De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

Wat Rome leert. VI.

Sinds Luther, door Gods Geest geleerd, tot het vertrouwvolle geloof (fides fiducialis) gekomen is, belijdende, dat al zijne gerechtigheid bij God is in Jezus Christus, enkel en alleen door Zijne zoenverdiensten, keert Luther zich met Gods Woord in de hand tegen Rome's Kerk, waarbij hij door die Kerk wordt uitgeworpen en vervloekt.

Vooral sinds 1518, het gesprek te Augsburg met Kardinaal Cajetanus, leert Luther openlijk, dat de Heilige Schrift de eerste plaats inneemt onder de theologische kenbronnen en voegt er bij, dat door de zoogenaamde decreten de Kerk slechts bedorven wordt. Hi] zegt dan ook, dat de Bijbel boven den paus staat. „Kerk noch Vaders, noch apostelen, noch engelen moet men hooren, tenzij het zuivere Woord Gods door hen wordt verkondigd en gepredikt", en verder : „Ik stel tegen alle uitspraken der Vaders, tegen alle engelen, menschen en duivelen tegen hun liunst en woorden de Schrift, het Evangelie ; Gods Woord staat bij mij boven alles." „Er is op aarde geen duidelijker boek geschreven dan de Heilige Schrift ; want de Heilige Schrift is vergeleken bij alle boeken als de zon tegen alle licht." Zoo schrijft Luther in zijn verklaring van den Galatenbrief. En zoo blijft hij voortgaan om de leer der Schrift, om den Christus der Schriften, om den weg der zaligheid voor een arm zondaarsvolk te prediken.

Daarin spreekt de geest der Reformatie, want hierin verschillen Luther, Zwingli en Calvijn niet. En hetzelfde wordt door het Gereformeerd Protestantisme nog steeds tegenover Rome en tegenover elke richting of beweging gesteld, opdat in het midden der menschen waarheid toch van leugen zal onderscheiden worden.

Rome verzet zich tegen deze Protestantsche belijdenis.

Want Rome stelt inderdaad boven Gods Woord de traditie, de Kerk, den Paus. Rome praat daar wel omheen en komt met allerlei mooi schijnende theorieën. Maar de werkelijkheid is, dat bij het Evangelie dat Rome verkondigt het pausdom, de oorbiecht, de mis, het vagevuur, de vereering van de Heilige Maagd Maria, de aanroeping der heiligen, de reliquieën, schering en inslag is, waarbij allerlei gebruiken als : wijwater, het teeken des kruises, rozenkran's, processies, bedevaarten, vasten, geeselingen, enz. enz., zoo'n plaats innemen, dat het Woord Gods niet meer gehoord wordt en Christus inderdaad - wordt verloochend als de eenige en algenoegzame Zaligmaker, in Wien rust en vrede is geschonken voor een iegelijk, die in Hem gelooft.

Rome heeft dat alles zelf verzonnen, uitgedacht, opgesierd en vastgelegd in ceremoniën, traditiën, leerstellingen, enz., een iegelijk betuigend, dat hiervan af te wijken niet geoorloofd is, op straffe van ban en vloek. Alleen door middel van de Kerk die zulke dingen leert, is er genade te verkrijgen en gemeenschap te oefenen met God.

Zoo roemt Rome Gods Woord met den mond, maar laat tegelijk de Heilige Schrift los. Zij roemt Christus, maar verloochent tegelijk Zijn allervolmaaktst werk der verzoening. En van tweeën één : of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn óf die dezen Zaligmaker met waren geloove aannemen, moeten alles in Hem hebben, wat tot hunne zaligheid van noode is.

Wij weten het, dat Rome in de officieele kerkelijke uitspraken ten opzichte van den weg des heils en ten opzichte van de vraag : wat moeten wij doen om zalig te worden, gewoonlijk zéér sober en zéér voorzichtig is. Met een weinig handigheid weet b. v. een Roomsch priester ten aanhoore van Protestanten dan ook dikwijls een niet onaardig figuur te slaan. Rome zegt Gods Woord te eeren ; zij zegt Christus te prediken ; zij spreekt ook van genade. Maar tegelijk is zij in haar practijken zóó, dat zij de Kerk, de traditie, den Paus eert boven Gods Woord. Welk Woord zij ook aan de leeken onthoudt, in tegenspraak met het woord van den Heiland : „onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn 't die van Mij getuigen."

Zij zegt Gods Woord te eeren en tegelijk verklaart ze, dat Gods Woord onduidelijk is, in tegenspraak met den Psalmist, die, sprekend naar het hart van Jeruzalem, uitriep : „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad" ; in tegenspraak met hetgeen de verhoogde Heiland tot Zijn Kerk zegt : „zalig zijn zij, die deze Mijne woorden lezen en bewaren." Bij welke woorden des Heeren wij het geknutsel van Rome inzake paus, heiligenvereering, mis, vagevuur, aflaat, goede werken, enz., niet mogen inwisselen voor hetgeen de heilige mannen Gods, gedreven door den Heiligen Geest, gesproken hebben, wat - ons bewaard is als de leer der apostelen en profeten in de Heilige Schriftuur.

Knoeierig handelt Rome met alles. Bewijsstukken voert zij aan voor de leer van de onfeilbaarheid van de geestelijkheid, vertegenwoordigd in haar pauselijk hoofd. En dan moet daarvoor dienen hetgeen de Heiland tot Petrus gesproken heeft zeggende : „Gij zijt Petrus en op deze rots (petra) zal Ik mijne gemeente bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen." Alsof Jezus Zijn Kerk op een mensch zou hebben gebouwd en die mensch (Petrus, en zijn opvolgers, de pausen ? ) de Kerk van Christus tegen de hel zouden kunnen behoeden. Welk Protestantsch Bijbellezer vindt dat in deze woorden, die betrekking hebben op hetgeen Petrus beleed aangaande den Christus, wat vleesch en bloed hem niet hadden geopenbaard!

Zingt de Christ-geloovige dan ook met Luther : „Houdt Christus Zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden, gezeten aan Gods rechterhand kan Hij haar wel behoeden !" — de Roomsch-geloovige moet zingen : „Houdt Petrus maar de Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden"

Even dwaas doet Rome met de heiligen. Ze leert met opzet allerlei door elkaar, om den schijn te wekken, dat hoogstens de heiligen worden vereerd en niet aangebeden. Maar die de Roomschen ziet kniplen voor de beelden en merkt hoe die beelden vereerd worden en hoe geknield voor die beelden, de heiligen in den hemel als schatbewaarders worden aangeroepen en om hun voorspraak gebedeld wordt, terwijl bloemen en kaarsen aan den voet van het beeld worden neergezet, die ziet en weet, dat hier aanbidding der heiligen is, in strijd met héél de Schrift, die verbiedt voor engelen of menschen te knielen en hen te aanbidden, ieder zondaar wijzend op Hem, die gezegd heeft : „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot den Vader, dan door Mij." Waarbij die Jezus tot een iegelijk, die in nood en dood is, zegt : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven."

Wat is hier de taal van de Schrift heel anders dan de practijk van Rome's Kerk ! Of zegt Gods Woord niet : „Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijn neusgaten is, want waarin is hij te achten ? "

Lees ook Openb. 19 vers 10 maar, " waar de engel tot Johannes op Patmos zegt, als deze voor zijne voeten neervalt om hem te aanbidden : „Ziet dat gij dat niet doet, ik ben uw mededienst knecht en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben : aanbid God !"

Is dan al dat „Ave Maria" roepen, zich met biddingen en smeekingen en dankzeggingen wendend tot de Heilige Moedermaagd, de Koningin des hemels, geen gruwelijke afgoderij ?

Ja, Rome bouwt van allerlei dingen een ladder, om tot Christus op te klim­ men in den hemel, om de genade deelachtig te worden en Rome leert niet, wat Gods Woord leert, hoe een arm zondaar uit vrije genade door Jezus Christus, in den weg des geloofs, met God verzoend kan worden, om te mogen roepen: Abba, Vader !

Men onteert Qods Woord. Men beleedigt Christus. Men misvormt den weg. der zaligheid. Men ontaardt de sacramenten. Men neemt de ware vrijheid in Christus weg.

Zoo staat dan het Gereformeerd-Protestantisme tegenover Rome met Gods Woord in de hand, predikende Christus en dien gekruisigd. Waarbij zij meer dan één vijand heeft.

Want werkte naast en tegenover den geest der Reformatie niet de geest van het Humanisme, welke tegenstelling nóg is? Stonden naast en tegenover Luther niet Erasmus en de zijnen, die, Rome aanvallend, een leer verkondigden, waarbij de mensch op den troon werd gezet en de hoop op het schepsel werd gebouwd, tot vernieuwing des aardrijks ?

Het Humanisme geloofde in de schoonheid, in den adel van den mensch Dat had men opgediept uit de Klassieke oudheid. En men droeg het bij vernieuwing voor. Gelijk de Grieksche beeldhouwers het ideaal-menschelijke met zeldzame schoonheid in marmer hadden weten uit te beelden, zoo greep ook het Humanisme naar de schoonheid van het menschelijk lichaam èn naar den adeldom der menschelijke ziel. Beelden van Da Vinci, figuren van Michel Angelo, vrouwen-staturen van Bottecelli, bewijzen hoever men klom, om te grijpen naar het ideaal, geloovende in den mensch met de edelste vermogens. Zoo kwam men tot de Humanistische belijdenis : ik geloof in den mensch, in zijn natuurlijke goedheid, in zijn adel, in zijn schoonheid, in ziin voortgaande ontwikkeling, waarbij op een volledige ontplooiing van zijn voortreffelijke eigenschappen mag worden gerekend. En daarbij was de wereld het groote vaderland voor den Humanist en het eenige dogma : „ik geloof in den mensch" gold voor Jood en Griek, voor Italiaan en Pool, voor alle menschen zonder onderscheid.

Die geest leeft nog en spreekt nog en getuigt nog en werkt nog. En die geest verheft zich óók tegen Gods Woord, loochent ook den Christus, haat ook Gods Kerk, rooft ook het sacrament, duldt ook geen vrijheid, gelijk in het modern geloof van onze dagen klaarlijk wordt geopenbaard.

De geesten woelen en werken zoo om strijd, om Christus naar de kroon te steken ; om het Lam Gods te bestrijden ; om den mensch te misleiden ; om verderfenis te zaaien ; om de inzettingen Gods onderstboven te stooten ; om de fundamenten van het Godsgebouw te ondergraven ; om de schapen te rooven ; om de lammeren te verscheuren.

Eigengemaakte goden! Torens van Babel !. Cultiveeren van doornen en distelen, om toch te beproeven er druiven van te plukken en vijgen van te oogsten !

Rome hier ! Het modern geloof daar ! Wijsgeeren overal ! Cultuur, beschaving, humaniteit. Men voelt zich ongelukkig. Men ervaart dat de aarde gebukt gaat onder een vloek. Men ziet dat het menschdom boos is. En dan komt de denkkracht, dan komt de streefkracht des menschen in beweging. Dan wordt naar Gods Woord niet gevraagd, maar een eigenwillige godsdienst gecreëerd ; waarbij èn hier èn daar Christus, de eenige en algenoegzame Zaligmaker, wordt geloochend of onteerd.

De verlorenheid van den mensch wordt niet gepeild. Het kruis van Golgotha wordt niet gekend.

Door den Heiden niet ; door den Mohammedaan niet; door den Buddhist niet; door Rome niet; door den Humanist niet ; door den Atheist niet.

Zwaar en breed is de taak, heilig en groot is de roeping daarom van het Gereformeerd Protestantisme om tusschen dit alles staande tegenover dit alles op te treden, met Gods Woord in de hand, als een lampe ter verlichting en de belijdenis van Jezus Christus uitdragend. Hem roemend als den eenigen en algenoegzamen Borg en Losser van een arm zondaarsvolk; Wiens woord nog altijd is : „Ik ben het licht der wereld 1"

Groot is de roeping, zwaar is de taak voor Christus' Kerk. die, (ecclesia) uitgeroepen en verkoren uit deze wereld en overgezet in het licht, van dat Licht heeft' te getuigen ; anti de leugenleering en pro vertitate (vóór de waarheid), hierin getroost en gesterkt door de beloftenis van den Heiland, die gezegd heeft : „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde ; Ik ben met u Heden tot aan de voleinding der wereld."

Valsche mystiek.

Wij hebben ze wel ontmoet die menschen, die zóó redeneerden, alsof het onderwijs des Geestes inplaats van gebonden te zijn aan Gods Woord, een onderwijs is los van dat Woord. En die het voorstelden, alsof de Heilige Geest de geloovigen onderwijst door ingevingen en openbaringen buiten het Woord en boven het Woord. Het gevolg is dan, dat men in die kringen altijd over den Geest spreekt en dat men het eigenlijk minderwaardig acht als men met het Woord komt. Het Woord durft men zelfs 'n „doode letter" noemen en hoog daarboven verheft men dan het zoogenaamd „inwendig licht", waarmee men bedoelt het innerlijk onderwijs des Geestes. Wat bij die menschen opkomt in 't gemoed geven zij een schijn van geestelijkheid en dienen zij aan als ingevingen en openbaringen des Heiligen Geestes ; en inplaats dat men dit „inwendig licht" gaat toetsen aan de Heilige Schrift, zegt men dat de Schrift dood is en de Geest levend.

Hoe gevaarlijk is deze „valsche mystiek" ! .

Want wij hebben een dwaalziek verstand en een bedriegelijk hart, een verstand en een hart, die geneigd zijn voor goed aan te zien wat kwaad is en de Satan, die zich óók in de gedaante van een engel des lichts weet te veranderen (2 Cor. 11 vers 14) zoekt hier overwinning op overwinning te behalen. Men raakt dan hoe langs hoe verder verwijderd van de gezonde leer en van de rechte levenspractijken ; men vervalt in allerlei dwaling en verkeerde gewoonten, voor zichzelf en voor z'n huisgenooten tot schade ; en het kerkelijk leven met Woord en Sacramenten raakt geheel zoek.

Daarom is het zoo'n groot voorrecht, dat de Heere ons Zijn heilig en dierbaar Woord heeft gegeven, als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad (Ps. 119). Dat Woord noemt de Hebreërbrief „levend en krachtig en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, dat doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten" (4 : 12). Wat dus geheel iets anders is dan een „doode letter" te zijn. En we zullen goed doen te staan naar de werking des Geestes, opdat onzeoogen ontdekt worden aan de wonderen van Gods getuigenis. Niet als de koeien, die door het gras loopen en de bloemen vertrappen zonder dat ze iets zien van de schoonheid des velds, moeten wij en onze kinderen Gods waarheid onder den voet loopen ; maar wij moeten bidden om de heerlijkheid van Gods getuigenis te mogen aanschouwen bij Geesteslicht, dan zullen we den zegen ervaren waarvan de dichter van Psalm 119 spreekt, zeggende : „Die Uwe wet beminnen, liebben grooten vrede en zij hebben geen aanstoot" (vers 165).

Verlaten wij den vasten weg van Gods Woord, dan laten we den veiligen gids los en als we op dat gewaand „inwendig licht" ons betrouwen zetten zijn we in gevaar te vallen in de strikken des Satans en gevoerd te worden in allerlei dwaalwegen en ook de hoop der zaligheid op valsche gronden te bouwen, wat dikwijls gepaard gaat met het echte werk Gods bij anderen te minachten.

Wat wij in verband met deze dingen dikwijs hebben opgemerkt is dit : dat men geheel komt tot verwaarloozing van den weg der middelen, bizonderlijk voor de kinderen. Wij herinneren ons hoe een vader, toen wij voor een van zijn kinderen (wat ons later bleek een kind van zijn ongehuwde dochter te zijn) spraken over de catechisatie, ons antwoordde : „denkt Gij, dat Gij hier gekomen zijt oin de menschen te bekeeren ? dat doet de Heere Zelf en dat werk geeft de groote God niet uit Zijn handen om het te leggen in de hand van een verdoemelijk zondaar." We stonden als jeugdig predikant verbaasd en we gingen droevig heen, temeer, toen ons nog eens verzekerd werd, dat „als de Heere een kind bekeeren wil Hij er Zelf wel voor zorgen zal." Wat een verwarring van de dingen ! Wat totaal voorbij zien van den weg der middelen. Wat kleineeren van Gods Woord, van Gods Verbond, van Zijn Kerk, van de genademiddelen ! ,

Is de Heilige Geest ons niet gegeven om ons wijs te maken tot zaligheid ? En prijst Paulus daarom ook Timotheus niet gelukkig, omdat hii van kindsaf de Heilige Schriften geweten had ; de Schriften „die u wijs kunnen maken tot zaligheid, - door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is" (2 Tim. 3 vers 15).

Het Woord te minachten is een streep halen door hetgeen we lezen in Lukas 11 vers 28 : „Maar Hij zeide : Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren."

Men smult dan z.g.n' aan 't geen de ' Geest innerlijk komt openbaren ; aan 't geen de ziel mag ondervinden. Maar men mist dan de ware zielespijze, die naar het Woord is, en waarbij 't hart alleen maar waarlijk onderwezen, gesterkt, getroost en gezegend kan worden

Daarom zegt Petrus ook : „En, als nieuw geboren kinderkens, zijt zeer begeerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen" (1 Petrus 2 vers 2).

En daarom roept de Psalmdichter uit: „Uwe geboden heb ik lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud". Psalm 119 vers 127).

Gansch verkeerd doet men dan ook, wanneer men, met minachting van het Woord, spreekt van het inwendig woord en het inwendig licht, dat de Heilige Geest los van het Woord Gods aan de harten komt openbaren, volgens die zoo genaamd geestelijke menschen.

Ze gebruiken dan wel teksten als deze : „Doch gij hebt de zalving van den Heilige en gij weet alle dingen." (l Joh. 2 vers 20)'.

Ze hebben den Geest en dan hebben ze verder niets meer noodig.

Maar wat schandelijk verdraaien van de eenvoudige bijbelsche waarheid is dat ! Want de Heilige Geest is er niet om het werk Gods tegen te staan, te verbreken, te onteeren of te ontheiligen. Integendeel. De Heilige Geest is er, om het schoone en heerlijke werk dat God Wrocht in de schenking van Zijn Woord aan Zijn Kerk te volmaken, te verheerlijken, te heiligen. De Heilige Geest neemt niet uit iets anders dan uit Gods Woord en de Heilige Qeest bindt juist altijd aan dat Woord, opdat de Heere geëerd en de ziele gezegend zal worden.

Die dan door den Heiligen Geest geleid worden in het spoor van Gods Getuigenis, die zijn kinderen Gods. „Zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren, en hetzelve bewaren." (Lukas 11 vers 28).

Ook in onzen tijd geldt nog het woord van Paulus, dat zoo iemand meent geestelijk te zijn, die erkennen dat hetgeen de heilige Godsmannen ons gegeven hebben, des Heeren Woord is. (1 Cor. 14 vers 37).

Laat men dan toch niet zoo eigenwijs, zoo eigenzinnig, zoo verdwaasd zijn, dat men meent voor zichzelf en voor het samenleven als kinderen Gods, wel zonder Gods Woord te kunnen of boven dat Woord verheven te zijn ; waarbij Gods Woord een „doode letter" wordt genoemd en alles gelegd wordt in het „inwendig licht."

Want zegt Paulus niet: „Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is" ? (2 Tim. 3 vers 16).

De Heilige Schrift hebben we noodig, voor onszelf en voor onze kinderen.

In dien weg is het voor de deelgenooten van Gods genadeverbond alleen veilig te wandelen.

Vooral ook in onze dagen. Want het is zoo noodig, dat in deze tijden van diep verval, waarin de godsdienstige en zedelijke waarheden weg zijn en men zichzelf een weg baant om door het leven te gaan, dat in het midden van Gods Gemeente weer de vastigheid van den Schriftuurlijken weg openbaar wordt. Opdat in Gods Kerk „de menschen Gods tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust" mogen worden (2 Tim. 3 vers 17) en als mondige geloovigen mogen verstaan, wat de Apostel gezegd heeft, om te „wandelen en Gode te behagen en daarin meer overvloedig te worden." (1 Thess. 4 vers 1).

Wat is er dikwiils een onvaste gang ! Wat zijn er vele dwaze redeneeringen ! Wat wonderlijke en zondige levenspractijken !

En de Heiland heeft gezegd : „Zoo iem.and Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren" en elders : „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt : Heere, Heere ! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, die in de hemelen is." (Joh. 14 vers 23 ; Matth. 7 vers 21).

Dat leert de Heilige Geest Gods waren kinderen.

En Gods ware kinderen blijven zeggen : Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad. Om als nieuw geboren kinderen, wedergeboren door het onvergankelijk zaad des Woords, begeerig te zijn naar de redelijke, onvervalschte melk, om door dezelve te mogen opwassen. (1 Petrus 2 vers 2).

In dat Woord onderwezen te worden is tot blijdschap. Om ook dat Woord dan te gebruiken als het zwaard des Geestes, door den Geest sprekend naar het Woord. (Efeze 6 vers 17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's