De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het kindeke, liggende in de kribbe. En als zij het gezien hadden maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit kindeken gezegd was. En allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. Doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart. En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. Lukas 2 vers 16—20.

Opgaan naar Bethlehem.

De komst van Christus in de wereld is den herderen kond gedaan door hemellingen. Op een eenige wijze. Nooit zou het weer zoo verheven, zoo sohoon worden uitgedragen. Wat waren die klanken zuiver, hoe vertolkten ze alleen de eere Gods. Hoe was de inhoud dezer prediking alleen Christus. Dat moet van den hemel zijn.

Mogen we thans ook iets opmerken omtrent de hoorders. Hooren, er geheel door in beslag genomen, ziet hier de toestand waarin de herders verkeeren. Zij zijn zóó overtuigd van de waarheid van wat ze gehoord hebben, dat ze, alleen gelaten, onmiddellijk tot handelen overgaan. Als de laatste echo van het „Eere zij God in den hooge" is weggestorven, als de lichtglanzen des hemels weer plaats hebben gemaakt voor de donkerte van den nacht, is het maar één woord, dat zich voortplant van mond tot mond „laat ons dan henengaan en zien het woord dat er geschied is, hetwek de Heere ons heeft kond gedaan."

Henengaan, zien het woord dat ons is kond gedaan.

Zoo moet de prediking vallen in het hart van Gods kinderen. Dan zwijgt de twijfelzucht, dan wordt elke gedachte „zou het wel waar zijn? " in kiem gedood. Het woord des Heeren is waar. De Heere zelf heeft het gesproken. Of dat nu een engel is uit den hemel of een dienstknecht van de aarde, maakt geen verschil, immers de lastbrief zelf verandert daardoor niet, wie hem overbrengt en ter hand stelt, dit alleen is beslissend hoe het hart wordt aangedaan, hoe daarin het geloof nederzinkt, hoe het een instrument wordt, waarop de Geest des Heeren tokkelt.

De herders gaan met haast. Hier leeft maar één gedachte „ik moet het woord zien."

Zoo bij het hooren dezer dingen kan het u misschien ontglippen wa|t voor moeilijkbeden hier anders te overwinnen waren.

Vooreerst waren het trouwe herders, immers zij hielden de nachtwacht bij de kudde. Denkt het u in, dat zij opeens zich geroepen zien tot de keuze: henengaan, maar dan de kudde, schijnbaar onbeheerd en onverzorgd achterlaten, of blijven maar dan geen vrede van binnen, omdat zij weten hoe het bevel luidt.

Lezer, het is altijd een kwade zaak wanneer de hemel wenkt, bedenkingen te opperen, uitstel te vragen.

Hier is de weg zoo duidelijk geteekend: „zij kwamen met haast".

Zij lieten, waar de Heere riep, hun arbeid, hun kudde, alles wat op hun weg zich voordeed, onder des Heeren hoede. En gelooft nu maar niet, dat er één lammeken aan ontbroken zal hebben, of dat er één schaap werd gemist.

Daar kunnen oogenblikken zijn in het leven, waarin uitstel zonde is, die niet dan bitterheid oplevert.

In den weg der gehoorzaamheid is het altijd veilig wandelen, dat ondervonden zij ook. Zij gingen met haast. Wanneer zij aan het overleggen waren gegaan, weet ge hoe het dan geloopen zou hebben: 't is nu nog nacht, natuurlijk kunnen wij nu nog niet gaan, 't zou zelfs onverantwoordelijk zijn. Daarom tot den morgen getoefd. Maar zouden zich dan geen nieuwe moeilijkheden hebben voorgedaan•

Neen, lezer, niet overleggen, niet bedenkingen zoeken ; geen uitstel ; gaan met haast.

De weg der gehoorzaamheid wordt door God gezegend, terwijl eigenwilligheid niets anders baart dan ellende. De uitdrukking hebt ge ook wel eens gehoord : de weg naar de plaats van eeuwige aanklacht is met goede voornemens geplaveid.

Haasten, in dit teeken staat de weg van een, die den Heere vindt. Immers, wat leest ge: en zij vonden Maria en Jozef en het Kindeke liggende in de kribbe.

Wat zal daar zijn omgegaan in die zielen ? Dat is nu Christus de Heere. Immers het teeken is aangegeven : gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden, nederliggende in de kribbe.

Net zooals het Woord hun was kond gedaan, zoo vonden zij het. Het Woord des Heeren wordt bevestigd tot in de kleinste bijzonderheid. Waarnaar hun harte had gehunkerd en waarvoor tallooze gebeden waren opgerezen, hadden zij nu mogen zien. De belofte, hun door de profeten en in al de plechtigheden van hunnen dienst voorgehouden, hebben zij nu ingewisseld, mogen aanschouwen.

Daar ligt Hij nu, de beloofde Messias, de Borg en Middelaar van een arm, doch in Hem zulk een rijk volk.

De oude kerkelijke kunst schildert 't Kindeke voortdurend met een stralenkrans omgeven. In geestelijken zin is deze aanwezig. Wanneer ge Hem zien moogt, zooals de Schrift Hem beschrijft, ja, dan gaat er zelfs een schitterglans uit van de windselen der armoede. Het is alsof zij het u toeroepen : „want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede rijk zoudt worden."

Is het geen noodiging op zichzelf, zooals Hij daar nederligt in de kribbe, voor ieder, die arm werd voor den Heere ? Wie het grootsche en rijke mint wordt in dit Kindeke teleurgesteld, maar wie het zien mag in het licht van Gods heilig getuigenis, voor dien wordt Hij aanbiddenswaardig. Deze knielt voor Hem neder met de belijdenis : met mijne armoede liet Gij U omhangen, met de teekenen mijner schande werdt Gij omhuld, opdat ik met het kleed Uws heils zou begiftigd worden.

De Heilige Schrift liet geen enkele toeschouwer inblikken, maakte niemand deelgenoot van het teeder ontmoeten dat voor de eerste maal plaats greep tusschen Hem en Zijne schepselen op aarde. De Heilige Geest spreidt er als 't ware een sluier over uit. Laat ze alleen, zegt de Heere. 

Eéne vraag : zouden er van de Engelen, die zooeven met hun hallels de velden van Efratha deden weertrillen, niet van uit de onzienlijke wereld dit liefelijk tooneel hebben aanschouwd? — Gewis. ;

Het was een komen; met haast, een vinden met groote overgegevenheid.

Weet ge wat ge nu leest : als zij het gezien hadden, als ze daar in het schijnsel van het lichtende Woord het Kindeke hebben aansschouwd en God verheerlijkt, dan beginnen zij de prediking uit te dragen.

Toen maakten zij alomme bekend het Woord, dat hun van dit Kindeke gezegd was. Zij dragen het Kindeke niet uit zooals Rome het nog altijd wil laten zien. Vandaar de beeldendienst. Zij brengt liefst een kribbe met een afbeeldsel in haar kerkgebouw.

Neen, aldus der herderen sprake : wij maken het Woord bekend, dat ons van het Kindeke gezegd is. Kinderlijkeenvoudig in alles. Wat zij hebben beluisterd van den hemel is bevestigd geworden door het persoonlijk te gaan zien en nu dragen zij het in het woord der prediking wederom uit.

En wel alomme. Hieraan kunt gij het weten, wie uw Leermeester is geweest, Wien gij ontmoet hebt op uwe paden, n.l. aan den gang uwer prediking.

Als ge er zoo van zwijgen kunt ; als ge het zoo telkens kunt hooren : hier zal ik maar zwijgen ; hier geeft het geen pas ; hier zou men er maar aanstoot aan nemen, zou dan de vraag niet vlak voor de hand liggen : hebt ge den boodschapper des hemels wel ontmoet ? Is uw gang wel geweest naar de kribbe ? Hebt ge wel geluisterd met een heilbegeerig oor ? Hebt ge den Heere wel gezien en aangebeden ? Immers dan is de prediking alomme.

Zoo wordt de Christusprediking geboren ; zoo worden de rechte predikers gevormd.

Let nu op de uitwerking. We kunnen er lichtelijk een toetssteen in ontdekken voor onszelven. Hier staan een drietal woorden, die ieder voor zich op een eigen toestand betrekking hebben.

Vooreerst staat er: en allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd was.

De prediking der herders wekt verbazing. En dit laat zich verstaan. Vooreerst: de wijze van hun spreken. Daarin trilde nog door de blijde ontmoeting, de hemelsche ontroering. Daarin is nog iets te zien van den glans uit Efratha's velden. Als zij daaruit een woord vertellen, het wondervolle van wat zij hoorden, het wondervolle van wat zij gezien hebben, neen, dan wekt dit verbazing en bewondering.

Maar, lezer, deze verwondering en verbazing is niet van blijvenden aard.

Zullen we hier niet een oogenblik toeven ?

Daar is in het Kerst-Evangelie ongetwijfeld iets boeiends. De kring is betrekkelijk groot, waarin men zich hier nog te luisteren zet. Daar is een zekere verwondermg. Er gaat macht van den geboren Koning uit. Maar nu is dit het verschil, wanneer het wondervolle aan Hem de oorzaak van het bewonderen is, dan gaan de golven spoedig weer liggen, dan blijkt het niet meer te zijn dan een tijdelijke roering. Als het Kindeke Zelf, de Christus, in Zijn armoede, in Zijn ontlediging, de oorzaak is, ja, dan dan eerst wordt er gezongen :

Hier weidt mijn ziel met een verwond'rend oog.

Deze verwondering blijft, neemt zelfs toe, is in oorsprong hemelsch en zal daarom in den hemel pas tot ontplooiing komen.

Al dat andere loopt terug en omdat zij van de aarde stamt, zal zij in de aarde beëindiging vinden.

Schrikkelijk : verwondering zonder aanschouwen, zonder aanbidding eindigt in laster, in hoon.

Thans legt een andere gedachte beslag op ons.

Wat van Maria getuigd wordt is van eene andere makelij ; daarom leest ge ook van een „doch."

Doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart.

Wat Maria daar beluisterde omtrent liet Kindeke, was haar zoó groot en zoó heerlijk en zoó wondervol, dat zij het niet kon uitspreken. Het was haar te wonderlijk. En nu is dit de uiting, zij wordt stille, heelemaal stille. Geen enkel woord komt er over haar lippen. Hoogstens een traan, die vertolkt, wat daarbinnen zich heeft opgehoopt.

Lezers, dit is ook eene uiting van blijdschap : stille worden, de woorden bewaren, ze overleggen in het hart. Wat haar verteld wordt omtrent haar Kindeke, haar Zaligmaker, maakt haar stil. Zij kan niet anders dan in meer dan moederlijke bewondering staren op Hem Zij ziet maar, zij hoort maar, zij overlegt maar, en alles stemt haar steeds blijder.

Déze stil-daar-nederzittende Maria's, die de woorden van de lippen der herders afeten, die als in heel haar houding dit weergeven : al zoudt ge nu ook doorprediken een heelen dag, nooit zoudt ge 't hier beluisteren : 't wordt mij te veel.

Zouden deze Maria's er nog niet gevonden worden ?

We vermeenen van ja. Daar zijn er betrekkelijk veel zoo onder Christus' discipelen. Zij zouden, al wilden zij nog zoo gaarne, niet kunnen spreken. Hun innerlijk zieleleven is zóó, dat zij niet anders doen dan luisteren en bewaren.

Weet ge wat met dezen moet worden gedaan : zij moeten telkens getroost worden. Zij zijn zoo vaak verontrust; Och, Heere, zoo fluistert het daarbinnen, ik kan nooit iets vertellen ; al is rnijn hart nóg zoo vol, dan blijven de woorden nog steken.

Als ik alleen ben, alleen met den Heere, dan zijn dit mijne overleggingen : dit zal mijn getuigenis zijn en komt de gelegenheid, zoo is het al wederom : zwijgen.

Stille Maria's, blijft gij maar aan het overleggen, bewaart maar wat u verteld wordt van den Heere. Als God-dienen allèèn bestond in spreken, ja, dan zoudt ge u terecht moeten verontrusten, maar staat daar niet geschreven : het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht ? Als de kracht des Allerhoogsten over u is gegaan, als Christus, de Heere, geestelijk in u geboren werd, wees gij dan maar stil.

Immers in den hof Gods staat verschillend geboomte. Naast de stillen in den lande heeft de Heere ook nog getuigen, die niet zwijgen kunnen van hetgeen zij gezien en gehoord hebben.

Sprekende herders en stille Maria's behooren beiden tot den kring der jongeren.

Bij welken behoort gij nu, lezer ? Moet ge nog worden gerekend bij die bewonderaars, die slechts voor een oogenblik onder den indruk van de Christus-prediking kwamen ?

Weet, wat dan het einde zijn zal. Alleen de stille Maria's en de lofzingende predikers zullen in ééne plaats worden tezaamgebracht.

Nog een weinig, en het hemelsch Bethlehem opent de poort. Daar staan de Maria's en zullen juichen ; hier staan de luid-zingende herders en zullen een wijle stil worden, om daarna eeuwiglijk tezamen den Naam van God Drieëenig te loven.

Heerlijk, die zoo opgaat naar Bethlehem !

Geve de Heere ons zulk een opgang !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's