, als hij, in de zoete zoele zonnewarmte ; alles droomde van stoorloos • genieten ; plechtige rust vervulde 't eindeloos hooge en verre ; vrede was neergedauwd over de aarde en — zóó — bleef de tijd stilstaan.

Koen en Hilda, bij wien hij uitbesteed was deden hun Zondagmiddagdutje na den maal tijd : zij sliepen. Tot vier uur zouden ze slapen, en zoo lang kon hij hier nu genie­ten, zonder door hun ruwe bevelen gestoord te worden.

Zoo lang zij sliepen, moest hij de wacht houden over 't erf. Want vooral Zondagsmiddags kwamen nu en dan troepjes jongens hier langs, die stalen waar ze zin in hadden, en pret vonden 'in baldadigheid. Zoodra 't noodig was, moest hij zijn menschen wekken.

Ginds gleed langzaam een beweging door de lage toppen van 't kreupelbosch. Daar was het schuinpad, waar langs de menschen van den Delberger grindweg kwamen op den ouden breeden weg naar Oldouwe. De knaap volgde de beweging en zag uit het geelgroen een boerenarbeider te voorschijn komen, die een kerkboek, met een zilveren slot daaraan, bij zich droeg.

„Nu is 't half-een — zei de jongen tot zich zelf — en zullen ze haast komen !"

De man was onder hem doorgegaan en had hem niet gemerkt. Opnieuw was er iets uit het kreupelbosch te voorschijn gekomen : een jonge boerenvrouw, dragende een kerkboek met twee zilveren sloten. Zij scheen hem reeds van verre gezien te hebben, want zij hield immer den blik naar den boom en dichtbij gekomen, zei ze :

, , Zoo Paul, vier jij den Zondag met de vogels ? "

Hij vatte niet den zin der woorden en wist er geen antwoord op te geven. Dan zei ze :

"Dag Paul !" en hij groette terug : „Dag Aaltje 1" En als ze een eind ver weg was, zei hij weer in zich zelf: , , Nu zullen ze wel spoedig komen !" Daar kwam plomp aanstappen, zoodat het stof overal langs het pad opwolkte, de meid van boer Hangelaar, zonder kerkboek. Eerst toen ze dicht bij den eschdoorn gekomen was, zag ze den jongen en zei :

„Zoo verschoppeling ! is er geen plaats meer voor je op de aarde, dat jij je thuis in de boomen zoekt ? "

't Ging hem niet aan, wat ze daarmee bedoelde, 't Woord verschoppeling hoorde hij al den dag. Waarom noemden ze hem zoo ? Hij was toch een jongen en geen lammetje ! Op tien stuivers na en behalve zijn kleeren en klompen verdiende hij zijn eigen levensonderhoud. Waarom behandelde hem oud en jong al.sof hij geen recht had op 't leven, en voor ieder uit den weg moest treden ? Doch wat maalde hij daarom ?

„Nu moeten ze zeker komen !"

Hij verwachtte de jongens van 't Hoogeind van Delberg. Vast lederen Zondagmiddag kwamen die hier langs om te stelen wat er eetbaars in hof en tuin groeide. En nu zouden ze zeker komen om de kruisbessen, die er groeiden om 't groote bleekveld naast zijn huis. Indien de jongens het waagden door het hek te gaan, zou hij Koen wekken, want hijzelf kon niet op tegen den minsten van hen, maar Koen vreesden ze. Ginds kwam een troepje, doch 't waren die niet van 't Hoogeind ; 't waren jongens van de Kruislaan. Ze zagen den trouwen wachter in den boom en fluisterden elkander iets toe, want de jongen zou hen hinderen.

„Paul, ga je mee ? " Den knaap trof de vriendelijkheid der schavuiten, die hem nooit anders noemden dan „verschoppeling". Hij doorzag hun plan niet en begreep, dat er reeds veel gewonnen was, als ze zich verder van huis en hof, dat hij te bewaken had, verwijderden.

„Waar gaan jelui heen ? "  , , Rechtuit, dwars door de weiden naar 't bosch."

Als ze daar waren, dacht Paul, konden ze hier geen kwaad doen, en argeloos ging hij dus mee. Maar de jongens hadden afgesproken, dat als ze Paul in 't bosch hadden, twee hunner hem daar zouden vasthouden ; dan konden de overigen ongestoord uit Koen en Hilda's tuin wegkapen wat ze wilden. Die afspraak werd stipt uitgevoerd, en zóó behendig, dat Paul eerst in 't geheel aan geen kwaad dacht. Want heel vriendelijk troonde het tweetal hem diep het bosch mee in, om gelegenheid te' geven, dat de anderen ongemerkt zich verwijderden.

Doch als door een ingeving doorzag hij in eens de list, en zonder zich verder te beraden liep hij zoo snel hij kon weg, in de richting van zijn tehuis, in de hoop Koen en Hilda nog tijdig te kunnen wekken. De beide jongens echter holden hem na, en in de wei, vlak langs den weg grepen ze hem en hielden hem daar weer vast.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's