De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rust.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rust.

9 minuten leestijd

Er blijft dan een rust over voor het volk van God. Hebr. 4 vers 9.

Nimmer moe gerende tijd, Voerman, die den wagen rijdt Over bergen en door dalen. Voerman, laat mij ademhalen! Voerman, waarom rijdt ge in galop ? Voerman, houd eens even op !

Rusteloos ratelen de wielen van den zwaar beladen wagen van den tijd. Het gaat nooit in den draf, veel minder stapvoets, altijd in galop. Of we slapen of waken, in voorspoed en in tegenspoed, in kroon en in kruis, immer gaat het als met versnelden gang. Nog pas stonden we aan het begin van het jaar onzes Heeren negentienhonderd tweeëntwintig en nu al weer aan het einde. De bloeiende lentetijd en de rijke vruchten brengende zomer,  ze liggen al weer achter ons. Van herfst werd het al weer winter.

En zoo gaat het niet maar met een enkel jaar, doch zoo gaat het met de ja­ren, met heel ons leven. De jaren vliegen daarheen en wij met de jaren. Op de bebloemde pleisterplaatsen der jeugd zou men wel willen toeven, maar geen enkel uitgeworpen anker houdt. Hoe spoedig draagt het spelend kind van straks, met die blonde haren, de kroon der grijsheid !

We zeg'gen te zijn in het land der levenden. Met niet minder recht schrijf ik neer, dat we zijn in het land der stervenden. Er zijn diertjes, die geen langer leven hebben dan dat van één enkelen dag. 's Morgens geboren, door de opgaande zon ten leven gewekt, besterven zij het reeds bij het dalen van den avond. Als zulke dagdiertjes zijn ook wij. Geboren worden en sterven, hoe vlak naast elkander liggen die twee ! We logeeren hier maar een paar dagen en slapen hier enkele nachten, — en dan gaan we naar ons eeuwig huis. We zijn als het gras, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt.

Geen wonder, dat onder den machtigen indruk van de snelheid van het gaan en komen der menschen, de dichter, mij onbekend, zingt :

Nimmer moegerende tijd, Voerman, die den wagen rijdt Over bergen en door dalen. Voerman, laat mij ademhalen! Voerman, waarom rijdt ge in galop ? Voerman, houd eens even op !

Maar het eenig antwoord van den voerman is zijn opnieuw aanzettend zweepgeklap.

En toch, op Oudejaarsavond is 't alsof het verzoek ': „Houd eens even op !" wordt ingewilligd en de teugels worden ingehouden om gelegenheid te geven tot zelfbezinning.

De Heere heeft den tijd niet als een eindeloozen stroom van op elkander volgende oogenblikken aan den mensch doen voorbijgaan. Hij heeft den tijd in stukken gekerfd. De dag wisselt af met den nacht. De Heere heeft die beide geformeerid. Enkele dagen voegde de Heere samen tot een week, enkele weken tot een maand en enkele maanden tot een jaar. En als bij de wisseling des jaars die stroom van den tijd dan voor de zooveelste maal zijn ommezwaai maakt bij het rotsgevaarte der eeuwigheid, wie is er die dan niet onder den indruk gebracht wordt van de kortstondigheid, vergankelijkheid en broosheid des levens? Aan dien indruk kunnen zich zelfs niet ganschelijk ontworstelen die kringen, die met God en Zijn Woord gebroken hebben. De tijd is de polsslag der eeuwigheid en in de stilte van Oudejaarsavond wordt die polsslag gevoeld. Welke onze doodenmarsch slaat.

We willen niet te hoog aanslaan die weekelijke Oudejaarsavond-stemming, welke het bij uitzondering op dien dag nog eens gaat zoeken in het huis des Heeren en een traan wegpinkt onder het zingen bij voorkeur van de bekende woorden: Uren, dagen, maanden, jaren, vlieden als een schaduw heen. Wat wordt hiervan op Nieuwjaarsdag nog gevonden? In het nieuwe jaar is het zoo in alles bij het oude gebleven!

We willen het ook niet onderschatten. Die Oudejaarsavondstemming verhinderde ons ongemerkt over te glijden het oude jaar uit, het nieuwe jaar in en voor een oogenblik .ontwaakt, als er weer een jaar om is, het besef van afhankelijkheid zelfs bij hen die de broosheid des levens schier nooit gedenken.

Weer ligt een jaar achter ons, dat met zijn lief en leed wegzonk in den oceaan der eeuwen. Het boekjaar 1922 wordt afgesloten. Menigeen zal met een zucht die afsluiting zien van dit malaise-jaar.

Maar er is nog een ander afrekenen; een afrekenen met God in het binnenste; een afrekenen, dat niet beperkt blijft tot de aangelegenheden van den tijd, maar dat zich. uitstrekt tot die der ziel voor de eeuwigheid.

En waar dan heen? Waarheen met de schuld, welke we met den dag vermeerderen? Waarheen met de ongereohtigheid, welke we uur bij uur doen toenemen?

O, ik weet het, halve heiligen, die geen oog hebben voor de zonde van hun leven, bij wie het zoeklicht van boven nog nimmer viel in de diepe schachten van 't weggedoken menschenhart, hebben geen last van bange vragen als deze. Maar, als de Heere de vierschaar spant ook op dezen Oudejaarsdag over ons hart en huis, waar blijven we dan met die zonde en schuld? Hoe wordt het U te moede, als de Heere vraagt, wat dit jaar geweest is aan teerheid en godzaligheid ? Een vol jaar is ons weer toegeteld.

Als ge zoekt in uzelf, vindt ge allerlei kwaad, dat uw geweten u verwijt. Die bange vermaner en stille verwijter, in het geweten gegeven, laat niet af op dezen dag. O, vinde deze avond u voor het eerst of bij vernieuwing daar, waar de ziel zoo melaatsch als, ze is, geplaatst wordt voor den eenigen Hoogepriester, opdat Hij ontzondige in het hysop van Zijn bloed.

Onze Oudejaarsavondtekst zegt; Er blijft dan een rust over voor het volk van God.

Eigenlijk staat er: Er blijft een Sabbath over voor het volk van God. Met deze sabbath moeten wij naar Gods sabbath. Daarvan lezen we al op de eerste bladzijde van onzen Bijbel, toen de Heere op den zevenden dag rustte van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

Dat rusten Gods bestond in niets anders dan in het zich verlustigen in het werk zijner handen. God zag, al wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed.

Gedane arbeid geeft goed rusten een sabbath aan het hart.

Van rust is er dus alleen sprake, als het Werk af is en goed af.

En hoe is dat met ons werk ook van het voorbijgegane jaar?

Wij zijn al in het paradijs aan ons werk ontvallen. AI onze arbeid, onze gedachten, woorden en werken zijn met zonde bevlekt. Rust is er alleen bij een volkomen werk. En daarom kan er voor den mensch nooit sprake zijn van rust, Zoek in de hoogte of  zie in de laagte, in het heden of in het verleden, altijd vindt ge de duif buiten de ark, die geen rust vindt voor de holte van haren voet.

Vandaar die verterende onrust en dat rusteloos draven van de kinderen der menschen naar den komenden dag.

En nu blijft er toch een rust over voor het volk van God. Maar niet in hun werk. Dat kan nooit.

In Zijne groote genade heeft de Heere een anderen sabbath bereid dan op den zevenden dag der week, in den opstandigsdag van zijn Lieven Zoon, in diens werk, dat alleen volkomen is. Christus Jezus heeft, voor heel Zijne Kerk de arbeidsweek doorworsteld en het werk volbracht, dat een eeuwige gerechtigheid aanbrengt. In het pogen om den zevenden dag als rustdag te herstellen woelt dan ook niets minder dan de zonde der eigengerechtighteid, die rust wil zoeken buiten het volbrachte werk van Christus om.

Er blijft een rust over voor het volk van God. Die rust bestaat in het zich verlaten op het werk van Christus, het daarin te zoeken en daarin gevonden te worden. Daar wordt de rust geschonken. Daar is het sabbath voor de ziel door des Heeren Geest, die geen rijker verheuging kent dan dat een zondaar, al het zijne loslatend, alles in Christus vindt, wat tot zijne zaligheid van noode is.

Er blijft dan een rust over voor het volk van God; dus reeds hier. Hier wordt de eeuwige sabbath reeds aangevangen. Dan behoeven ze het zelf niet meer te doen noch te verdienen. Daar is het uit met het drijven van den drijver Daar mogen ze nederliggen in de grazige weiden van ide verdiensten van Christus. Daar zingen ze:

Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven, Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven.

Blijve die rust er over ook voor u, die dit leest, temidden van uw wenk, dat niet af is op Oudejaarsavond en onvolkomen. Die rust blijft er over voor het volk van God. Niet voor elk.

Hier loopt een gouden scheidslijn die de menschen in tweeën werpt. Die het zoeken en blijven zoeken in eigen werk, zich een eigen gerechtigheid beproeven op te richten, buiten Christus om; ze zullen geen rust hebben dag noch nacht in tijd noch eeuwigheid.

Gods kinderen weten, dat die rust heerlijk is en waar die rust te vinden is. Door de zonde wordt die rust gedurig verstoord. Als ze gerust nederzitten onder hun wijnstok en vijgeboom, wordt het vijandig wapengekletter weer gehoord. Er zijn hier wel plaatsen van rust, maar het is hier het land der ruste niet. Hier is alles ten deele. Naar die storelooze rust gaat het hart uit. Naar het volmaakte. En temidden van de onrust groeit het verlangen. Laat het maar groeien. Er blijft een rust over voor het volk van God. Er zit perspectief in dezen tekst. Hij doet zien ook over dood en graf in die groote eeuwiigheid, waar eeuwige sabbathsrust in storelooze gemeenschap met God door Christus hun deel is.

Onze Oudejaarsavondtekst geldt dus voor den tijd en voor de eeuwigheid. Gelde het ook maar voor u voor dezen Oudejaarsavond: Er blijft dan een rust over voor het volk van God.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Rust.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1922

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's