Uit de pers
In het Avondblad van de Nieuwe Rott. Courant van 7 December 1.1. lazen we een artikel, dat we hier laten volgen. Gelijk van andere stukken in deze rubriek, geldt ook van dit geschrijf, dat wij niet elk woord voor onze rekening nemen. Daar is het ons ook niet om te doen. Maar omdat het onze Bondsactie geldt en handelt over het kerkelijk vraagstuk, willen we het hier laten volgen. Het luidt :
Hoedemaker"s modus vivendi.
Het schijnt soms, dat in het kerkelijk leven enkele plannen, die zich, onder luid misbaar aandienen, na aanvankelijk de gemoederen te hebben geschokt, voorgoed weder verdwijnen. Doch het uitgestrooide zaad blijkt bedektelijk voort te kiemen, totdat plotseling, hier en daar, en overal tegelijk, het in nieuwe kracht opschiet. Zoo is het gegaan met de veelgesmade federatie, zoo gaat het den fel bestreden modus Vivendi ; voor beide heeft de spreuk van prof. Vissohër : tijd rijpt !'' profetische beteekenis gehad.
De gedachtenwisseling tusschen genoemden hoogleeraar en dr. Sohokking in de Tweede Kamer bij de begrooting van eeredienst gehouden, heeft bewezen, hoe actueel het vraagstuk omtrent de verhouding tusschen de verschillende groepen in de Ned. Hervormde Kerk nog steeds is. Door de aanhangers van den Gereforraeerden Bond, o.a. door ds. J. G. Woeldering in „De Waarheidsvriend" is de noodzakelijkheid van een modus Vivendi nog onlangs met kracht bepleit en in het „Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden vermaant ds. F. H. G. van Iterson de vrijzinnigen, die ongeduldig worden en zich van de Kerk willen afscheiden, nog een laatste poging te doen om tot een modus Vivendi te komen.
Is reeds de maatregel van de Synode, volgens welke de minderheden van de kerkvoogdij een vergoeding kunnen verkrijgen, niet een vooruitloopen op een stelsel, dat door het hoofdbestuur der Kerk klaarblijkelijk als het meest wenschelijke wordt voorbereid ?
De eenigen, die zich principieel tegen den modus vivendi blijven verzetten, zijn de Confessioneelen, die als verstokte aanhangers van het dogma bij reorganisatie zweren. Hierbij gaat het hun echter, zooals het starre partijgangers veelal gaat : op een zeker oogenblik blijken zij te zweren bij een formule, die hun leidsman zelf reeds lang heeft verlaten. „Plus royalistes que Ie roi", zijn de Confessioneelen Hoedemaker voorbij gestreefd in hun koppig vasthouden aan de reorganisatie-idee. En het is eene verdienstelijke vondst van ds. Woeldering geweest, dat in een schijnbaar vergeten vlugschrift de groote grondlegger der Confessioneele Vereeniging een plei dooi heeft gehouden voor modus vivendi ! Wanneer men nu weet, dat Hoedemaker voor de Confessioneelen een even gezaghebbend man is als Mozes voor de Joden en Mohammed voor de aanhangers van den Islam, begrijpt men de vreugde, waarmee ds. Woeldering de Confessioneelen tart, hem te bewijzen, dat hun vereerde leermeester ooit dit pleidooi heeft verloochend. Doch zelfs indien dit bewijs mogelijk ware, hetgeen de schrijver niet gelooft, zal volgens ds. Woeldering toch dit geschrift van Hoedemaker door de tegenwoordige Confessioneelen op den index behooren te worden geplaatst.
Wij hebben de zaak belangrijk genoeg geacht, om het vlugschrift van Hoedemaker, dat ook wij niet kenden, te gaan lezen. En inderdaad, dit in 1886 naar aanleiding van de doleantie geschreven betoog, zal de Confessioneelen voor de keus stellen, den modus vivendi te aanvaarden of Hoedemaker te verloochenen.
De titel „In één genootschap, doch kerkelijk gescheiden" zegt reeds genoeg. De schrijver begint met een vergelijking om aan te toonen, op welke wijze hij de onderscheiding tusschen kerk en genoot schap kan handhaven zonder tot boedel scheiding te geraken. „Meer dan één gezin", zegt hij, „kan desïioods onder één dak leven, mits ieder zijn eigen familiekring en eene afzonderlijke huishouding hebbe. Een Parijsche woning, een groot hotel met afzonderlijke appartementen en een gemeenschappelijken concierge aan de deur, ziedaar waar het heen moet."
Bij hét uitwerken van zijn ontwerp is de schrijver uitgegaan van de veronderstelling, „dat het voorshands niet mogelijk is, om langs anderen weg, b.v. dien der reorganisatie, tot een goed einde te komen." Deze veronderstelling maakte Hoedemaker in 1886. Zullen de volgelingen van den meester thans, 36 jaar later, kunnen verklaren, dat de mogelijkheid om door reorganisatie tot een goed einde te komen, er grooter op is geworden ? Ons dunkt, dat het omgekeerde het geval is.
Hetgeen Hoedemaker in zijn betoog aanvoert, om aan te toonen, dat het onmogelijk is om den wensch naar terugkeer tot de vroegere kerkorde te verwezenlijken, waarbij de kerk als kerk zich zou kunnen uitspreken, geldt tfians nog in veel sterkere mate. „Dit is" — aldus Hoedemaker — „voorshands een onmogelijkheid. Eene beweging in deze richting, waardoor de publieke opinie zou worden omgezet, valt zelfs nog niet te bekennen."
Wanneer 36 jaren practijk hebben bev/iezen, dat de publieke opinie de reorganisatie-idee niet aanvaardt en omgekeerd zich meer en meer richt op de wenschelijkheid van een modus vivendi, is het geoorloofd, den reorganisatiemannen het woord van Hoedemaker voor te houden, die, opmerkende, dat „de kerkelijke kwestie ons geestelijk, kerkelijk en zedelijk te gronde richt", verklaart : „Derhalve moet aan de leden van ons kerkgenootschap de gelegenheid worden geopend om zich soort bij soort te groepeeren, opdat de verdere kerkelijke en theologische ontwikkeling een natuurlijk verloop zal kunnen hebben. Dit onoplosbaar vraagstuk mag ons niet langer verdeelen en verzwakken tot schade voor de Kerk in haar geheel en voor de leden in het bijzonder, en dat ten bate van Rome aan de eene, en van het veldwinnend ongeloof aan de andere zijde."
Het ontwerp van Hoedemaker komt hierop neer, dat het belijdend karakter der kerk gehandhaafd zal blijven, zoowel bij de toekenning van de volle rechten van het lidmaatschap als door de leertucht. Doch zij, die door deze leertucht zouden wonden getroffen, of zioh niet onder het toezicht en de tucht van de opzieners willen stellen, krijgen gelegenheid, zich, met behoud van alle rechten, die hun als leden van het genootschap toekomen, afzonderlijk te organiseeren.
De fictie, voor hun deel de „ware" kerk te blijven vertegenwoordigen, is de prijs, waarvoor de volgelingen van Hoedemaker dus den modus vivendi zouden willen aanvaarden. Men zal hun die gunnen, te meer, wanneer ook de Gereformeerde „fractie" zich als „Avare" kerk zal blijven aandienen.
Met behoud der tegenwoordige kerkelijke organisatie, die de uitwendige belangen van de kerk en de verhouding der afzonderlijke „kerken" of „kerspelen" onderling regelt, wil Hoedemaker den gemeenten volledige autonomie geven in alles wat de geestelijke belangen van de gemeenten betreft. De moderne gemeenten blijven modern, de rechtzinnigen rechtzinnig. De minderheden in de gemeente organiseeren zichzelf en vormen zonderling een eigen geheel. Deze organisaties van minderheden zijn in 't genootschap vertegenwoordigd naast de gemeenten ; de gezamenlijke leden van het genootschap kiezen kerkvoogden en notabelen. Het gemeenschappelijk gebruik van de kerkelijke goederen en fondsen heeft de schrijver mede geregeld in zijn ontwerp, dat op dit oogenblik nog de aandacht, inzonderheid van de Confessioneelen, ten volle verdient'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's