De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Ziet, de Heere heeft doen hooren tot aan het einde der aarde: zegt der dochter van Zion: Zie, uw Heil komt. Jesaja 62 vers 11.

Uw Heil komt.

Krachtig spreekt de profetische taal. Jesaja profeteert dat de boodschap die Zion verblijden zal, gebracht zal worden tot aan het ehide der aarde. Zulk een krachtige taal wordt wel meer in de profetieën gehoord. De profeet zegt b.v. Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven. Het is alsof het reeds geschied is. Zóó zeker zal het gebeuren. Wat God belooft, is zoo vast als God Zelf. En zoo staat er ook in de hierboven geplaatste woorden : de Heere heeft doem hooren tot aan het einde der aarde. Leg hier dan naast het bevel dat de Heere Jezus eens gaf aan Zijne discipelen : „Predikt het Evangelie aan alle creaturen", en wij verstaan dat wij hier een Oud-Testamentisch woord hebben met een Nieuw-Testamentische gedachte. De boodschap des Heils zal gebracht worden in alle talen, aan alle volken en natiën.

Dit is het middel waardoor de Heere de dochter van Zion vertroosten wil. De prediking des Woords ! Zoo heeft de Heere het hart van Lydia geopend, zoo dat zij acht gaf op hetgeen door Paulus gepredikt werd. Dit is een voorbeeld, dat vaak wordt aangehaald, maar het is ook zulk een duidelijk bewijs van de vrijmachtige werking van den Heiligen Geest. Allen hoorden hetzelfde woord, maar de Geest gebruikte het voor die ééne vrouw. Daar kan nu de mensch niets af-of toedoen. Hier is Gods werk Gods leiding, die wonderen doet.

Helaas is er veel koudheid en onverschilligheid tegenover de prediking des Woords. Het moet ons bedroeven dat zoovele jonge menschen, zoovele krachtige mannen en vrouwen, zoovele ouden van dagen van geen kerk, geen prediking, geen Bijbel meer weten willen. Daarom kunnen wij het begrijpen, maar goedkeuren niet, dat men naar andere middelen grijpt om de menschen toch nog in de kerk te krijgen. Men brengt de kunst in de kerk. Men heeft dit afgezien van de Roomschen, waar de prediking des Woords geen plaats meer heeft. En dan zijn er menschen die in extase raken over de schilderkunst, de toonkunst in de gewijde gebouwen. Maar wat is voor ons het schoonste in de kerk ? De opengeslagen Bijbel ! De prediking van het Evangelie is het voornaamste. Als dié het niet doet, dan doet niets 't. Dié is als de pijl in de hand van God die het hart treft. De Geest des Heeren werkt vrijmachtig, maar van het Evangelie der genade worde niet af-of toegedaan ; het Evangelie der genade dat gebracht zal worden tot aan het einde der aarde.

Er kan ook zooveel onaandoenlijkheid en koelheid zijn onder de prediking des Woords. Men wordt wel aangedaan, als gesproken wordt van tijdelijke verliezen en droeve levensomstandigheden. En nu is het te begrijpen, maar niet goed te keuren, dat een prediker op die gevoeligheden gaat werken en breed uitmeet de kruisen die er te dragen zijn en de smarten die aan dit aardsche leven verbonden zijn, zoodat hij velen tot een stroom van tranen brengt. Maar daarom gaat het toch niet ?

Dan wordt toch vergeten het woord van den profeet: „Wat klaagt dan een levend mensch ; een ieder klage vanwege zijne zonden." De droefheid der wereld werkt den dood. Is deze er dus bereikt, dan is er nog niets bereikt. Maar de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Deze laatste alleen is werk der genade. Daarom moet aan den mensch zijn zonde worden voorgehouden. Daarom spreekt het Woord des Heeren ons altijd van onze schuld. Dat Woord zal het doen. Alle aandoening die zonder dat middel gebracht wordt is geen vrucht des Geestes. Dat Woord zal gebracht worden tot aan het einde der aarde. Het is als een tweesnijdend scherp zwaard, dat alle onaandoenlijkheid verdrijft en ons hart van schuldbesef doet weenen voor het aangezicht des Heeren.

Zoo is het ook met de blijdschap des geloofs.

Wij moeten niet vergeten dat de mensch een neiging heeft om het goede van zichzelf te denken ; dat hij met zich zelf is ingenomen en spoedig zich verheugt over zijn deugdzaamheid en godsdienstigheid. Als 't den prediker er om te doen is blijde menschen te maken, laat hij dan die neiging maar opwekken en versterken. Wel, laat hij dan maar breed uitmeten des menschen goede eigenschappen, z'n bekwaamheid om 't goede te doen Wat zal hij dan vele dankbare en blijde menschen zien, nog dankbaarder dan de Farizeer in de gelijkenis !

Maar, mijn lezer, daarom gaat het toch niet ? Zulk een blijdschap is ook tot den dood ! Die roemt, roeme in den Heere. Dit is de blijdschap des geloofs. Zij bestaat in de wetenschap dat onze zonden ons vergeven zijn. „Welzalig hij, wiens zonden zijn-vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven." Het is de vrede die door het Evangelie der genade gewerkt wordt. Alle blijdschap die zonder dit middel in ons hart is, moet vergeleken met een stroovuur, dat spoedig verdwijnt. Daarom wilde de Apostel niets anders weten dan Jezus Christus en Dien gekruist, ook al was dat Evangelie den Jood een ergernis en den Griek een dwaasheid.

Zoo is de prediking van het Evangelie der genade het bijzondere middel waardoor God wonderen doet. De droefheid en de blijdschap, de begeerte en de smeeking, de bekommering en de verkwikking, die door het Evangelie worden gewrocht, zijn de gezegende vruchten van den Heiligen Geest. De bruid zegt in het Hooglied : „ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijnen hof opdat zijne specerijen uitvloeien."

Mocht dit ook onze bede zijn !

Wat is nu de inhoud van deze boodschap, die tot aan het einde der aarde zal gebracht worden ? „Zegt der dochter van Zion : zie uw Heil komt ; zie, Zijn loon is met Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht." De prediking des Woords heeft dus „de dochter van Zion" op het oog. Hier hebben wij het Oud-Testamentische woord voor wat wij noemen : de Gemeente des Heeren. Gods verkoren volk. Die Gemeente is verspreid over de gansche aarde. Gedurende alle eeuwen wordt zij vergaderd. Er zullen velen zijn die nog geboren moeten worden en die toch naar Gods gemaakt bestek tot het gebouw des Heeren zijn gerekend.

Maar hoe zal ik dan weten, dat ik daarbij behoor ? Vraagt gij dat met ernst, o mensch ? Dan zal Gods Woord u het licht doen opgaan in de duisternis. Immers dan zegt ons de Heere duidelijk dat als wij in de zonde leven zonder dat er ooit bekommernis en schuldgevoel voor God was, dat zulk een leven geen kenmerk is van de dochter van Zion. En zoo gaat tot alle menschen de eisch der bekeering uit. De prediking des Woords heeft de dochter van Zion op het oog, maar zij kan daarom niet zwijgen van de noodzakelijkheid der wedergeboorte, van schuldgevoel en verootmoediging, van het recht van God op aller gehoorzaamheid en van den honger naar de gerechtigheid.

Nu is het te begrijpen, dat iemand het juist over deze kenmerken zeer moeilijk heeft. Is mijn droefheid wel de rechte ? zoo wordt dan gevraagd. Is mijn gebed wel goed ? De Apostel zegt toch : gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt. Behoor ik mij dat niet aan te trekken ? Is mijn ellende-kennis wel diep genoeg ?

Zie, mijn lezer, hierover kan God alleen u licht geven. Breng dan ook al uwe bekommernissen daar, waar zij een open oor vinden. De Heere let toch op de smeekingen van een verontrust gemoed. Bedenk ook dit, als iemand in nood is, b.v. een drenkeling, vraagt hij niet : is mijn roepen wel, goed? Maar hij roept uit alle macht : red mij, help mij. Weet ook dat gij den Heere nooit kunt tegenvallen. Laat alles dan maar zondig zijn en gebrekkig en schuldig tot u wederkeeren, ook uw tranen en gebeden. Gij zijt niet anders dan een zondaar voor God. Zoo moet gij uzelf ook bij den Heere kwijt raken ! En gij hebt Christus als uw Zaligmaker noodig Dit blijft het hoofdkenmerk van de Gemeente des Heeren, hetzij dat men een eerstbeginnende is op den weg, hetzij men reeds veel uitlatingen van des Heeren gunst in Christus ervaren heeft, n.l. de begeerte om in Christus gevonden te worden.

Het gaat in de prediking des Woords om „de dochter van Zion". Tot haar moet gezegd worden : „Zie, uw Heil komt !" Men vertaalt ook wel : zie, uw Heiland komt, en men wordt daarin ver sterkt door wat volgt : „Zijn loon is met Hem." Er wordt dus aan een persoon gedacht. Hoe dit ook zij, het bevestigt ons in de meening dat het Heil dat aan de dochter van Zion gepredikt wordt, nauw verbonden is met den Heiland. Lees dus maar gerust : uw Heiland komt. Dat doet aan de zaak niets af of toe.

Dit gold den geloovigen uit het Oude Verbond. Daarom werden hunne zonden vergeven, en ontvingen zij vrede met God, omdat Christus zou komen. Wijl de Heiland er z o u zijn, werd nu reeds Zijn Heil hun in den schoot geworpen. Hoe liefhjk waren ook voor hen de voeten dergenen die vrede boodschappen, die het goede doen hooren !

Zeker, ons, die leven in de nieuwe bedeeling, wordt gepredikt dat het heil in Christus gekomen is. Wij zijn in de adventsweken, waarin de boodschap van Bethlehem's kribbe ons reeds van verre tegenklinkt. Wij leven onder de rijke vervulling dezer profetie. Maar daarmede wilt gij toch niet zeggen dat Hij niet meer tot u komen moet ? Mij dunkt, gij zult wel eens, als gij over uw zonde bitter bedroefd zijt, in uw gebed zeggen : Kom, o Heiland, ook tot mij ! Welnu, dan heeft toch deze profetie ook voor u haar blijvende beteekenis.

Indien gij moogt zeggen, dé Heiland is reeds tot mij gekomen en Hij heeft tot mij gezegd : uwe zonden zijn u vergeven, dan hebt gij onuitsprekelijke goedertierenheid van uwen God ervaren. Dat was uw heil ! Volkomen vullend de leegte uwer ziel Maar gij wilt toch nu niet zeggen dat Hij nooit meer tot u komen moet ? Gingen er niet vele tijden voorbij zonder Zijn gemeenschap ? Dan hebt gij te klagen over uw lusteloosheid in de zaak van uwen Koning, over veel koelheid en traagheid, over veel sleurgodsdienst. Gij hebt te klagen over alles dat in u is. Daarom moet ook uit uw hart de bede rijzen : Kom, o Heiland, ook tot mij Welnu, dan is de profetie ook voor u van blijvende beteekenis. Zie uw Heil komt.

Wanneer de Heere Zijn vertroostingen vernieuwt, doet Hij er altijd wat bij. Dan wordt de levensbron rijker. Door de ervaring des geloofs.

Het Heil wordt grooter, naarmate het vele keeren tot ons komt, omdat de Heere Zijn vertroostingen wedergeeft aan hen die tot een vernieuwd en dieper schuldbesef gebracht werden.

Uw Heil komt ! Het komt ook in de ure van den dood. De Heere maakt het sterven tot een weldaad voor hen, die in Hem gelooven. O, wonder van genade ! Niet, dat Gods kind dat altijd zoo beziet. Hij wil vaak wel van den dood hooren, als het maar niet zijn eigen dood geldt. Maar dan leeft de Waarheid ook niet in zijn ziel. De zonde van ons hart moet ons maar eens bitter plagen, en de innerlijke bedorvenheid ons diep bedroeven ! Dan wordt het wel anders. Dat zal dan wat zijn, losgemaakt te worden van de bijblijvende zonde ; nooit meer den Naam des Heeren te ontheiligen met de gedachten des harten ! Dan zullen wij altijd met den Heere zijn, zegt de apostel. En alle pelgrims naar Jeruzalem zeggen het hem wel eens biddend, dankend na. Ja, zegt der dochter van Zion : uw Heil komt.

Dat geldt ook de wederkomst van Jezus Christus. Dan zal Hij Zijn Gemeente doen baden in de heerlijkheid des hemels. Reine menschen zullen zij dan zijn , een heilige schare zullen zij vormen. Met lichaam en ziel zal dan God gediend worden ! Het zijn niet de slechtste tijden, mijn lezer, als er-een heimwee naar den Dag der dagen is, en een reikhalzen naar de Toekomst des Heeren ! Die Toekomst des Heeren is de toekomst uwer eeuwige zaligheid. Dan komt uw Heil altijd. Altijd ! Zooals het water altijd uit de bron stroomt ; zooals het licht altijd uit de zon vloeit. Altijd !

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen. Opdat het altoos Hem zou vreezen. Zün wet betrachten en voortaan Volstandig op Zijn wegen gaan. Men roem' dan d' Oppermaiesteit Om zooveel gunst in eeuwigheid.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's