Verschoppelingen
Feuilleton.
Feiiliieton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
: -: door JAN VELTiWAN : -:
3) Maar 't was daar omhoog zoo leeg ; wel heerlijk en rein, teer en zacht, maar toch leeg, overal leeg. Nergens, nergens in de v/ijde wereld wist liij een hart, dat met liefde 01 ook maar met eenige belangstelling aan hem dacht.
Het meest van allen hield hij nog van Koen en Hilda : want zij gaven hem toch altijd te eten. Hij was een groote slok-op, had Hilda gezegd ; maar dat wist hij wel beter. Hij kende andere jongens van zijn leeftijd, die veel meer aten dan hij. Met opzet zorgde hij er voor, dat Koen en Hilda nooit zouden kunnen zeggen, dat hij veel at. Dikwijls lustte hij wel meer, al was er overvloed en al werd het overschot toch maar aan de varkens gegeven : • niemand zou recht hebben om te zeggen, dat hij te veel at voor de tien stuivers van de armvoogdij en voor het werk dat hij deed.
En voortaan zou hij nog minder eten en nog beter zijn best doen. Want als hij eens bij Koen en Hilda vandaan moest, bij wie zou hij dan wel terecht komen ?
Ze waren toch goede menschen, meende hij. En hij was maar een verschoppeling ! Koen, als hij dronken was en goed geld had verdiend, was soms heel aardig jegens hem. Als hij 's avonds bang was voor de slooten, legde Koen de hand op zijn schouder en steunde op hem en hij geloofde dan, dat de man toch wel van hem hield. Hilda prees hem soms ook als hij heel veel werk had gedaan, 't Waren toch goede menschen !
Toen hij nog bij Sijmen en Duifje was, moest hij ook altijd hard werken, en die kregen een gulden van de armvoogdij, om hem daarvoor den kost te geven. Naar school had hij nooit gegaan, want opdat Sijmen en Duifje toch zooveel mogelijk voor deel van hem zouden hebben, had hij, toen hij nog maar acht jaar was, de schapen al moeten hoeden, en van dat hij tien was, had hij mee den veldarbeid moeten verrichten.
Maar toen hadden eindelijk de armvoogden begrepen, dat er allicht menschen waren, die den jongen wel voor minder zouden willen nemen. Paul was er trotsch op geweest, dat hij de armvoogdij slechts vijftig cents per week kostte bij Koen en Hilda. Dat was promotie ! — 't Waren dus wel beste menschen, en ze gaven hem ook beter eten dan Sijmen en Duifje.
Koen en Hilda waren ook netter en de heele omgeving was hier aangenamer. Trou wens, Sijmen was slechts een gewoon daglooner, en Koen was — veehandelaar. Hij handelde in biggen en varkens en verhandelde soms een oud paard, soms ook een paar schapen ; maar behalve de biggen kocht hij meestal vee met gebreken en verkocht het weer als zonder gebreken. Daardoor verdiende hij wel eens flink geld, èn was dan dikwijls dronken. Hilda dronk ook wel, maar die deed het in huis en niemand wist dat dan Koen en Paul.
De jongen had liever, dat Koen veel dronk dan dat Hilda het deed, want de man was dan altijd aardig en vriendelijk, maar de vrouw was boos en slecht gehumeurd als ze te veel had gedronken. Ze vochten ook wel samen, maar niemand wist dat dan Paul.
Hij had er zeer veel spijt van, dat het met de bessen zoo geloopen was. Hij had die jongens — meende hij — ook niet moeten vertrouwen. Koen had het hem al vaak gezegd :
„Je moet niemand vertrouwen 1" En zóó wijs was de knaap dan ook wel, dat in den handel niemand te vertrouwen was, de beste mensch van de wereld niet, want de beste was Koen, en in den handel was Koen de grootste bedrieger.
„Dat is de kunst van den handel — zei Koen — en de kunst moet betaald. Paul, jongen ! je kunt veel van me leeren, als je wilt, en aanleg hebt 1"
Maar de jongen scheen er den aanleg niet voor te hebben ; hij had er ook geen zin in, om die kunst te leeren. Soms moest hij meehelpen, ja, omdat Teun Dolle dat gezegd had, en omdat zij hem den kost gaven ; maar van harte ging dat niet, en daarom zag hij reikhalzend uit naar den dag, dat de armvoogdij geen cent meer zou behoeven uit te keeren voor zijn onderhoud.
Dan zou hij zelf zijn menschen mogen uitkiezen : nog betere dan Koen en Hilda. O, als hij maar vrij was ! afhankelijk alleen van zijn eigen handen ! Wat zou hij hard werken om 't zoover te brengen.
Dan zou hij ook genoeg kunnen eten, en groot worden, en sterk ! De jongens zouden hem dan niet meer kunnen vasthouden !
En — dan zou hij ook niet meer die verfoeilijke kleeren van de armvoogdij behoeven te dragen. En die gebrandmerkte klompen, waaraan men van verre kon zien, dat de drager te arm was om ze zelf te koopen, die lompe leelijke houtblokken zou hij nooit meer aan zijn voeten voelen ! Misschien zou men dan vergeten, dat hij de verschoppeling was, en hem altijd bij zijn naam noemen, Paul. Vroeger ja, had men hem soms genoemd Paul van Sijmen en Duifje. Daarna werd hij door sommigen geheeten Paul van Koen en Hilda, maar voor allen was hij de verschoppeling gebleven. Paul van , ja, als hij eens vrij was, en zelf mocht kiezen, wie weet, wiens Paul hij dan wel werd. En dan niet meer de verschoppeling ; maar een gewone knaap, in gewone kleeren, en sterk.
Geduld nog maar ! Hard werken ! Altijd zijn best doen ! Wie weet
Lang lag hij dien Zondagavond wakker op zijn bed. Met de oogen toe zag hij alles nog eens gebeuren, wat hem dien middag wedervaren was. Een onmetelijke, eindeloos hooge heerlijkheid, lieflijk en rustig, wonderlijk en geheimzinnig, zich uitstrekkende in onbegrensde wijdte naar alle zijden heen overwelfde de onuitsprekelijk schoone aarde, waar alles hem vriendelijk en vreedzaam toebloeide en toezong ; die aarde. waar 't zoo schoon zou zijn, als er geen menschen waren.
En plots voelde hij weer zijn polsen alsof hij nog vastgehouden werd, en al 't mooie der aarde hulde zich in sombere nevelen. —
Maar dan ineens kwtim uit die versombering te voorschijn' die vriendelijke vreemdeling met zijn innemend gelaat, zijn goede oogen, die hern zoo welgevallig aanzag en hem de hand reikte als 'n jongere broer. O, dien man zou hij nooit, nooit vergeten I Van dichtbij zou hij hem terstond herkennen aan zijn wonder gelaat, waaroverheen de liefde gespreid was gelijk 't gebloemte over de wei. En van verre zou hij hem herkennen aan het roodzijden zakdoektipje, dat er te voorschijn kwam uit den buitenborstzak van zijn jas.
Hoc jammer, dat hij m.aar eventjes di^" i man had gezien en maar zoo weinig woorden van hem had gehoord, dat hij zoo haas tig van hem had moeten scheiden, om de dieven van Koen en Hilda's erf te verdrijven. "
Hoe verlangde hij er naar, dien man nog eens te ontmoeten. Uit duizenden zou hij hem terstond herkennen! (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1922
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's