Uit het kerkelijk leven.
Een nieuw Begin.
Het 12'/2-jarig bestaan van ons Bondsblad ligt al weer achter ons. Het is zoo stillekens voorbijgegaan ; en ongemerkt zijn we de 13 jaar gepasseerd, om nu, juist 1 December, den 14den jaargang aan te vangen.
Wat is er veel gebeurd in die 12'/2 jaar. Denk maar eens aan het werk van den penningmeester, onzen trouwen, opgewekten, eerlijken, beginselvasten en ijverigen vriend Fliehe, die onze fondsen heeft geschapen en verzorgd, zooals geen tweede bet hem zou kunnen nadoen. Ja, de Heere heeft in hem onzen Bond véél gegeven en daarom hebben we naast God, onzen penningmeester ook voor veel te danken. Wat zal hij vandaag — het is 1 December — zitten tellen, of de ontvangsten wel even hoog zijn als het. vorig jaar ! In dezen tijd van algemeene malaise. Misschien dat in dit nummer al een vóórklank gegeven wordt van hetgeen nu spoedig volgen moet. Zou liet meer, zou het minder zijn ? We hebben goeden moed ! God heeft ons nog nooit beschaamd ! Hij weet ook nu wat goed voor ons is.
Naast onzen penningmeester is ook de secretaris nu al weer 12'/2 jaar aan 't woord. Hlj, de hand van onzen Bond, die zooveel geschreven heeft, zooveel geregeld, zooveel uitgevoerd, waarbij onze Bond wèl gevaren is. Een berg correspondentie, een vracht notulen — altijd even keurig en netjes ! — en alles om in liefde te dienen de zaak, die ons allen zoo na aan het hart ligt : de vrijmaking van de Kerk van Christus in dezen lande, door zoo velerlei in het midden van de kerkgemeenschap, waarin wij leven, gebonden, waardoor èn de Kerk èn het volk zoo grootelijks schade lijdt.
Met deze twee kloeke mannen, gesecondeerd door onzen vurigen medestrijder Duymaer van Twist, hebben we in gezelschap van de overige medebestuurs leden, van wie een ieder steeds zoo trouw mogelijk op z'n post is, nu 12'/2 jaar en langer reeds saamgewerkt om saam te zoeken het goede voor Kerk en volk. En met het verschijnen van dit nummer van den 14den jaargang staan onze voeten al weer aan het begin van een nieuwe jaarperiode, waarbij we des Heeren stem beluisteren, die zegt : „dat de kinderen Israels voortgaan !"
Het is ons een lust om weer opnieuw te beginnen, juist omdat de omstandigheden voor Kerk en volk zoo moeilijk zijn. Want vanwaar zal anders hulpe te verwachten zijn, dan wanneer wij saam wandelen in den weg, die is naar des Heeren Woord ?
Zeker ! 't is niet altijd even makkelijk om dien weg te kennen en te betreden en te volgen, 't Is vaak zoo moeilijk om daarbij voor te gaan, leiding te geven, advies uit te brengen. De dingen liggen zoo geweldig door elkaar, 't Is zoo lang verzondigd en verwaarloosd. Hoe zal hier de oplossing komen, die waarlijk tot eere Gods is en tot zegen voor Kerk en volk ? Ja, 't is moeilijk. Maar de Heere heeft ons tot nu toe nog niet beschaamd en onzen Bond willen gebruiken tot zegen in het midden van Kerk en volk.
Of we gevorderd zijn in de 13 jaar, dat „De Waarheidsvriend" bestaat ?
Zeer zeker ! Stil en gestaag heeft het Gereformeerd beginsel gewerkt en in stad en dorp zijn we niet achteruit, maar zeker vooruit gegaan. Ten opzichte van de prediking is dat te merken, óók wat betreft de kerkelijke actie. Meer dan vroeger scharen zich velen welbewust rondom het Gereformeerd beginsel en zoeken dat beginsel in het midden van onze Hervormde (Geref) Kerk tot uiting te brengen, al wordt dat niet zelden door allerlei, dat aan ons kerkelijk leven vast zit, héél moeilijk gemaakt.
De dagen die we nu beleven bewijzen bij vernieuwing hoe we in de moeite zitten, 't Is wel niet voor 't eerst, dat dit uitkomt, 't Is wel duidelijker en verschrikkelijker uitgekomen nog, dan nu. Maar 't blijkt nu dan toch weer bij vernieuwing. En daarbij hebben we rustig voort te gaan in den weg, dien God ons wijzen zal. Hij zal niet beschamen, die op Hem betrouwen en die in oprechtheid het goede zoeken voor 's Heeren Kerk.
Ons Bondsblad moet ons hierbij eroote diensten bewijzen. En 't verblijdt ons, dat het aantal abonnè's en lezers in den loop der jaren grootelijks is toegenomeg[, zóó, dat we" nu — door het uitgebreid aantal lezers — een zoet winstje mogen maken voor onze fondsen.
Wij zeggen dat hier even tot bemoediging van dat groot aantal vrienden van onzen Gereformeerden Bond, dat voortdurend werkt, om nieuwe abonnè's te werven. Mede door Uw hulp, vrienden en vriendinnen, zijn wij zóó ver gekomen ! En immers, dat is voor U — en voor anderen — een spoorslag om voort te gaan in het zoeken van adressen voor proefnummers en het opeeven van leden van den Bond en het werven van abonnè's.
Zoo gaan we moedig voort ! Terwijl het werk zich uitbreidt.
We hebben nu den Gereformeerden Zendingsbond, die stil en rustig voortgaat en met het jaar groeit.
Yv'e hebben nu onzen Hervormden Jongelingsbond op Geref. grondslag, die floreert als een groene plant, gezond van hart.
We hebben onzen Gereformeerden Bond met ons Bondsorgaan en onze fondsen.
We hebben predikanten, die mee door den Bond geholpen, in het werk der bediening mochten ingaan. We hebben studenten en gymnasiasten die, door den Bond gesteund, straks, zoo de Heere wil, den arbeid in Gods wijngaard mogen opnemen.
Is het niet kostelijk ?
En meer wacht ons nóg. Omdat er veel noodig is te doen in het midden van onze Hervormde (Geref.) Kerk ; aan welke Kerk de Heere den scheidsbrief nog niet gaf, opdat zij, uitgelokt door Zijne vele bemoeienissen, nu zou voortvaren om Je komen tot de ware vrijheid, die daar is, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, onder de heerschappij van Jezus Christus, die gezegd heeft : Mijn juk is zacht en Mijn last is licht !
Wij, Zijne knechten, zullen ons dan opmaken bij vernieuwing en de Heere zal het ons doen gelukken !
Wat Rome leert.
V.
Luther's ziel was reeds zoo lang opgehouden met allerlei. En terwijl hij door God tot een arm, schuldig, ellendig zondaar was gemaakt, bij het ontdekkend hcht des Heiligen Geestes, dorstte zijn hart naar rust en vrede en blijdschap, maar vond die niet. Hij had zijne ziele reeds zoo lang gekweld en zijn lichaam reeds zoo lang gekastijd ; en alles wat de Kerk bood had hij beproefd, zelfs boven zijne krachten werkend, om vrede te vinden, maar de rust en de vrede bleef uit en de blijdschap vlood voor tranen en angsten en zorgen, waar bij zijn ziel in opstand kwam tegen het geschacher met aflaten en 't bespottelijk vereeren van reliquieën en 't doen van lange gebeden en het verrichten van allerlei goede werken, toen zijn ziele er iets van ging verstaan, dat de zondaar alleen door het geloof in Jezus Christus zal zalig worden.
Toen kon hij niet meer zwijgen en toen kwam naar buiten wat het beginsel der Reformatie zou worden.
Want de Reformatie der 16de eeuw is in haar oorsprong eene beweging van zuiver godsdienstigen aard, van Renaissance en Humanisme in wezen onderscheiden. Het ging bij Luther en de zijnen niet om vernieuwing van wetenschap en kunst, om verbetering van maatschappelijke of staatkundige toestanden. Het was een zielsproces ; het ging om de religie, het ging om het geloof, om de genade, om de Schrift.
En daarin is het niet iets nieuws. Daarin herleefde het oude. Het oude Evangelie der Schrift. Het oude geloof, waarvan Paulus bizonder gepredikt had.
Het was een nieuwe openbaring na de duisternis der Middeleeuwen. Een nieuw zien van de schatten in Gods Woord verborgen. Een nieuw beleven van het heil, in Christus geopenbaard voor een arm zondaarsvolk Een nieuwe opvatting van heel het Christendom, zooals het vroeger reeds was gekend en uitgedragen. Woorden als zonde en genade, geloof en bekeering, rechtvaardigmaking en heiligmaking, Kerk en sacrament en zoovele meer, ontvingen door de Reformatie eene andere beteekenis en dat is door Luther mee naar voren gebracht, waar hij heeft geleefd tusschen allerlei, dat bij veel schijn van waarheid, door hem nu werd gekend als verkrachting van het Woord en loochening van den eenigen weg der zaligheid vuur een arm zondaarsvolk geopenbaard.
En zóó hebben wij ook te staan bij al hetgeen Rome leert. Wat Rome leert is zoo anders dan wat wij, als Protestanten, gelooven en belijden. Zelfs met dezelfde benamingen bedoelen we dikwijls iets heel anders. En daarom, al biedt de pauselijke Kerk ook veel aan, waarvan voor velen blijkbaar een bekoring uitgaat, ja, waarvan een soort betoovering schijnt uit te gaan voor sommige zielen, er is in alles te onderkennen, dat Rome iets anders biedt dan den eenigen, klaren en waren weg der zaligheid, welke is in Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar, die met Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, verzoening en vrede heeft aangebracht voor een iegelijk, die in Hem gelooft.
Die een Luther-weg doorgemaakt heeft kan het met Rome niet vinden, want Rome geeft niet wat het door zondeschuld verontrust en verscheurd hart noodig heeft. Dat gaat alleen uit van Hem, Die gekomen is om Zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen en die met ééne offerande de schuld der Zijnen van hen heeft weg gedaan, zoover het West verwijdert is van 't Oosten. Die zaligheid en die blijdschap en die vrede, welke in Christus is, staat oneindig hooger dan de streeling des vleesches en de gevoelsblijdschap welke de ceremoniën van Rome wekken en bieden. Want wat zóó gewerkt wordt gaat ook weer snel henen, .terwijl de genade van Christus tot vergeving der zonden tot in eeuwigheid blijft.
Wat Luther deed was dan ook een ziele-schreeuw geven.
Aldoor had Rome beproefd hem de rust der ziele te werken door bewegingen des vleesches. Maar waar Rome meende dat door vleeschelijke dingen de geestelijke dingen bij den mensch konden gewerkt worden, daar begreep Luther nu, dat het in de religie gaat, niet om vleeschelijke dingen, maar om geestelijke dingen. En waar hij dorstte naar God als een hijgend hert, dat moede is van de jacht, daar kwam Gods Woord voor hem meer er meer in ander licht te staan en hij leerde het zoeken niet in de door het schepsel gewerkte gerechtigheid, maar in de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus, in en door Wien de mensch als een goddelooze, zonder de werken der wet, gerechtvaardigd wordt; 't welk Gods kind in den geloove door den H. Geest leert aannemen met vast vertrouwen, roemende in de verlossing die door Christus is teweeg gebracht.
Zoo was Luther anti-Rome komen te staan.
Zoo had Luthers strijd en optreden een positieven inhoud verkregen. Hij werd een bestrijder, omdat hij wat anders had keren kennen. En zoo brak hij af om wat op te bouwen; hij sloeg neer, om er wat anders voor in de plaats te geven.
't Was hem duidelijk geworden, dat de Heere alleen behoudt. Het licht was hem opgegaan, doordat hij het Woord gehoord had, 't welk de H. Geest hem heiligen kwam aan het hart. En het onedele der wereld werd uitverkoren, om de wereld te spreken van den alleruitnemendsten weg van Gods vrije genade in Christus geopenbaard. Dat deed Luther spreken, omdat hij geloofde.
En als geloovige begon hij te begrijpen, dat hij zijn leven, dat in Christus geheiligd was, niet behoefde, neen! niet mocht opbergen in een klooster. Hij behoefde alles niet meer goed te maken en goed te houden met geschenken aan kerk, altaar of heilige. Hij mocht alles nu zien in licht, dat afstraalt van Christus, om den Godsvrede kennend, zich zelf Gode te offeren als een levend dankoffer.
Dat is het diepe geheim, zoo vol zaligheid, van het „in Christus zijn". Dan wil God op ons neerzien door Christus heen, ons rekenend in Hem rechtvaardig. Dat wordt ons witte kleed der gerechtigheid. En door den Geest van Christus mogen we wandelen als kinderen des lichts, erfgenamen des nieuwen levens, die ter bruiloftszaal verwacht worden, niet om besnijdenis of voorhuid, noch om de gerechtigheid die uit de wet is, maar om de wille van Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden en Die Zijn verdiensten geduriglijk voor Zijn volk voordraagt aan den Vader, biddende en zeggende : Vader, Ik wil, dat ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.
Waar die worsteling des geestes bij Luther gekomen was en hij het stuk der rechtvaardigmaking door het geloof alleen zóó in de ziele had leeren kennen en smaken, daar moest de Reformatie komen. Daar moest een vooropstellen van de Schrift komen.
Daar moest een prediken van den weg der zaligheid door het geloof in Christus komen.
Daar moest een bestrijding van Rome's kerkleer komen. Daar moest het komen tot een crisis, waarbij Rome moest kiezen : of zich zelf blijven en dan Luther uitwerpen óf zich bekeeren tot God en dan zichzelf met al de leugenleer herzien. (Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's