De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Menigvuidige verlossing.

Bij den Heere is veel verlossing ; meer dan één verlossing ; verlossing voor den tijd en voor de eeuwigheid.

Dat ervaart de ziel, die door de wondere werking des Heiligen Geestes als een arm zondaar gansoh verloren: voor God komt te liggen. Neen, als de consciëntie onrustig wordt en de mensch kruipt nog weer onder de onrust uit, om zich te begeven in allerlei weg van verstrooiing, dan ervaart de mensch niet, dat bij den Heere veel verlossing is. Dan komt hij met de verlossing Gods niet in aanraking en vér van God wegvluchtend, zal hij ervaren dat het einde is eeuwige verlorenheid. Buiten God is geen verlossing, nergens en bij niemand !

Maar als de mensch het geheel mag leeren verliezen, dan dreigt de dood van alle kanten. Hij weet, dat er maar één schrede is tusschen hem en tusschen het graf. En juist dan vreest hij den dood, wetende, dat het vreeselijk zal zijn om te vallen, als een onbekeerd zondaar, in de handen van den levenden God. Dan valt hij voor den Rechter van hemel en aarde neer, om Hem om genade te smeeken (Job 9 vers 15). Want dit is het wondere, dat een ziel, die door Gods Geest is aangeraakt — als het Gods werk is — voor den Heere vreest, maar Hem toch leert te voet vallen. Die ziele weet alles verbeurd te hebben, maar leert toch vragen : „is er ook balsem in Gilead, is er ook een heelmeester daar ? " (Jer. 8 vers 22). Dat komt, omdat de Heere op Zichzelf aanwerkt en het Hem er om te doen is, zondaren te behouden bij het leven. Dat komt Hij dan ook toonen. Want Hij doet niet sterven in den weg der ontdekking, hoewel de dood nabij schijnt. En bij het leven sparend, wil hij aan den geestelijken dood ontdekken, opdat de ziele zal leeren nazeggen, dat zij dood in zonden en misdaden is ; onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.

Moet zóó de ziele onder gaan onder Gods recht en onder Gods toorn, daar toont de Heere in Christus dat er verlossing is. En Hij, bij Wien uitkomsten zijn ook tegen den dood, zegt tot de ziele: „ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten." (Ef. 5 vers 14).

Daartoe wil Hij Zelf den weg der middelen aanprijzen, opdat de ziele uit den geestelijken dood zal overgaan in het leven. „Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levend gemaakt met Christus." (Ef. 2 vers 5). Zoo verlost de Heere de Zijnen van den tijdelijken dood ; zoo zet Hij hen over uit den geestelijken dood in het nieuwe leven en daar wil de Heere het niet bij laten. Want Hij wil Zijn kinderen niet verderven door den dood en hen niet ongetroost doen nederdalen in het graf ; Hij wil hen maken tot kinderen des lichts, die ook den eeuwigen dood in de hel niet hebben te vreezen. Of heeft de profeet al niet reeds getuigd van den Heere, bij Wien veel verlossing is, zeggende : „Doch Ik zal ze van het geweld der hel verlossen. Ik zal ze vrijmaken van den dood ; o dood, waar zijn uwe pestilentiën ? Hel, waar is uw verderf ? (Hos. 13 vers 14). Wat Paulus aldus vertolkt : „Dood, waar is uw prikkel ? Hel, waar is uwe overwinning ? De prikkel nu des doods is de zonde ende kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus." (1 Cor. 15 vers 55 en 56).

Dat is de heerlijke verlossing, die in Christus Jezus is, voor een arm zondaarsvolk, waaraan we weer bizonder gedenken op het Kerstfeest en bij de wisseling des jaars. Wat is alles vergankelijk ; wat is alles donker ; wat is alles troosteloos. Maar voor degenen, die zichzelf als een arm zondaar voor God hebben mogen leeren kennen, is er in Christus Jezus menigvuldige verlossing ; verlossing van alle ellende, voor den tijd en voor de eeuwigheid.

En als het weer donker is spreekt de ziele zichzelf aan en vraagt: „wat buigt gij u zoo neder, o, mijne ziele ? waarom zijt gij zoo onrustig in mij ? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven ; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God." (Psalm 42).

Dat is de verlossing van Sion. „Mijn God", belijdt de ziel.

„God met ons ; Immanuël", belijdt de Gemeente van Christus.

Dat is haar roem, haar sterkte, haar hoop, nu en tot in eeuwigheid.

Daarin is menigvuldige verlossing !

Wat is de plaats van de diakenen in den Kerkeraad ?
Wij spreken van drie ambten in de Kerk en wel van het ambt van dienaar des Goddelijken Woords, dat zijn de predikanten ; waarbij dan komt het ambt van ouderling of opziener der gemeente en het ambt van diaken. Deze opzieners en diakenen vormen met de herders èn leeraars saam den raad der Kerk. Dat zijn dus de mannen die in de Kerk ex officio, krachtens hun ambt, iets te doen hebben of iets te regelen hebben. Dat moeten niet andere menschen doen, maar dat moeten deze drie soorten van Kerkedienaren doen ; die moeten als de raad der Kerk optreden.

Natuurlijk moet dan nader nog geregeld worden, hoe de verhoudingen van deze drie ambten zijn en hoe onderling het werk moet geregeld.

Hiervoor bestaan vanouds allerlei bepalingen. Want eerst zijn te Emden (1571), in de eerste redactie van de Kerkorde, in artikel 6 de lijnen getrokken en nader is dat geregeld te Dordt (1574) in artikel 4, enz.

In dat 4de artikel van de Dordtsche Kerkorde van 1574 lezen we: „Tot verklaringhe des 6 artikels des Embdtschen Sijnodi, soo sullen de Dienaers des Woordts, Ouderlinghen ende Diakenen de Consistorie maecken. Alsoo, dat de Dienaren ende Ouderlinghen alleen onder hen versamelen sullen, oock de Diaconen bijsonder, om hare eyghen saecken die d' armen aengaen te verhandelen. Doch in plaetsen daer weinich Ouderlinghen syn sullen de Diakenen toeghelaten, mueghen worden na de begheerte der Consistorie. Ende de Diaconen sullen ghehouden worden te verschijnen, wanneer se in de Consistorie beroepen worden."

En het begin van artikel 5 luidt : „De Dienaer ende Ouderlinghen sullen wel voor hen sien, dat se niet en handelen in den Consistoriën, Classen ende Synoden, dan 't ghene dat Kerkelick is."

Volgens alle die bepalingen is de zaak eenvoudig, dat „de Kerkeraad", die de kerkelijke zaken behandelt, bestaat uit „predikanten en ouderlingen", die met elkaar hebben te vergaderen („versamelen" in artikel 4 zie boven). Waarbij in kleine Gemeenten de diakenen als 't ware hulpdiensten doen als ouderlingen en wederkeerig de predikant en de ouderlingen hulpdiensten als diakenen ; zoodat in die kleine Gemeenten (en dat is geen gering aantal) de Kerkeraad altijd uit die drie bestaat.

In de grootere Gemeenten zijn het dus de predikanten en de ouderlingen, die met elkaar hebben te vergaderen ter behandeling van kerkelijke zaken ; waarbij de diakenen voor sommige zaken (die den dienst der barmhartigheid raken en ook, naar de usantie, zaken van beroeping en benoeming van Kerkcedienaren, enz.) bij den Kerkeraad komen.

De „gewone" Kerkeraad in de grootere steden bestaat alzoo uit de predikanten en de ouderlingen en de „groote" of „breede" Kerkeraad bestaat uit predikanten, ouderlingen en diakenen, ter behandeling van bepaalde, daartoe aangewezen zaken.

In het diakonale ambt, in den dienst der barmhartigheid, ligt geenerlei roeping tot bestuur of regeering der Kerk. Maar door onderlinge regeling werden de diakenen bij sommige zaken bijgeroepen, waarbij wel het hoofdmotief was : de heerschappij van zeer weinigen zooveel mogelijk te keeren.

Het is dus wel goed —-vooral in grootere Gemeenten, maar ook in de kleine — dat de ambten goed onderscheiden worden, naar de lijnen door het Woord aangegeven. En vooral de diakenen in onze steden moeten niet denken, als hun ambt en hun werk zóó wordt bepaald en omschreven, als boven, dat aan hun „macht" en hun „invloed" in den Kerkeraad op onbehoorlijlce wijze wordt tekort gedaan. Want het gaat er niet om iemand „tekort te doen", maar het moet er om gaan de dingen naar behooren te onderscheiden, daar anders verwarring komt, wat altijd verkeerd en schadelijk werkt.

Het is dus geheel naar Gereformeerd Kerkrecht, als artikel 37 der Dordtsche Kerkorde zegt: „In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten in den regel alle weken ééns te samen komen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal."

Waarbij dan in artikel 38 nader gezegd wordt : „En waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kimnen genomen worden ; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald."

Daar zijn de lijnen dus duidelijk zichtbaar, voor ieder die lezen kan : eigenlijk bestaat de Kerkeraad uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen ; dat is de gewone Kerkeraad ; maar als het getal der Ouderlingen te klein is, zullen, opdat, „de heerschappij van zeer weinigen zooveel mogelijk gekeerd zal worden", de diakenen mee tot den Kerkeraad gerekend worden, waarin zij dan zitting hebben als een soort hulpouderlingen. Dan hebben ze natuurlijk een geheel dezelfde bevoegdheid als de Ouderlingen; ook een beslissende stem in tuchtzaken geliik de ouderlingen dan als een soort hulp-diakenen ook meepraten en mee beslissen in diakonale zaken. Evenwel zal ook dan nog steeds in 't oog moeten worden gehouden, dat een Diaken bij tüchtzaken en bij de eigenlijke regeering der Kerk maar hulpdienst doet, gelijk de Ouderlingen zullen moeten bedenken, dat zij, bij diakonale aangelegenheden, maar hulpdiakenen zijn. Een censuur door de stem van de diakenen, tegen het advies van de ouderlingen in, of een diakonale aangelegenheid door de stem van de ouderlingen, tegen het advies van de diakenen in, door te drijven, zou al heel verkeerd zijn. Want de hulpouderlingen zouden dan de plaats van de eigenlijke ouderlingen en de hulpdiakenen de plaats van de eigenlijke diakenen gaan innemen en dat zou niet verstandig en niet recht zijn.

De diakenen zullen zich dus 't liefst moeten houden bij hun eigen werk : 't werk der barmhartigheid, in de verzorging der armen, te oefenen, terwijl de regeering der kerk behoort aan de diéna ren des Woords en de Ouderlingen.

Vraagt men dan, waar in de grootere Gemeenten de eigenlijke grens ligt tusschen den gewonen en den algemeenen of breeden Kerkeraad, dan zouden we zeggen: het beroepingswerk, het benoemen van Kerkeraadsleden, de diaconiescholen, het bespreken van de financiën der Kerk in 't algemeen, behoort bij den algemeenen Kerkeraad (we denken nu aan het Gereformeerd kerkelijk leven, wat ons tot model dient en als ideaal voor oogen moet staan) en alles wat behoort tot de eigenlijke regeering der Kerk, komt aan den gewonen (kleinen of bijzonderen) Kerkeraad toe.

Het is wel aardig hier even-op te nemen hoe liet in de Gereformeerde Kerk van Amsterdam — naar prof. Rutgers in zijn Kerkelijke Adviezen meedeelt — geregeld is. Daar heeft men het volgende bepaald :

„Op de eerste gewone Kerkeraadsvergadering van elke maand en voorts zoo dikwijls zij geroepen worden (doch dan alleen ter behandeling van een bepaald aangewezen zaak) komen ook de Diakenen ter vergadering, om mede te beraadslagen en te besluiten over de zaken, die betrekking hebben op het aantal en de beroeping van Dienaren des Woords. ouderlingen en diakenen ; op het houden van collecten ; op de instructie voor en de benoeming van de leden der commissie van beheer ; , op het onderwijs van minvermogenden ; en op de armenverzorging."

Natuurlijk is de eisch van elke maand zoo'n vergadering van den „aangevulden gewonen Kerkeraad" te houden, willekeurig ; men zou het ook ééns in de twee maanden of eens in de drie maanden kunnen doen. Maar dat is bijzaak ; als men maar voelt, dat er onderscheiden karakter en onderscheiden werkkring is tusschen den gewonen en den algemeenen Kerkeraad, waarbij niet uit 't oog verloren mag worden, dat in den dienst der barmhartigheid en dus in het diakenambt als zoodanig geenerlei roeping tot bestuur of regeering der Kerk ligt.

Vandaar dat diakenen ook niet op de Classicale Vergaderingen enz. verschijnen.

Wat wij bedoelen.

Men vraagt ons wel eens : Wat is het onderscheid tusschen den Gereformeerden Bond en de Confessioneele Vereeniging. En dan hebben we reeds herhaalde malen daar iets van gezegd.

Laat er ons nu weer iets van zeggen. De Confessionëelen maken den indruk, dat, als we maar geduld hebben, straks héél het volk in de Ned. Hervormde Kerk zal vergaderd zijn en er in het midden van de Nederlandsche natie maar één Kerk zal wezen en wel de Ned. Hervormde Kerk.

Heel het volk voor de Kerk behouden. Heel de Ned. Hervormde Kerk gered. Wij hebben iets anders voor oogen. Wij verlangen er naar, dat we een Gereformeerde Kerk in dezen lande zullen krijgen, die zich van hare belijdenis bewust, die belijdenis zal voorstaan en bewaren.

Gaat de Kerk dat doen, dan houdt zij op Volkskerk te zijn, in dien zin, dat héél het volk in haar midden zal gehouden worden. Want als we een Kerk krijgen, die zich haar Gereformeerde belijdenis bewust, ook naar die belijdenis zal spreken en handelen, zullen velen zich van die Kerk afkeeren. Men zal weigeren in die Kerk te laten doopen, in die Kerk belijdenis af te leggen, enz., enz.

Als de Kerk, de Hervormde (Geref.) Kerk echt een Gereformeerde Kerk wordt, is het met „een huis voor allemaal" gedaan.

Natuurlijk. Maar als we een bewuste Kerk krijgen, een echte Gereformeerde Kerk, dan zal haar invloed op het volk beginnen sterker te worden.

Dan is ze wat. Dan is ze Kerk. En dan mogen we verwachten, dat zij, haar roeping getrouw, daar staan zal als een pilaar en vastigheid der Waarheid en een getrouwe getuige van Jezus Christus. 

Daar dachfe we weer aan, toen we in Noord-Holl. Kerkblad lazen, dat een Duitsch professor, schrijvend over de nieuwe toestanden op kerkelijk terrein bij onze Oostelijke naburen, zich aldus heeft uitgedrukt : „We zullen waarschijnlijk in de toekomst, wat het getal betreft, veel kleinere Kerken zijn dan vroeger. Maar nu pas, beginnen we weer Volkskerk te worden, dat wil zeggen : een Kerk te zijn, die in het volk, in het bewustzijn van de leden van het volk wortelt. Nu pas — het is als een wonderspreuk, dat dit juist in hetzelfde oogenblik voorvalt, waarin we ophouden de Kerk te zijn, die het volksgeheel omvat." 

Zoo schrijft prof. G. Kittel, hoogleeraar te Greifswald. En als we dan bedenken, dat dit een orthodox Luthersoh man is, die altijd geleefd heeft bij de idee „landskerk", met den vorst als oppersten bisschop en waartoe ongeveer al de Protestanten in z'n gebied, behooren, — dan is het getuigenis van zoo'n professor toch wel zéér merkwaardig.

Heerlijke rechten afgeschaft!

't Is zoo stil gepasseerd. Zelfs menschen die er grootelijks belang bij hebben merkten het niet op. Zoo gaat het nu in de wereld !  Wat we bedoelen?

Dit, dat bij de laatste Grondwetsherziening afgeschaft zijn „de heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare of kerkelijke betrekkingen."

Dat beteekent dus, dat alle collatierechten, enz., zijn verdwenen. Dat men dus overal nu vrij beroepen kan en men niet meer te maken heeft met den ambachtsheer, enz. 

Wat een heerlijkheid, dat die „heerlijke rechten" eindelijk — we zijn in de 20ste eeuw ! ! — zijn afgeschaft. Want zoo'n ambachtsheer, collator, enz., kon het een kerkeraad en een gemeente aardig lastig maken. Wat kon men plagen, wat kon men het beroepingswerk ophouden ; en wat zotte verhoudingen waren het, als men bij een Roomsche of bij een Jood te land moest komen, om uit een tweetal te laten kiezen of om een beroep te laten goedkeuren !

Dat is nu voorbij. Gèèn enkele gemeente heeft meer met die „heerlijke rechten" te rekenen.

Ook een belijdenis!

'Ie Kampen is ds. J. J. H. Bange, als predikant bij de Evang. Luthersche Gemeente bevestigd. Deze ds. Bange is gedurende 37 jaar (sinds November 1885) Hervormd predikant geweest ('t laatst te Nes, op Ameland, Classis Dokkum) en nu, 61 jaar oud zijnde, overgegaan tot de Evangelisch Luthersche Kerk. Dat iS wel wat vreemd, dat een Hervormd dominé naar de Lutersche Kerk overgaat, om daar predikant te worden. De Luthersche Kerk heeft toch zeker nog iets dat deze Kerk typeert en dat door een Hervormd mensch zoo maar niet kan worden overgenomen ? Doch dat is  m juist 't eigenaardige bij het geval ds. Bange. Die acht alle verschillen als niets. Hij zei dan ook bii zijn intrede te Kampen, dat er aan zijn overgaan tot de Luthersche Kerk (waartoe hij trouwens van huisuit had behoord) geen bizondere beteekenis was te hechten. „Immers zijn voor den vrijzinnigen vrome, die niet hecht aan dogma's en kwellende leerstellingen, de scheidingsmuren weggevallen en geldt slechts de vraag wat vereent, niet wat scheidt." „Mijn geloofsbelijdenis, , — alzoo vervolgde ds. Bange — „Iaat zich feitelijk in vijf woorden-samenvatten "God dienen en vroolijk zijn."

Onze Hervormde Kerk is weer een dominé armer geworden. De Evangelisch Luthersche Kerk is weer een dominé rijker geworden. Luther is in eere hersteld. De Luthersche Kerk staat opnieuw opgebouwd te worden naar den aard en den geest van haar belijdenis. Och, arme Als de leidslieden zóó zijn, hoe zal dan het volk wezen ; als de dominé's zóó oordeelen, hoe zal dan de gemeente zijn ?

De Schrift bevestigd.

Neen, de Bijbel is tenslotte niet afhankelijk van de afbrekende critiek der menschen, óok niet van de bewijzen van echtlieid, die men aanbrengt. De Bijbel heeft vastigheid in zichzelf. Het is Gods Woord, bekleed met Autoriteit. En de Heilige Schrift die het nu eeuwen uitgehouden heeft, zal het ook langer nog uithouden. Gods Woord bestaat in eeuwigheid.

Toch is het wel de moeite waard op te merken, hoe telkens in den laatsten tijd als waarheid bevestigd wordt wat de Schrift ons leert. Opgravingen van verschillenden aard bewijzen, dat wat in den Bijbel staat, historisch juist is, in weerwil van het feit, idat tal van geleerden al lange hadden uitgemaakt, dat het reine fantasie was. Heerlijk schittert dan uit dewaarheid van Gods Woord. Zoo komen ook telkens nieuwe ontdekkingen, om de oude Waarheid getuigenis te geven. Dr. M. van Rhijn — waarlijk niet een van de „zwaarste" broederen — wijst daarop in Berg-opwaarts, het lijfblad der Ethischen. Hij schrijft daar 'n stukje over : „Lukas 2 en het nieuwere onderzoek" en zegt dan o.a. dat er tegen het begin van Lukas 2 vroeger vrij geregeld drie bezwaren werden ingebracht. In de eerste plaats zei men, dat er destijds geen volkstellingen geweest waren. In de tweede plaats beweerde men, dat het geen zin had, dat Jozef en Maria naar Bethlehem reisden, omdat zij toch even goed te Nazareth konden worden ingeschreven. Wat moesten zij heelemaal in Bethlehem? En in de derde plaats zei men, dat er destijds geen Cyrenius stadhouder' over Syrië was geweest. Maar op het oogenblik staan de zaken hier heel anders ! '' 

De historische critiek — zoo zegt dr. Van Rhijn — heeft ons hier heel wat verder gebracht.

In de eerste plaats is namelijk geble­ken, dat er hoogstwaarschijnlijk om de 14 jaren een dergelijke inschrijving plaats had. Men heeft zelfs tal van fornuilieren, zooals men die bij zulke tellingen gebruikte, gevonden. En het blijkt, dat op die formulieren èn aangaande den man èn aangaande de vrouw allerlei mededeelingen werden gedaan ; ook wat betreft het huis en het bezit.

„Doordat wij zulke formulieren gevonden hebben" — aldus dr. v. Rhijn — „weten wij nu ook, hoe hét formulier, dat Jozef in Bethlehem invulde, er min of meer heeft uitgezien.

Ook het andere bezwaar, n.l. dat Jozef en Maria bij een census niet naar Bethlehem behoefden te gaan, is onjuist gebleken. Men heeft o.a. een edict van den prefect van Egypte, Gajus Vibius Maximus, uit 104 na Christus gevonden, waarin bevolen wordt, dat alle menschen binnen zes weken naar hun eigen land moesten gaan om klaar te zijn voor de telling. Met andere woorden, men ging naar de plaats waar men vandaan kwam. Het is dus volkomert begrijpelijk, dat Jozef en Maria naar Bethlehem gingen, want zij waren uit het geslacht van David. 

Ten slotte is ook gebleken, dat Cyrenius destijds wèl procurator was over Syrië. In Pisidisch Antiochië heeft men een steen gevonden met een opschrift, waaruit blijkt, dat Cyrenius destijds wèl procurator was.

Uit dit alles zien wij dus, dat Lukas voortreffelijk op de hoogte was."

Verder maakt dr. Van Rhijn deze opmerking ;

„Merkwaardig is ook, dat wij nu wellicht precieser kunnen zeggen, wanneer Jezus geboren is. In Egypte had men hoogstwaarschijnlijk om de veertien jaren een dergelijke telling. Als wij nu bedenken, dat Palestina ook Romeinsch gebied was, dan is er alle reden aan te nemen, dat het daar precies zoo is geweest. Welnu, men heeft censuspapieren gevonden van 34 na Christus, misschien — dit staat niet geheel vast — van 20 na Christus, in ieder geval van 6 na Christus.

Het is algemeen bekend, dat onze jaartelling niet geheel in orde is en dat Jezus vóór het begin onzer jaartelling geboren is. Trekken wij dus van 6 na Christus 14 jaren af, dan krijgen wij als geboortejaar van Jezus : 8 vóór Chr.

Als Jezus nu ongeveer dertig na Chr. gestorven is, dan is Jezus ongeveer 38 of 40 jaar geworden en is het begrijpelijk, dat de tegenstanders in Johannes 8 vers 57 zeggen : Gij hebt nog geen vijftig jaren.".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's