De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Advent.

We zijn weer in de adventsweken. Dat zijn van ouds weken van bijzondere beteekenis ; evenals de lijdensweken 'n eigen karakter hebben in het midden van de Christelijke Kerk.

Of die adventsweken op last van een of andere kerkelijke vergadering zijn ingesteld, gelooven we niet. Ze zullen wel van zelf gekomen zijn, zooals ook het Kerstfeest eerst niet gevierd werd, maar later als van zelf kwam (in 354 vinden we te Rome de eerste sporen van dit feest, onder Keizer Tiberius 352—366).

De adventsweken begonnen van ouds tusschen 26 November en 4 December en ze droegen het karakter van halfvasten, 't Was een tijd van gespannen verwachting (Jesaja 25 vers 9), met de voorbereiding op Jezus' komst, om Hem straks waardiglijk te ontvangen. Wel is het vasten in de adventsweken (advent beteekent komst of aankomst en ziet op Jezus' komst) nooit zoo algemeen geworden als in de lijdensweken, maar ze stonden toch in het teeken van ernst en verootmoediging. De komste van Jezus legde de verplichting op aan de geestelijkheid en aan de gemeente een sober leven te leiden en alzoo zich te heiligen en voor te bereiden voor den komenden Heiland. Het altaar werd dan met zwart dundoek bekleed, het Te Deum „Wij loven U, o God ! wij prijzen Uwen Naam" werd gedurende die vier weken niet gezongen en de priesters droegen inplaats van een wit overkleed een omslag van violette.

Niet alleen werd er in die weken gesproken over de komste van Jezus in het vleesch, maar ook over Zijn komste ten gerichte en over de groote opstanding, waarin alle menschen voor Zijn rechterstoel zullen gedaagd wiorden, tot verdelging van de goddeloozen en tot eeuwige heerlijkheid van ide geloovigen. De eerste drie Zondagen werd doorgaans bizonder daarover gesproken, terwijl de vierde Zondag dan meer een voorbereiding voor het Kerstfeest was.

Wij hebben niet de ceremioniën der Roomsche Kerk. Voor ons is het geen half-vasten. Bij ons, in onze Protestantsche kringen, staan deze weken meer in het teeken van blijdschap dan van vasten. AI die plechtigheden zijn uitgebannen sinds de Reformatie, althans in het midden van de Gereformeerde Kerk, die hierin nog weer een andere mentaliteit heeft dan de Luthersche. Evenwel mogen ook wij het niet vergeten, dat de komste van Jezus Christus in het vleesch, hoe heerlijk en vol genade en vol troost dit groote heilsfeit ook zijn mag voor allen die de verschijning van Jezus Christus liefhebben, toch in verband staat met de zonde en de algeheele verlorenheid der wereld.

Dat is vreeselijke werkelijkheid, telkens weer uitkomend in de feiten, dat de kinderen der duisternis het Licht niet hebben begrepen en de werken der duisternis liever hebben dan het Licht.

Dat doet dè komste van den Heiland zien als een crisis voor alle vleesch. Men zal zich aan dien Heiland moeten leeren overgeven of men zal door dien Heiland veroordeeld worden. En dat doet bij de kribbe staan met zooveel ernst. Dat doet zien op de tweede komst van Christus en dan ten oordeel.

Wie zal zich laten gewinnen ? Wie zal bestaan in 't oordeel straks ? Dat vult met ernst, met heiligen ernst in deze adventsweken het harte van degenen, die iets van deze dingen voelen.

Waarbij de engelen straks zullen uitjubelen, dat de komste van Jezus op aarde een oorzake van blijdschap, van groote blijdschap is, voor allen die Hem mogen leeren ontvangen, van welk volk men ook is.

Dat doet met blijdschap ook gedenken nu, dat de Heere de wereld alzóó heeft liefgehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, die rijk was, maar arm geworden is, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet zal verderven, maar behouden worden 'en met goederen des heils vervuld, zal hopen op hemelsche heerlijkheid.

Dat doet óók uitzien naar de komste van Christus straks aan het eind van deze bedeeling, waarbij gansch Christus' Kerk zal worden opgenomen in heerlijkheid, doch allen die vreemd aan Hem, in hun vijandschap en onbekeerlijkheid blijven volharden, in den groeten dag des gerichts zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis.

Zijn wij verwachtende den Heiland, omdat we onze armoede en onze verlorenheid, onze blindheid en onze schuldigheid hebben leeren kennen ?

Zijn wij verwachtende de zaligheid, welke is in Christus Jezus ?

Om blijde straks te zingen : „God heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt, Dit slaan al 's aardrijks einden gade, nu onze Ood Zijn heil ons schenkt." (Psalm 98).

Nieuwe wetten straks.

De Synodale Commissie — het Dagelijksch Bestuur in onze kerkelijke huishouding — heeft in November haar gewone vergadering gehouden, 't Waren ditmaal bijna allen orthodoxen die zitting hadden : dr. Weyland, prof. Aalders, ds. Van Paassen en de ouderlingen Kr. Timmers en Veenman. Alleen ds. Picard, Waalsch predikant te Arnhem, die ook aanwezig was, is vrijzinnig.

In die najaarsvergadering wordt altijd vastgesteld, wat de uitslag van de hoofdelijke stemming der leden van de Provinciale Kerkbesturen is, wat betreft de nieuwe kerkelijke wetten.

De uitslag is blijkbaar als volgt : L De wijziging van artikel 3* Algemeen Reglement en van artikel 2 Synodaal Reglement op de benoeming enz artikel 17 Algemeen Reglement en artikel 3 Reglement voor de Kerkeraden (het actief vrouwenkiesrecht) is aangenomen met 52 tegen 15 stemmen.

De stemlijst zal er dus het volgend jaar héél anders uitzien dan nu. Naast de namen der mannen zullen ook die der vrouwen moeten worden opgenomen. Of van gehuwde vrouwen de naam van den man ook vejmeld moet worden of dat het om den geboortenaam gaat, weten we niet. Hier schijnt niet over gesproken te zijn. Meer licht in deze zal noodig wezen.

II. De wijziging van artikel 4 Reglement Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid (schrapping van de alinea : „Het ambt van kerkelijk hoogleeraar is onvereenigbaar met het ambt van hoogleeraar of buitengewoon hoogleeraar aan een Universiteit.") Deze wijziging is aangenomen met 53 tegen 14 stemmen.

Deze zaak gaat vrijwel buiten 't leven der Kerk om. Er zullen er wel niet velen zijn, die zich iets van deze kwestie aantrekken.

III. De wijziging van art. 27 Reglement Diaconieën (de laatste alinea aldus te lezen : „De Kerkeraad zendt jaarlijks vóór den eersten Mei aan het Classicaal Bestuur een behoorlijk gewaarmerkt uittreksel uit de diaconierekening waaruit aard en bedrag zoo­ wel der inkomsten als der uitgaven blijken") is aangenomen met 51 tegen 16 stemmen.

Ook dit besluit zal wel niet veel veranderen in ons kerkelijk leven ! De diakenen kunnen nu met een uittreksel van' de diaconie-rekening volstaan ; 't behoeft geen afschrift meer te zijn.

IV. werd met 59 tegen 8 stemmen bekrachtigd liet voorstel, om arme gemeenten te ontheffen van, de verplichting om het minimnm tractement te brengen op ƒ2500.—. (Wijziging van de artikelen 2/25 en 27 van het Reglement op 'de Predikantstractementen en van artikel 41 van het Reglement op de Vacaturen).

De 1ste wijziging (inzake het vrouwenkiesrecht) is dus verre het belangrijkst.

Waar de Synode dit voorstel met zoo groote meerderheid had aangenomen en de Kerk zelf zich ook in meerderheid vóór verklaard had, was het wel te wachten, dat ook de leden van de Provinciale Kerkbesturen vóór zouden stemmen, wat ze dan ook gedaan hebben met zéér groote meerderheid, n.l. 52 tegen 15 stemmen.

Vraagt men ons, of deze wijziging héél veel in ons kerkelijk leven veranderen zal, 'dan is ons antwoord, dat we van oordeel zijn, dat alles tamelijk wel hetzelfde zal blijven. Misschien, dat er meer vrouwen rechts dan links zullen stemmen ; evenals we dat op politiek terrein zien. Maar wie zal het zeggen ? Wel is 't zeer waarschijnlijk, dat er méér kiescolleges zullen komen, daar er nu meer plaatsen zijn van boven de 100 stemgerechtigde lidmaten.

En dan in de groote steden het in orde maken van de kiezerslijst ! Dat zal heel wat werk aan den winkel geven. En straks héél wat beweging.

De regeering der Kerk.

Naar Gereformeerd Kerkrecht is het ambt van Christus ingesteld, opdat alles eerlijk en met orde, naar uitwijzen van Gods Woord, zal geschieden. En dan komen hier in aanmerking het ambt van bedienaar des Goddelijken Woords en het ambt van ouderling.

Van die twee ambten, in betrekking tot de regeering der Kerk staande, lezen we in artikel 16 Dordtsche Kerkorde : „Der Dienaren ambt is, in de gebeden en bediening des Woords aan te houden, de Sacramenten uit te reiken, op hunne medebroeders, ouderlingen en diakenen, mitsgaders de gemeente, goede acht te nemen en ten laatste met de ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen en te bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede."

Hier staan de dienaren des Woords dus naast de ouderlingen wat betreft de regeering der Kerk, om saam er voor te zorgen, dat alles eerlijk en met orde geschieden zal.

Aangaande de ouderlingen zegt dan artikel 2d Dordtsche Kerkorde nader : „Der ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven, in artikel 16, gezegd is, hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere medehelpers en diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stiching der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen en oók anderen tot de Christelijke religie te vermanen."

De Dienaar des Woords en de Ouderling zijn van Godswege dus ten nauwste saamverbonden om, waar zij hun ambt hebben van en namens Christus, den Koning der Kerk, zorg te dragen voor de prediking, catechisatie, huisbezoek, tucht en achtgeving op leven en leer; óók om saam er voor zorg te dragen, dat alles eerlijk en met orde geschiedt.

Hierin zijn zij niet uitvoerders van den wil der gemeente, om de gemeente in alles tot lastgeefster te erkennen en aan haar van alles verantwoording te doen. Dat willen sommigen in de gemeente soms wel. Maar dat is toch niet naar Gereformeerd Kerkrecht, doch veeleer naar de opvatting van de independenten. Want de independenten spreken van de volkssouvereiniteit en loochenen in den grond der zaak de ambten. Maar dat doen de Gereformeerden niet. Die leeren, dat de ambtsdragers wel door de gemeente worden aangewezen, maar dat zij hun ambt hebben te bedienen namens den Koning der Kerk, Wien zij in alles verantwoordelijk zijn, naar uitwijzen van Zijn Woord. De Formulieren van bevestiging van predikanten en ouderlingen spreken in denzelfden toon. Zij hebben van Christus den last ontvangen het noodige voor de regeering der Kerk te doen en blijven als de zelfhandelende personen in alles verantwoordelijk, opdat alles eerlijk en met orde geschiede.  Hier kan de vraag gedaan worden : moeten de Kerkeraadsvergaderingen openbaar zijn, toegankelijk voor de pers enz. ?

En dan zouden we zeggen : uit het voorgaande is duidelijk dat het antwoord moet zijn onder Gereformeerden. Want independenten, die in den grond der zaak het ambt loochenen en de Kerkregeerders maken tot volksvertegenwoordigers, die door het volk gekozen zijn, om uitvoerders te zijn van den wil der gemeente, die zeggen natuurlijk : „ja, de kerkeraadsvergaderingen moeten openbaar zijn !" Dan kunnen de gemeenteleden controleeren, wat de regeerders der Kerk doen en als ze het niet naar den zin van de Gemeente doen, kunnen ze tot verantwoording geroepen en desnoods weggestuurd worden om vervangen te worden door anderen die meer gewillig zijn, om te vragen, wat de menschen willen.

Doch een Gereformeerde staat hierin anders.

Die zegt : de ambtsdragers zijn wèl door de gemeente aangewezen (en moeten door den kerkeraad gekozen worden), maar hun ambt hebben ze van en namens den Koning der Kerk. Daarom blijven de opzieners der gemeente verantwoordelijk in alles aan den Heere zelven.

Hier raken de z.g.n. democratische naturen wel eens het rechte gezicht op deze gereformeerde beginselen kwijt en gaan spreken van „het recht der gemeente", enz., om dan langs een achterdeur toch weer te bekomen, wat men door de voordeur niet bereiken kon, n.l. dat de ambtsdragers volgens opdracht van de gemeenteleden hebben te regeeren, als mandaat hebbend van de gemeente en dus zitting hebben als uitvoerders van den wil der gemeente.

De z.g.n. democratische naturen (die scheef gaan !) komen dan ook met den eisch van publiciteit en van gemeenschappelijk overleg, enz. Zij beschouwen de Kerk als een soort Vereeniging, waarvan zij de leden zijn, die een Bestuur kiezen om uit te voeren, wat zij, de leden der Vereeniging willen! De leden zijn dan de lastgevers, en de kerkeraadsleden zijn de uitvoeders van hetgeen waartoe de leden der Gemeente hen machtigen !

Maar de zaak staat inderdaad héél anders !

De Kerk is geen Vereeniging, met leden en met een Bestuur. De Kerk is het lichaam van Christus, het huis Gods. En in dat huis gaat het zóó toe, dat Christus het Hoofd is en door Zijn gemeente de ambtsdragers laat aanwijzen onder leiding des Heiligen Geestes, om dan in Zijn Naam en naar Zijn Woord de Gemeente te besturen.

De Kerkeraad is dan ook, naar Gereformeerd Kerkrecht, een besturend lichaam, dat den lastbrief van den Koning der Kerk heeft en niet van de Gemeente.

De Gemeente draagt niet haar macht over aan den Kerkeraad, om in haar naam te regeeren. Want de Gemeente heeft geen macht en kan dus ook geen macht overdragen aan een ander. Christus alleen heeft macht en Hij roept de Gemeente, de dienaren des Woords eu de ouderlingen, onder inroeping van de leiding des Heiligen Geestes, aan te wijzen, opdat dezen straks, van God geroepen, de Gemeente zullen regeeren en richten.

Nu is de macht van den Kerkeraad geen heerschende, maar een dienende macht ; om alzoo Christus te dienen en de Gemeente het goede te bereiden, naar Gods Woord. Waarbij de gemeente met den Kerkeraad heeft saam te werken, waar het pas geeft. Bijvoorbeeld wanneer er ambtsdragers gekozen moeten worden zullen — als het naar Gereformeerd Kerkrecht gaat — de stemhebbende leden der Gemeente de mannen aanwijzen die zij, naar uitwijzen van het Woord en ziende op de behoeften der gemeente, geschikt achten, om straks door den Kerkeraad — en dus onder leiding van het ambt en door de mannen die daar zitten in Christus Naam — te worden benoemd als mede-opziener of beroepen als dienaar des Goddelijken Woords ; waarbij de Gemeente weer zal worden opgeroepen om die benoeming of dat beroep te approbeeren.

Samenwerking en medewerking dus tusschen de Gemeente en den Kerkeraad. Bijv. ook bij het ontvangen en het afgeven van attestaties. Dan zal de Gemeente mee oordeelen ; wat betreft den gang naar het Avondmaal dus. En de Gemeente zal ook in alles mee toezicht houden op leer en leven, om. naar uitwijzen van Gods Woord, den Kerkeraad, waar het noodig is, er in te kennen, opdat die, waar het zijn moet, kan voortvaren tot den eersten en den tweeden stap op den weg van tuchtoefening. 

Hier nu ligt ook wel een terrein om elkaar te ontmoeten.: Kerkeraad èn Gemeente.

Want het kan zich heel goed voordoen, dat er dingen zijn in de Gemeente, waar de Kerkeraad eens over spreken wil met de gemeente. Niet alsof dan in zoo'n „Gemeente-vergadering" met meerderheid van stemmen zou uitgemaakt worden, wat de Kerkeraad straks heeft te doen. Want dan komen we weer in het schuitje, dat wij. Gereformeerden, niet in willen. We moeten niet komen in de richting van volks souvereiniteit en uitvoeren van den wil der menigte door degenen, die dan als uitvoerders van den wil der menigte gekozen zijn. Dat is alles vierkant in strijd met ons Gereformeerd beginsel.

Maar als de Kerkeraad een vergadering van Gemeenteleden samenroept en onder leiding van den Kerkeraad over sommige dingen gesproken wordt rakende het gemeenteleven, dan kan de Gemeente, die door den Kerkeraad is saamgeroepen, wel haar oordeel uitspreken, hetwelk de Kerkeraad als advies ooit wel kan en mag benutten, opdat de dingen straks zoo goed mogelijk door den Kerkeraad zullen geregeld worden.

Mits — en dat voelen we nu wel — de orde van zaken maar niet op onschriftuurlijke wijze wordt omgebogen in de richting van het independentisme. Want de Kerkeraad, het ambt, mag door de Gemeente niet gemaakt worden tot een soort college van uitvoerders van den volkswil.

Geestelijke en stoffelijke dingen zouden zoo op z.g.n. Gemeente-vergaderingen, onder leiding van den Kerkeraad, besproken kunnen worden. De band onderling kan daardoor gesterkt, tot bevordering van het wèl regeeren der gemeente.

En hoe meer de dienaren des Woords en de ouderlingen dan verstaan mogen, door Gods genade, dat zij in dienst staan van Jezus Christus, den Koning der Kerk, om in alles het goede te zoeken voor de Gemeente, naar Gods Woord, hoe beter 't zal zijn.

Dan zullen ze ook trachten, om, met Gods hulp, alle dingen eerlijk en met orde te bezorgen.

En de Gemeente zal er wèl bij varen, den Heere dankende mannen des Geestes te hebben ontvangen, die het huis Gods wèl regeeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's