De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

We vliegen daarheen Psalm 90 vers 10b.

Oude jaar.

Het bovenvermelde woord is ontleend aan den psalm die tot opschrift draagt : „Een gebed van Mozes, den man Gods."

Het is zeker, dat dit weemoedig lied door hem vervaardigd werd in dagen van bange bezoeking, die over Israels volk kwam vanwege hun zonde.

In die dagen heeft Mozes zijn droeve ziel gesterkt in zijn God, den Eeuwige, Wiens kracht en majesteit hij verheerlijkt en waartegenover hij in dezen psalm stelt de nietigheid des menschen in die woorden : „Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling en zegt : keert weder, gij menschenkinderen. Gij overstroomt ze, ze zijn gelijk een slaap ; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert. In den morgenstond bloeit het en het verandert des avonds wordt het afgesneden en het verdort."

Daarop buigt hij zijn ziel onder het rechtvaardig oordeel Gods, dat in Zijn heiligen toorn gaat over onze zonden. „

Want wij vergaan door Uwen toom en door Uw igrimmigheid worden wij verschrikt, Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aansohijns. Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid" en dan sluit hij de schildering met de woorden : „Wij vliegen daarheen."

Dat hebben wij ook in het voorbijgesnelde jaar weer ondervonden.

De tijd staat niet stil, maar is als een stroom, die rusteloos voortvloeit. Onze dagen gaan daarheen als een gedachte, varen weg als een arend die uitvliegt om spijs, verdwijnen ais een verschietende ster, als een damp, een droom, een schaduw. Het is haast niet te gelooven dat nu alweer het laatste blaadje van den kalender is afgescheurd. Wij kunnen het ons haast niet voorstellen, dat al weer een heel jaar wegzonk in het grondelooze diep der eeuwigheid.

En niet alleen snelde de tijd voort, neen, ook van onszelf geldt het woord : „Wij vliegen daarheen." Wij zijn als een vogel, die vliegt boven de zee en nergens, nergens rusten kan. Op den Oudejaarsavond verstaan wij dat beter dan ooit. Geen wonder, dat zulk een avond ons brengt in een stemming van weemoed. Terwijl wij anders menigmaal daar niet zoo bij stilstaan, zien wij dan met dieper weemoed het haastig verglijden der tijden aan.

Als het bij zulk een weemoedsstemming nu echter maar niet blijft. Want zoo algemeen als die is, zoo haastig is ze ook weer weggewischt. Daarom zullen wij, zal het goed zijn, moeten komen aan de voeten van Hem, die door geen tijd wordt bewogen en gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid.

„Wij vliegen daarheen." Wij kunnen bij dat woord al dadelijk de vraag stellen : waarheen gaat het dan met ons ? En op die vraag moet het antwoord luiden : naar den dood en het graf. Het leven is immers een damp, die zoo opkomt en zoo weer verwaait. Wie durft er aan twijfelen ? Het eene geslaoht gaat en het andere komt. Het is den menschen gezet eenmaal te sterven. Reeds de dichter van den ouden dag vroeg met bet oog daarop : „Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen, wie redt zijn ziel van het graf ? "

De dood, terecht de koning der verschrikking genaamd, treedt de schamele woning van den arme binnen, maar óók de poorten der paleizen zijn voor hem niet gesloten. De wijze moge zich beroemen in zijn wijsheid, de rijke op zijn rijkdom, de sterke op zijn kracht, maar in den strijd tegen den dood heeft hij geen geweer. Op het oogenblik, door God bepaald, komt hij en hij snijdt met zijn scherpen sikkel onzen levensdraad af. Voor ons allen komt de ure, waarin wij wegsterven. En haastig komt zij, ongedacht en onverwacht menigmaal.

Dat is in dit voorbijgegane jaar zoo telkens bevestigd. Hoevelen zijn met ons den tocht in het nieuwe jaar begonnen, maar hebben het niet ten einde gebracht ! In hoeveel gezinnen trad de dood niet binnen om zijn knokige hand te leggen op een onzer dierbaren ! Hoevelen van hen, met wie wij door banden van liefde of vriendschap verbonden waren, werden uitgedragen naar den stille, maar altoos zoo aangrijpende rustplaatsen zijn er gekomen in menigen kring ! Wat een graven zijn er gedolven, klein en groot! Die voor eenigen tijd nog met ons waren, zijn er niet meer en het is ons als een droom dat zij weggesneden zijn. En zooals het nu met hen ging,  die afdaalden in de donkere valleien des doods, zoo zal het óók met óns gaan. De eindpaal des levens is spoedig bereikt. Wie onzer is er, die aan den laatsten avond des jaars het niet voelt en onwillekeurig het zegt ?

Wij vliegen daarheen — naar den dood en het graf. De gedachte alleen daaraan kan ons doen huiveren. Want wij, menschen, .zijn bang voor den dood. Daar zijn er wel, die beweren, dat zij er niets om geven en met een onzer moderne dichters zelfs durven zeggen : „Gij moet niet zoo van het lieve dood zijn ijzen" — maar dat is ijdele grootspraak. De meesten ontroeren bij de gedachte aan den dood.

En waarom is dat zoo ? Omdat achter dien dood de eeuwigheid ligt. Zeker, daar zijn er, die de eeuwigheid willen wegcijferen, maar Gods Woord, dat de waarheid is, leert gansch anders. Het is met den dood niet uit, maar hij voert ons naar dat geheimzinnige land der eeuwigheid.

Ook daar vliegen wij heen. Wij zijn er al weer een jaar dichter aan toe gekomen. Op zichzelf zou dat niet zoo erg zijn, indien de eeuwigheid voor ons allen gelijk ware. Maar de Schrift spreekt ons van tweeërlei bestemming, van eeuwig wel en eeuwig wee.

Niet allen gaan de heerlijkheid in. Gods Woord zegt met tranen, dat een onsterfelijke ziel voor .eeuwig verloren kan gaan. Hoe ernstig klinkt in dat licht gezien het woord : „Wij vliegen daarheen !"

Aan het einde der baan staat de rechterstoel van Christus, waarvoor wij geopenbaard moeten worden. Wij zullen gewogen worden op de weegschalen Gods. Hij zal over ons recht spreken. En daaraan zal niemand ontkomen. God zal de vierschaar van Zijn heilig recht over ons spannen. Wij vliegen daarheen, naar dat oordeel. En hoe zal het dan met ons zijn ? Zal het goed zijn, als God u in Zijn gericht betrekt ? Hij, voor Wien alle dingen naakt en geopend zijn, van Wien wij zingen

Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid ?

De onverzoende zondaar zal, zonder Borg verschijnend, gewisselijk schuldig worden verklaard. Gij hebt dit al menigmaal gehoord, maar heeft het u ooit gebracht in de diepte der verootmoediging voor Gods aangezioht ?

Het Evangelie van Gods ontferming in Christus is u weer een vol jaar gebracht.

Wat was daarvan bij u de vrucht? Maakte het u klein of liet het u onverschillig en koud ? Onderzoek u eens op dit punt. Laat de Oudejaarsavond u mogen vinden op de knieën voor den hoogen God. Het is misschien wel de laatste dien gij beleeft, immers wij vliegen daarheen. Nog een spanne tijds en gij staat voor Gods rechterstoel. O, als gij geen Borg nog hebt voor uw ziel, mocht de prediking van des Heeren Woord u dan in het hart grijpen voor het voor altoos te laat zal zijn. Worde dan nog gehoord de machtige roep van den hemel: „Laat u met God verzoenen ! De goddelooze verlate zijnen weg, de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner Ontfermen."

De tijd is kort. Wij vliegen daarheen. Daarom zullen wij bereid moeten zijn. Wee degenen, die zonder Borg voor hunne ziel in het gericht moeten komen. O, hoort dan Zijn stem en laat u leiden. Als uw stervensure slaat, zult gij de hemelsche heerlijkheid willen ingaan, maar weet dat, gij zult haar nimmer zien als 't oude zondaarsleven niet nieuw wordt gemaakt door waarachtige bekeering.

In Jezus zullen wij geborgen moeten zijn. Dan, maar dan ook alléén, kunnen wij gemoedigd onze pelgrimsreis voortzetten en laten dan de jaren maar wentelen, ze brengen ons dichter tot het huis des Vaders, waar geen traan meer wordt geschreid, geen dood meer zijn zal, geen jaren meer wisselen. Het oude is er voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's