De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

: -: door JAN VELTMAN : -:

•Hoofdstuk II.

Weer Zondag ! — Heel de natuur vierde allen dag plechtig feest; doch nu het geroep en gerucht der menschen geen overweldigenden wanklank mengde onder den feestelljken jubelzang; — nu hun zwoegen en jagen, hun drift en weerstand geen verstoring bracht in de rustige, bekoorlijke lijnen van wei en hei, van koornveld en geboomte, nu kreeg de wandelaar den indruk, alsof ook de natuur den heiligen dag vierde, alsof ze ook zich met haar beste en reinste kleed had getooid, haar Sabbatsliederen zong en haar hart tastte naar eeuwige dingen.

De leeuweriken stegen zoo onzichtbaar hoog en hun lied klonk zoo ademfijn van verre, alsof ze ze zich gekoord hadden op een galerij in 't wazig hemelblauw.

Weggedoken in de schaduwen van sprieten en halmen zongen de graskrekels hun wondere lied uit de diepte, 't Was of gansch de lucht en heel het veld een plechtig rustigen Sabbatspsalm ademde. De ijle zomerwolkjes zelf schenen te zingen, met een stem even teer als hun wezen. En zóó ook zongen de grassprietjes en de madeliefjes, de korenaren en de klaprozen. En over 't boonenveld langs het pad was 't al even gelijk, v/ant de duizendmaal duizenden bijen en hommels geleken zóó precies op boonenbloesems, dat het was, of de bloesems .zelf in koor een verheven lofzang gonsden of met den verrukkelijk heerlijken geur tevens een hoorbare dankzegging uitademden.

En weer kwam een man met een kerkboek door 't kreupelbosch en langs het zand pad, en nog een man en een vrouw, en even later nog een paar meisjes, allen op weg naar de middagkerk, drie kwartier van hier. Dan was weer alles in rust en werd nergens een mensch waargenomen.

Toch ! In tegenovergestelde richting van de kerk gangers naderde weer het jongmensch met het rood zijden zakdoektipje op de borst, Mark Mons met zijn vriendelijk gelaat.

En Paul was niet op zijn post ! Had hij 't maar geweten ! Alle dagen en vooral lederen avond, eer hij insliep, had hij aan den vriendelijken vreemdeling gedacht, nu en dan hem in gedachten duidelijk vóór zich gezien, en gedurig verlangd naar het oogen blik, dat hij hem nog eens zou ontmoeten. En daar was nu die vreemdeling, en Paul was er niet !

Het zandpad maakte juist een scherpe bocht voor het gedoetje van Koen en Hilda. Mark Mons was nauwelijks een paar honderd schreden die bocht om, toen hij plotseling bleef staan. ^.

Dat deed hij dikwijls, omdat hij immer om zich heen zag, diep en ver in de wijde mooie wereld, maar ook naar al 't zeldzame in zijn nabijheid. Nu eens bleef hij staan voor een aardig bloemetje, voor een zonderling vergroeiden tak, een prachtig met mos versierden boombast, dan weer om te spieden naar het stille spelen van meesjes en sijsjes-in 't takkengespan, dat het grillig gevormde bladerdak droeg.

Nauwelijks de bocht om, had hij zijn oogen gericht naar den hoog-op-gewalden slootkant aan de overzijde, waar welige braamstruiken als lange twijgen van treurwilgen zich zoo laag mogelijk lieten neerhangen in de sloot, alsof ze zich verlustigden in 't spiegelbeeld van hun eigen rijken bloesemtooi.

Dan nog eenige schreden o verrukkelijk, verrukkelijk ! — zijn schooljongenshart werd plotseling klaar wakker — Daar! daar, diep in 't gras onder in den slootwal ! Daar ! achter dat hangend eiketakje ! 'n nest met eieren !

nest met eieren ! O, wat leek dat mooi ! Mark Mons voelde een oogenblik spijt, dat hij geen jongen meer was, dat hij te oud en te wijs was .om eieren uit te halen. Maar — begeerend en glurend, en zich overbuigend naar 't wondere wonder ontdekte hij — ach, wat teleurstelling ! — dat het een nest was met — kippeneieren. Hij telde zes, zeven, acht, negen helder witte kippeneieren : doch al waren 't er vijftig geweest : de vondst was geen vondst meer •" 't waren maar gewone kippeneieren !

Zijn schooljongensziel had plotseling een pas ontdekten schat in de diepte zien wegzinken, en teleurgesteld wilde hij heen gaan maar zijn mannenverstand zei, dat daar iets van geldelijke waarde lag en terstond liep hij terug naar 't naaste huisje om er de menschen te waarschuwen.

Paul, die met Koen en Hilde nog aan tafel zat te eten, had den man zien staan bij de sloot, en nu hij hem zag terugkeeren, kreeg hij een kleur van aandoening : hij herkende den vriend met het roode zakdoek tipje op de borst. Zou de man naar hem toekomen ? Hij sprong van zijn stoel, zoodra hij Mark Mons voor 't hekje zag staan, en liep naar hem toe.

„Zeg, mejongen ! hebben jelui kippen ? " „Ja, 'n heelen boel !" „Dan zijn er bij, die in 't veld nestelen. Er liggen daar eieren in den wal : je mag ze er wel terstond vandaan halen, als je niet wilt, dat anderen het doen". Paul ging mee tot de plaats, waar de eieren lagen, sprong over de sloot, raapte ze op en gaarde ze in zijn pet.

„Er zijn er twaalf! — zei hij. Wel bedankt hoor, voor je vriendelijkheid !" Mark Mons groette met een welmeenend knikje en ging nu haastig verder. Paul droeg blijde de eieren in huis, en zeide : „Wat een goede man is dat ! — Kijk eens, twaalf mooie eieren !"

Koen was er blij mee, maar lachte den „goetjen man" uit.

„Zoo doen die burgeroliebollen ! Papjongens, die nog geen ei durven op te rapen. Wat je langs den weg vindt, is je eigen. Wie brengt gevonden eieren terug ? Ik zou ze als eerlijke vondst opgeraapt en meegenomen hebben. V/at jij, Hilda ? "

„Nou, ik ook ! En wie zou 't niet doen ? " „Die man toch niet !" zei Paul. • „Daarom is 't een oliebol, een koffieboon !" zei Koen.

Paul ging in zich zelf aan 't redeneeren : tot nu toe zou hij ook de gevonden eieren als zijn eigendom beschouwd hebben ; maar nu de vriendelijke man het niet had gedaan, en den wettigen eigenaar had gezocht, nu zou hij voortaan ook zoo doen. Want wat die man gedaan had, was beter. Dat Koen ze — waar hij ze ook had gevonden — voor zich gehouden zou hebben, begreep hij heel goed. En Koen en Hilda waren wel goed, maar die man was beter, en hij wilde doen als zijn goede vriend.

Hij had haastig de eieren weggeborgen, en zette'zich niet weer aan tafel, maar begaf zich naar de deur. „Heb je nu al genoeg? " „Ja, Hilda".

Bidden en danken kende men er niet, en wie genoeg gegeten had, kon gaan als hij wilde. Paul liep snel het pad op, dat hij den vriendelijken man had zien inslaan.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's