Staat en Maatschappij.
De steen aan het rollen.
De rede, welke prof. Visscher in de Kamer hield, heeft niet nagelaten daar en ook in den lande grooten indruk te maken.
Het was in geen tijd gebeurd, dat het kerkelijke vraagstuk op zulk een principiëele wijze in het Parlement werd naar voren gebracht, als ditmaal geschiedde.
Terecht mocht dr. Schokking gewagen van het toe te juichen feit, dat de Antirevolutionaire afgevaardigde de aandacht der regeering gevestigd heeft op de functie, die de Kerk vervult als draagster van de zedelijke idealen voor het volksleven.
Echter maakte het Christelijk Historische Kamerlid, die volkomen toegaf, dat er een kerkelijk vraagstuk bestaat, o.m. op een tweetal punten een objectie.
In de eerste plaats werd bedenking gemaakt tegen het beroep op de regeering om het kerkeliik vraagstuk binnen den kring harer bemoeiing te trekken en de oplossing daarvan tot stand te brengen.
Deze bedenking, die door dr. Schokking slechts schuchter werd uitgesproken, omdat hij voor een mogelijk misverstaan ruimte wilde laten, werd op gelukkige wijze door prof. Visscher in zijn repliek weggenomen, toen hij verklaarde, uit den aard van de zaak nooit gezegd te hebben en nooit bedoeld te hebben of te kunnen bedoelen dat de regeering in het kerkelijk leven moet ingrijpen. Wanneer ooit — zoo ging de hoogleeraar voort — eene religieuse richting zich verzet heeft tegen een „Jus in Sacra", is het wel geweest de Gereformeerde richting.
Hier werd door prof. Visscher op uitnemende wijze vertolkt, wat op dit punt in het Antirevolutionaire volk leeft.
Intusschen ging het niet zoo gemakkelijk met de tweede bedenking, welke dr. Schokking naar voren bracht.
Door hem werd n.l. betwijfeld, of het juist is, dat kapitalisatie van de tractementen van predikanten, enz., kon plaats hebben zonder wijziging van 't eerste lid van artikel 171 der Grondwet, een stelling, die — zooals hij zeide — blijkens de uitlating in de stukken, door de regeering wordt overgenomen.
Gelukkig hield de Minister van Financiën op dit cardinale punt, dat het hoofdmoment in de redevoeringen van prof. Visscher vormde, stand.
Het wil mij voorkomen — zoo zeide mr. de Geer — dat, waar in de Grondwet staat, dat de tractementen en andere uitkeeringen, aan dezelfde gezind heden verzekerd blijven, daaraan niet tekort wordt gedaan, wanneer men de bestaande uitkeeringen kapitaliseert.
Dat wij van deze regeeringsverklaring nogmaals dankbaar acte nemen, zal duidelijk zijn. Zij bracht helderheid in het debat.
Thans ligt het op den weg van allen, die zich met het vraagstuk van de losmaking van den financiëelen band tusschen Staat en Kerk hebben bezig te houden, om wat de regeering mogelijk acht, te realiseeren.
Wij willen niet ontkennen, dat zich bij de oplossing van 't vraagstuk moeilijkheden zullen voordoen.
De grootste moeilijkheid — welke reeds in het debat naar voren kwam — betreft de vraag van de rechthebbenden aan wie de kapitalen zullen moeten worden uitbetaald.
Naar Gereformeerd beginsel zullen dit de plaatselijke kerken moeten zijn. In deze richting zal dus de oplossing moeten worden gezocht.
Misschien zal ter bereiking van het doel intrekking van het bekende Besluit van 1816 noodig zijn.
Maar dit is nader te overwegen. Wij hopen, dat de steen, die thans aan het rollen is gebracht, de moeilijkheden op zijn weg zal wegruimen, opdat de eerste stap in de richting van vrijmaking der Kerk zal kunnen plaats hebben.
Nieuwe wijzigingen.
De Minister van Onderwijs is in de Memorie van Antwoord betreffende de wijziging der Lager Onderwijswet aan verschillende bezwaren tegemoet gekomen.
Allereerst is de vrijheid voor de gemeenten en de schoolbesturen hersteld tot het aanstellen van surnumeraire onderwijzers. In verband daarmede is artikel 100, dat in het wijzigingsontwerp was geschrapt, weder in de gewijzigde voordracht opgenomen. Ook brengt het gewijzigde artikel 28 van de wet eene verandering in het minimum aantal leerlingen voor de zoogenaamde eenmansscholeii. Dit getal wordt in de gewijzigde regeling gebracht op 32.
In de tweede plaats is de Minister voor een groot gedeelte terug gekomen op zijn voorstel, bij Nota van wijziging gedaan, ter zake van de voorgestelde verzwaring van de eischen betreffende het aantal leerlingen, vereischt voor de stichting eener Bijzondere School.
Thans wordt voorgesteld, dat de school zal moeten bezocht worden
In eene gemeente met meer dan 100.000 ingezetenen; als de school bestemd is voor gewoon lager onderwijs door ten minste 100 en als zij bestemd is voor uitgebreid lager onderwijs, door ten minste 60 leerlingen;
In eene gemeente met 50.000 tot en met 100.000 ingezetenen: als de school bestemd is voor gewoon lager onderwijs door ten minste 80 en als zij bestemd is voor uitgebreid lager onderwijs, door ten minste 48 leerlingen;
In eene gemeente met 25.000 en meer, doch minder dan 50.000 ingezetenen: als de school bestemd is voor gewoon lager onderwijs door ten minste 60 en als zij bestemd is voor uitgebreid lager onderwijs door ten minste 36 leerlingen.
In eene gemeente met minder dan 25.000 ingezetenen: als de school bestemd is voor gewoon lager onderwijs, door ten minste 40 en als zij bestemd is voor uitgebreid lager onderwijs, door ten minste 24 leerlingen."
Echter is op dit punt weer een nieuw bezwaar gerezen, dat, zoo het niet wordt weggenomen, het wetsontwerp onaannemelijk maakt.
De Minister deelt mede, dat, nu de cijfers der minima van de tegenwoordige wet in artikel 73 ook voor de toekomst zullen gehandhaafd blijven, er gewaakt moet worden tegen noodelooze versnippering.
Daartegen is natuurlijk geen bedenking.
Maar wel moet met alle kracht worden opgekomen tegen de voorziening, welke wordt getroffen om dit euvel te bestrijden.
Er wordt n.l. bepaald, dat verhinderd zal worden, dat voor de stichting van eene nieuwe school kinderen worden opgegeven, die reeds een lagere school ter plaatse bezoeken, d.w.z. dit: stel een kind bezoekt in eenige gemeente een lagere school, dus ook een openbare lagere school, dit kind niet zal mogen medetellen voor de kinderen, die een nieuwe school zullen bevolken.
Wij kunnen haast niet anders denken of hier moet een misverstand bestaan. De Minister moet iets anders hebben geschreven dan hij bedoelde.
Want zou de wet voortaan zóó in artikel 73 komen te luiden, dan zou de oprichting van haast elke bijzondere school zijn uitgesloten.
En in de derde plaats heeft de Minister zijn aanvankelijk voornemen laten varen, om in artikel 125 in de ontslagkwesties bij de bijzondere school, de inmenging van Ged. Staten te betrekken
Ook deze gedachte is thans prijsgegeven.
Een en ander bij elkander genomen, is het wetsontwerp, zooals dit thans uit de smeltkroes naar buiten is gekomen met uitzondering van het nieuwe beginsel, dat in art. 73 is neergelegd, in heel wat opzichten aannemelijker dan de wijzigingen, zooals deze aanvankelijk werden voorgesteld.
Voor dit alles verdient de Minister van Onderwijs ook onzen dank.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's