De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870 .

door JAN VELTMAN : -:

Dit pad, dat op eenigen afstand van Pauls woning door een uitgestrekt kreupelbosch liep, was zóo smal, dat er moeilijk twee menschen naast elkander konden loopen. Vóór den ingang van het bosch bleef Paul staan om zijn vriend na te zien. En hij zou hier een poosje hebben blijven staan en dan terugkeeren, indien het niet zeer zijn verbazing had gewekt, dat Mark Mons in snellen draf door het bosch liep alsof hij voor iemand vluchtte. De jongen dacht er niet aan, dat zijn vriend tijd had verloren met de eiergeschiedenis, en dien tijd weer moest inhalen, en begreep dus niets van dat vluchten. Hij nam de klompen in zijn handen en liep Mark Mons vlug, doch zeer stil na, tot hij zag, dat die op 't open pad kwam en den looppas inhield. Tot aan 't eind van 't bosch liep Paul hem na, en verborg zich daar achter de struiken, doch hield zijn vriend in 't oog. Want dat snelle loopen had toch iets moeten beteekenen !

Aan 't eind van 't open pad, waar dit op den Delberger weg uitkwam, stonden een aantal kinderen, jongens en meisjes. Of die misschien iets te maken hadden met zijn vriend ?

Waarlijk ! — toen Mark Mons hen ge­naderd was, kwamen terstond al die kinderen in een kring om hem heen. 't Moest toch wel een wondere man zijn, die vreemdeling, om wien zich terstond al die Delberger kinderen schaarden als om een vriend, als een heel, héél goeden vriend.

De jongen gluurde zich de oogen bijna uit het hoofd. Zie, daar kwam beweging in 't troepje : 't werd nu een lange rij, de heele wegbreedte vullend. De man hield in elke hand de beide kleinste kinderen en hand in hand sloten allen zich daarbij naar links en rechts aan. In flinken pas stapten ze nu allen voort.

Paul was er verrukt over ; zoo iets had hij nooit gezien, en dat was zijn vriend. Had hij daar ook eens bij kunnen zijn ! Zie, daar stonden twee kinderen te wachten op de lange rij ; nu sloten die zich daar ook bij aan. Even verder stonden weer drie en gingen dan ook mee.

Zou hij het aardig gezelschap maar niet verder volgen, stil en vlug ? Waar ging dat toch naar toe ? — Maar Koen en Hilda zouden hem noodig hebben ; misschien riepen ze hem reeds.

Als een pijl schoot hij terug door 't bosch je, en dicht bij huis trok hij zijn klompen weer aan. Hij deed nu, of hij nog meer kipeieren zocht en als hij de plaats genaderd was, waar zijn vriend had gestaan, toefde hij daar, vlijde zich in 't gras neer en dacht aan de lange kinderrij met zijn vriend in 't midden. En heel den dag dacht hij daaraan, en 's avonds op zijn bed, en 's nachts droomde hij er van.

Mark Mons en de kinderen hielden voor een kleine boerenhofstee stand ; daar stonden reeds een aantal jongens en meisjes, die van den anderen kant waren aangekomen en nu den jongeling vriendelijk groetten.

De kinderen bleven voor het hek staan, terwijl Mark Mons over een bruggetje naar de hofstee ging, door de deur naar binnen trad, den grendel der groote schuurdeuren oversloeg, en die deuren opende. Nu ging ook het hek open en de kinderen stapten de schuur in, waar ze op zeer eenvoudige zitbanken zonder leuning plaats namen. Alleen die op de achterste banken zaten, vonden steun voor hun rug tegen 't daar opgetaste hooi.

Dit hier was de Zondagsschool van Delberg, en de scheepstimmermanszoon Mark Mons was hier de „meester".

De boer, die daar woonde, was Wijbrand Kooijker, een mager, bonkerig man met een gelaat dat nooit lachte. Al de lijnen van zijn wezen waren scherp en koud en weerspiegelden zijn hoekige ziel. Hij hield van niemand en niemand hield van hem. Doch van niets was hij zoo afkeerig als van het oude Evangelie, dat Mark Mons hier aan de kinderen bracht. Tegenover den Bijbel was hij niet alleen onverschillig, maar beslist vijandig.

Dat hij toch zijn schuur een uur in de week afstond om als Zondagsschool gebruikt te worden, verbaasde dan ook zeer dengenen, die hem kenden. Doch hij werd er goed voor betaald ; terwille van 't geld leed hij niet ongaarne den weerzin, dien 't Evangeliseeren in zijn eigen huis hem be­rokkende.

Men had Kooijkers huis noodig en daarom betaalde men zoo goed. Het stond tamelijk eenzaam aan den weg, ongeveer in 't midden van de wijde omgeving, van waar de kinderen hier samen kwamen.

de kinderen hier samen kwamen. De versten woonden bijna een uur rechts en links van hier.

Al had ook iedereen zijn kinderen naar de Zondagsschool gezonden, Wijbrand Kooijker zou beslist de zijne thuisgehouden hebben ; maar — er moest toch één van zijn huisgenooten in de schuur zijn om op een en ander toezicht te houden en vooral op 't hooi, als er de kinderen waren. Hij zelf wilde niet daar zijn, als er gebeden of uit den Bijbel gelezen en verteld werd: zijn oudste dochtertje Marie zou dan maar toezicht houden: die was nog zoo jong, dat de „gelooverij", zooals de man 't noemde, haar geen kwaad zou doen, in elk geval, hij zou daarover wel waken, dat, mocht het haar 't eene oor al ingaan, het door 't andere weer er uit trok. 't Stille kind was altijd in de Zondagsschool. 

Haar naam stond bovenaan op de lijst der leerlingen. En werd menig kind door 't slechte weer soms verhinderd, op 't bepaalde uur hier te zijn, Marie Kooijker was er altijd even trouw op haar post als Mark Mons, die naar geen weer of wind vroeg, als hij den anderhalf-uur verren tocht naar de Zondagsschool ondernam.

Het meisje was even stil als haar vader, maar overigens geheel anders dan hij: zij was zachtaardig en vriendelijk, hulpvaardig en gul. Als een schrander, zorgzaam moedertje waakte ze zorgvuldig over vaders eigendom, en al de kinderen wisten, wat haar tegenwoordigheid hier beteekende; .zij was jonger en kleiner dan vele leerlingen, maar allen erkenden haar gezag: ze waren hier in de schuur van Marie en als 't er op aan kwam, had alleen Marie hier iets te zeggen.

Bovendien was 't stille moedertje de beste van alle leerlingen: niemand kende, wat er van buiten geleerd moest worden zoo prompt als Marie. En niemand die zoo luisterde naar 't Woord Gods, want zij luisterde met haar hart: ze dorstte naar de waarheid.

Doch alles ging zoo stil bij haar, dat Mark Mons er even weinig van merkte als haar vader.

Nooit had ze van de eeuwige dingen gehoord. Dat er zonde was en wat zonde was, en waarom, had ze nooit geweten.

Verdriet en zorgen kende ze al lang, maar wat liefde was, bleef haar steeds verborgen. Nu wist ze het een en wist ze het ander en haar hart was vervuld van de allerzeldzaamste liefde: Jezus had haar lief en zij had Jezus lief. Zij wist onwrikbaar zeker, dat Hij haar altijd hoorde en machtig was om haar te geven, wat ze van Hem vroeg.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's