Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
: -: door JAN VELTMAN : -:
De tengere jongen Icon niets beginnen tegen zijn grove, stevige bewalcers, en riep zoo luid hij l< on :
„Koen ! — Koen ! — Dieven op 't erf !" De afstand was veel te ver, dan dat Koen 't zou kunnen hooren, en de jongens dreigden hem te zullen slaan, als hij zijn mond niet hield.
O, wat had Paul een verdriet. Want de jongens zouden niet alleen alle bessen stelen, maar ook de struiken, en wie weet wat nog meer, vernielen. Koen en Hilda zouden 't hem verwijten, dat hij niet op zijn post gebleven was, en ze zouden zich over hem beklagen bij Teun Dolle, den armvoogd, en deze zou hem — tot straf — bij andere, bij slechte menschen uitbesteden. Hij had toch geen kwaad gedaan, want hij had het in 't belang van Koen en Hilda beter geacht, dat hij maar met de jongens meetrok.
En de jongens hielden hem zoo stijf vast ! En hoe hij ook smeekte, dat ze hem zouden loslaten, het baatte hem niet.
Doch daar kwam een goede kennis, een boerenknecht.
„Berend ! help ! help ! de jongens houden mij vast, en 'k moet naar huis !"
Maar Berend was ook een goede kennis van de andere jongens, en liet Paul in hun macht. Paul was immers toch maar de verschoppeling !
„Klaas ! laat me los ! — Je doet me zoo zeer ! — Ik zal toch niet meer weg loopen. Laat me dan los !"
't Ventje begon te schreien. Hij richtte zijn betraande oogen naar den blauwen hemel, zoo hoog, zoo geheimzinnig, maar waar hij niets en niemand wist, die hem zou kunnen helpen, 't Werd bitter in zijn jonge ziel, omdat de menschen plezier hadden in zijn verdriet.
Doch daar naderde weer iemand, en nu een onbekende, 't Was een net gekleed jongmensch van zeventien, achttienjarigen leeftijd. Nu kreeg Paul hoop, want deze vreemdeling zou 't wel niet weten, dat hij de verschoppeling was, en hem misschien wel willen helpen, en hij begon te roepen :
„Man ! Man ! — help mij ! — Ze houden mij vast, en ik mag niet weg. Ze stelen alle bessen van Koen !"
't Onbekende jongmensch kwam werkelijk de wei in, recht op het drietal aan, en nu namen de beide boosdoeners de vlucht. Wat een verrassing was dat voor Paul. En wat vond hij dien vreemdeling een vriendelijken, hulpvaardigen „man", terwijl deze met oprechte betooning van medelijden hem aankeek. Wel graag had hij hem eventjes alles verteld, maar hij moest zoo snel mogelijk naar huis om Koen en Hilda te wekken.
„Je bent een goede man ! — Ik bedank je vriendelijk !" zei hij en liep snel heen, nu en dan luid schreeuwend om de dieven, indien ze op Koens erf waren, daarmee op de vlucht te drijven, of Koen en Hilda te wekken. Toen hij nog slechts een eindje van zijn huis verwijderd was, zag hij de jongens door 't hekje wegloopen. De bessenstruiken waren half leeggeplukt. Huilend ging Paul naar binnen.
„Hilda ! — Zie toch eens, de jongens heb ben bijna alle kruisbessen gestolen."
De kleine vrouw schrok op uit haar middagslaap.
„Slaapkous, waarom houd je niet beter de wacht? Het was jou toch opgedragen, om de dieven van 't erf te houden I"
„Hilda, ik heb " , , Ik hèb - -ik heb — houd je mond ! jij hadt op den tuin moeten passen ! Daar, droomer !"
Ze gaf den jongen een draai om zijn ooren.
Van de drukte ontwaakte nu ook Koen. Hij lag plat op den vloer ; doch nu wreef hij zich de oogen uit en richtte zich zittend op.
„Wat is er, Hilda? Wat is er? " „Och, die droomer laat de jongens alle bessen stelen, terwijl hij er levend bij staat !"
Nu kwam Koen overeind. , , Ben jij een jongen ? Een prul ben je ! Een oliebol ! Een Laplander I"
„Ik heb mijn .best gedaan, Koen I maar de jongens bedrogen mij !"
„Daarom ben je een oliebol, een krent, omdat - jij je door die onnoozele kuikens van jongens laat bedriegen. Je bent een kraai I"
„Ze hielden me vast. Koen, ginder op 't weiland, en "
„'t Is een uil, die zich laat vasthouden. Jij bent een oliebol, een koffieboon ! Een pannekoek ben je I Je deugt voor niks ! Als er wat te bikken valt, dan tel je voor een man; maar verder ben je een jongen van niks. Een kikker ben je !"
Zoo stond Koen daar — naar omstandigheden tamelijk kalm op zijn eigen manier den jongen de les te lezen. Misschien zou hij ook wel zijn handen aan den knaap geslagen hebben, indien hij die vrij had gehad, doch hij had ze noodig om zijn beenbekleeding op te houden en al scheldend, scheen hij daaraan al de aandacht te wijden, zoodat hij de noodige knoopen en knoopsgaten niet kon vinden.
Paul zag wel naar 't immer mistasten van die plompe kromme vingers, doch sloeg er geen acht op, omdat hij slechts aandacht had voor de leelijke woorden, waarmee Koen hem overlaadde. Hij voelde zich, of zijn ziel werd uitgeperst. En hij wist, dat-hij zich niet verdedigen mocht. Teun Dolle toch had hem goed ingepeperd, dat hij zich alles moest laten zeggen en nooit van zich af mocht spreken.
Gelukkig kwam Koen tot het .besef, dat hij zijn kleeren had vast te maken, en hiervoor had hij al zijn aandacht noodig, zoodat hij zweeg. Maar nu nam terstond zijn vrouw weer het woord.
„En dan zeggen de menschen, dat we 't goed met dien halfgaren kinkel hebben, dat hij werkt als een kerel en altijd zijn best doet ; en dat we nog iedere v/eek tien stui-
vers toe krijgen van de armvoogdij, 't Is de moeite Vv'aard, tien stuivers en dat beetje werk — een kip doet evenveel — en daarvoor kan je dien grooten slokop den kost geven !"
„Hilda, ik zal altijd hard voor je werken; en dat doe ik. Maar de jongens bedrogen ' mij." - •
„Jij hebt je niet te laten bedriegen ! Jij had moeten zorgen, dat de jongens niet door 't hek kwamen ! Dat hadt je te doen ! Maar je bent niet op je post geweest. Jij hadt moeten doen, wat je opgedragen wordt daarvoor geven we jou den kost."
Koen had den strijd met de knoopen en knoopsgaten gewonnen.Over de kruisbessen maalde hij niet, want zijn maag kon dat zure goed niet meer verdragen, en Hilda's liedje kende hij verder nu wel van buiten. "
„Houd maar op, Hilda ! Zet maar een ; bakje koffie, en Iaat dien Laplander naar buiten gaan. Zoo'n oliebol ! zoo'n pannekoek ! Een koffieboon ben je ! Een krakeling ! Maak dat je buiten komt, vort !"
Paul ging naar buiten. Hij had gaarne zijn leed willen uithuilen ; maar Koen en Hilda zouden 't hooren en dan zouden zij bij vernieuv, 'ing hem allerlei verwijten. Onwillekeurig richtte hij zijn triestigen blik omhoog, want van daar kwam geen verwijt, geen plagerij. •
{Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's