Uit de Pers
De vrijmaking der Kerk.
Staat en Kerk, het orgaan van de Hervormde Gereformeerde Staatspartij (de H.G.S.) stelt in het nummer van 17 November de vraag : „Zal het onrecht hersteld worden ? "
Het blad beantwoordt deze vraag als volgt :
In het Voorloopig Verslag over Hoofd stuk VII B van de Staatsbegrooting voor 1923 lezen we o.a. : „Enkele leden gaven als hun opvatting te kennen, dat de synodale organisatie der Nederduitsch Hervormde Kerken wettigen grondslag mist. Zij achtten het niet juist, dat een bedrag van ƒ40.000.— als kosten van kerkbestuur wordt toegekend aan een instelling, welker kerkrechtelijke bevoegdheid voor ernstige betwisting vatbaar is en stelden inverband daarmede de vraag, of de Regeering bereid is te overwegen, of niet, voordat wederom tot toekenning van een zoodanige bijdrage wordt overgegaan, de Nederduitsch Hervormde kerken in de gelegenheid behooren te worden gesteld zich een wettig bestuur te kiezen."
Bezwaar hebben we tegen de uitdrukking „Nederduitsch Hervormde Kerken" want er is maar één Nederduitsch Hervormde Kerk, zoodat we liever lezen gemeenten inplaats van kerken.
Overigens kunnen wij instemmen met het gevraagde.
De Minister heeft mede te werken tot herstel van het onrecht, dat de oude Vaderlandsche Kerk in 1816 is aangedaan, toen haar bij koninklijk besluit een bestuursinrichting is opgelegd, welke in strijd is met Gods Woord, in strijd met haar belijdenis, in strijd met het Gereformeerd Kerkrecht.
En nu is wel in 1852 en in 1870 de Hervormde Kerk van alle Staatsinmenging in haar bestuur vrijgemaakt, doch onder de organisatie, welke haar onwettig was opgelegd, zoodat in 1852 het onrecht eerder is bevestigd dan weggenomen. Groen van Prinsterer noemt „de vrijheid van 1852 voortzetting der slavernij onder gewijzigden vorm" (Nederl. Ged. 2e Serie dl. I blz. 98). „De Synode zelve ontleent — enkel en alleen — haar macht aan de Regeering en dat is de fout, die voorziening eischt", aldus de heer Van Lijnden v. Sandenburg. (Hand. van de Tweede Kamer der St. Geij. 1864 —70, blz. 492).
De H.G.S. wenscht niets vuriger dan volkomen herstel en algeheele vrijmaking der kerk van het Synodale juk en verlangt, dat de Regeering kome tot intrekking van het koninklijk besluit van 1816 en dat de Ned. Hervormde Kerk in de gelegenheid worde gesteld zich een organisatie te kiezen, die in overeenstemming is met Schrift en Belijdenis en Gereformeerd Kerkrecht en zij weer erkend worde als de historische en wettige openbaring van het lichaam van Christus in Nederland, als de Nationale en de Vaderlandsche Kerk met volkomene handhaving en toepassing van artikel 36 onzer Ned. Geloofsbelijdenis.
Opheffing van den Vaccinatiedwang.
Het Utrechtsch Dagblad bespreekt de agitatie tegen het wetsontwerp tot opheffing van den vaccinatiedwang in een artikel, dat we hier overnemen.
Terwijl het wetsontwerp tot opheffing van den vaccinatiedwang nog niet eens is ingediend, steekt er aan alle kanten in de pers reeds een zoodanig geloei van verontwaardiging op, dat de objectieve beoordeeling van het moeilijke vraagstuk dat in den vaccinatiedwang ter oplossing gesteld wordt aan het volksgeweten, er uitermate door wordt gehinderd.
De Telegraaf legde een heele enquête aan, maar dat was niet genoeg, de illustratie moest ter hulp geroepen worden om aan ons volk al de verschrikkingen te toonen, welke van de opheffing van den vaccinatiedwang zouden zijn te verwachten, waarbij het Calvinistische deel van ons volk op de bekende zinnelooze wijze wordt geridiculiseerd. Intusschen was dezelfde Telegraaf genoodzaakt, het oordeel te publiceeren van een der meest deskundige Nederlanders op het gebied der volksgezondheid, prof. Saltet, die met het oog op de practijk in Engeland, de te verwekken gevaren lang niet zoo vreeselijk achtte als de gemiddelde leek, die onmiddellijk aan het brieschen en snuiven gaat, zoodra een rechtsch Kabinet den euvelen moed heeft een maatregel aan te kondigen, die in de lijn ligt van zijn beginselen.
Geenszins zijn wij blind voor de ernstige bezwaren, welke van medische zijde tegen de opheffing van den vaccinatiedwang worden aangevoerd, ofschoon wij toch de vraag willen stellen of niet de algemeene verbetering der sanitaire toestanden thans aanleiding geeft het pokkengevaar in geheel ander licht te bezien dan tijdens de invoering der huidige vaccinatieregeling. Prof. Saltet doet in zijn bovenbedoeld artikel uitkomen, dat tijdens den oorlog, niettegenstaande de daardoor verhoogde kans op besmettmg, slechts enkele gevallen aan pokziekte zijn opgeteekend. Maar onze ontvankelijkheid voor een sociaal belang van essentiëele beteekenis als de volksgezondheid, verleidt ons niet tot een oppositie quand-même, tegen een nog niet bestaand wetsontwerp, ten opzichte waarvan de Regeering verklaard heeft, dat aan de gemoedsbezwaren tegen den vaccinatiedwang aandacht zal worden verleend, met inachtneming van de zorg voor de volksgezondheid. De hetze tegen het ontwerp-vaccinatie-wet is minstens voorbarig. En wij weigeren mede te gaan in het vermoeden van kwade trouw ten opzichte van de Regeering, dat zich in die hetze uitspreekt. Wij mogen toch onderstellen, dat de Regeering den maatregel niet zal voorstellen dan na grondig medisch advies, en het ontwerp zóó zal inrichten, dat met de medische bedenkingen rekening wordt gehouden. En in deze voor-onderstelling wachten wij af en zullen voor de beoordeeling der Regeering ons kriterium zoeken, niet in algemeene verklaringen en losse geruchten, maar in tekst en toelichting van het aangekondigd wetsontwerp.
Intusschen is het ten eenenmale onjuist, uitsluitend de eene zijde van het vraagstuk te bezien. Men mag — ook indien men de opheffing van den vaccinatiedwang allerverderfelijkst zou achten uit sanitair oogpunt — niet voorbij zien dat de vaccinatiedwang, die in de heerschende wetgeving ligt uitgesproken, een beperking inhoudt van de gewetensvrijheid. Het liberale levensbeginsel, dat wij aanhangen met geheel onze ziel, eischt voor de gewetensvrijheid respect. En een consequente, eerlijke doorvoering van dat liberale beginsel vergt onverbiddelijk, dat die gewetensvrijheid overal, op alle terreinen van leven en maatschappij, worde gerespecteerd. Ofschoon voorstanders van een krachtige weermacht, hebben wij het wetsontwerp ter tegemoetkoming aan de gemoedsbezwaarden tegen den militairen dienst, met warmte toegejuicht. Ofschoon voorstanders van een intensieve overheidszorg voor de volksgezondheid, willen wij de waardeering, voortvloeiende uit ons beginsel, niet onthouden aan het streven dat onze rechtzinnig-geloovige landgenooten in staat wil stellen te leven volgens de wetten en geboden, die hun geweten hun oplegt. En Wij achten het onzen plicht, hier de vrijzinnigen te waarschuwen tegen het gevaar eener afdwaling van hun waarachtige liberale overtuiging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's