De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

12 minuten leestijd

Nog eens: Heerlijke rechten.
Met de laatste GrondWetsherziening zijn alle „heerlijke rechten" wat betreft ambachtsheeren, collators, enz., die ons kerkelijk leven zoo lang hebben ontsierd en die zoolang ons tot last en ergernis geweest zijn, vervallen. Nu de nieuwe Grondwet is afgelezen overal, is het met die „heerlijke rechten" uit !
Het Algemeen Reglement van onze Hervormde Kerk heeft er reeds lang op gerekend, dat die tijd wél eens komen kon en de Synode heeft er reeds lang op gewerkt, dat het spoedig komen zou !
Dat het Algemeen Reglement er naar uitgezien heeft, merkt men, als men art. 24 leest. Daar staat : „Wettig verkregen rechten van collatoren worden geëerbiedigd, tot zij door wet of overeenkomst zullen zijn opgeheven." Die wet is er nu. En daarom zijn onze Gemeenten nu vrij bij het beroepingswerk.
Maar nu vraagt men ons iets anders. Als daar ergens een ambachtsheer of welke autoriteit ook, die vroeger of tot nu toe, in kerkelijke zaken en vooral bij het beroepingswerk nog al wat te zeggen had, in de kerk een bank heeft, b.v. voor hem een en voor zijn vrouw een, is dat nu óók vervallen ?
In het algemeen gesproken zeggen wij : ja, dat behoort tot die „heerlijke rechten" die nu opgehouden hebben te bestaan. En men kan daar nu kerkeraadsbank, kerkvoogdenbank of wat ook, van maken. Men kan die plaatsen verhuren of verkoopen. Men kan er dus mee doen, wat de kerkelijke Administratie zelf wil en mocht dan de Ambachtsheer — of hoe hij heeten mag — bezwaar maken, dan moet hij met de stukken maar eens bewijzen, diat hij recht heeft op die plaatsen of die banken..
Wij adviseeren dus, om nu maar aanstonds die banken of plaatsen een andere bestemming te geven, vooral als de ambachtsheer of vrouwe nooit ter kerk komen, gelijk zoo dikwijls het geval is. We hebben nu ail lang genoeg last gehad van die „heerlijke rechten" op het terrein van de Kerk. 't Moet nu maar eens uit zijn.
Natuurlijk kunnen in deze de omstandigheden verschillen. Er zijn ook ambachtsheeren, enz., die veel voor de ge­meente hebben gedaan. Die ook wel ter kerk komen. In die gevallen mag wel eenige vriendelijkheid betracht worden. Niet, om rechten van de Kerk weer uit handen te geven. Dat mag trouw'ens niet (zie b.v. artiked 24 Algem. Reglement, 2de gedeelte). Maar men kan dan in vriendelijkheid over de aangelegenheid van kerkbank enz. met elkaar praten en een schikking ds dan wel te treffen. Alleen een ambachtsheer zal niet meer kunnen zeggen : die bank is mijn eigendom.
Dat is uit! En is er hier of daar een bizonder geval, dan moet degene, die met zijn rechten en eischen aan komt zetten de bewijsstukken maar meebrengen. Want zonder die bewijsstukken — en die zullen er niet veel zijn, naar we vermoeden — zijn al hun rechten en eischen op het terrein van de Kerk van nul en geener waarde !
Is er dus hier of daar een „heergestoelte" of zooiets, en men ziet den ambachtsheer nooit of te nimmer, dan maar zoo spoedig mogelijk een andere bestemming aan die bank of aan die stoel geven. Wèg zijn de „heerlijke rechten"!

Aanvragen handopening.
Een gemeente, die er belang bij heeft, vraagt ons dets te schrijven over het aanvragen van handopening.
Zooals men weet, moet, vóór men met het beroepingswerk kan aanvangen, aan de Regeering gevraagd worden de verzekering te mogen ontvangen, dat het Rijkstractement zal worden uitbetaald. Eerst moet de Regeering dus de hand openen vóór dat men beroepen kan.
Hoe moet nu die handopening worden aangevraagd ?
De kerkeraad is de belanghebbende, omdat die het beroepingswerk moet openen en leiden. En dus ligt het 't meest voor de hand, dat de kerkeraad de handopening aanvraagt.
En langs welken weg ?
be kerkeraad moet zijn aanvrage, welke bestemd is voor en dus geadresseerd is aan den Minister van Financiën, bij het Classicaal Bestuur inzenden, met verzoek die aanvrage namens den kerkeraad door te zenden.
De aanvrage aan den Minister kan er zóó uitzien : Aan Zijne Excellentie den Minister van Financiën te 's Gravenhage. De kerkeraad der Ned. Hervormde gemeente te ...... heeft bij deze de eer aan Zijne Excellentie den Minister van Financiën machtiging te vragen, om aan den te beroepen herder en leeraar het bedrag der laatstelijk aan de standplaats verbonden inkomsten te mogen aanbieden, teneinde te voorzien in de vacature, welke ontstaan zal (of is) door het vertrek van den WelEerw. heer .., die ..., — afscheid hoopt te preeken (of afscheid van de gemeente genomen heeft).
De kerkeraad verklaart, dat de toestand der gemeente dezelfde is als vroeger. De kerkeraad voornoemd : voorzitter (consulent), ouderling (of scriba). (Datum van verzending niet vergeten).
Bij deze aanvrage moet de bekende verklaring van Kerkvoogden volgens artikelen 41 en 42 Reglement Vacaturen, gevoegd worden, welke verklaring ongeveer aldus zal moeten luiden : De Kerkelijke Administratie der Ned. Herv. Gemeente te heeft de eer bij deze te verklaren, dat zij bereid is met het oog op het eventueele beroepingswerk in de vacature, die ontstaan zal (is) door het vertrek van den WelEerw. heer niet slechts artikel 27 Reglement Vacaturen na te leven, maar ook de kosten, vermeld in artikel 73 van bovengenoemd Reglement te voldoen en bij geschil over het bedrag de beslissing aan het Classicaal Bestuur over te laten. De Kerkelijke Administratie , Pres.kerkvoogd ; secretaris. (Denk om datum van teekening).
Met begeleidend schrijven van den kerkeraad aan het Classicaal Bestuur moet ongeveer aldus van inhoud zijn : Aan het Classicaal Bestuur van WelEerw. en Eerw. Heeren, De kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te heeft de eer U het verzoek, om machtiging tot beroep van landswege, naar art. 40 Reglement Vacaturen toe te zenden. Hierbij zijn ingesloten de vereischte verklaringen van de Kerkelijke Administratie te dezer plaatse. Hij verzoekt U beleefd de aanvrage over te brengen bij 't daartoe aangewezen Ministeriëel Departement. (Onderteekening van den voorzitter en den ouderling (scriba) van den kerkeraad, met datum en jaartal).
In dat laatste schrijven komt het dus wel uit, dat de aanvrage bij de Regeering naar art. 40 Reglement Vacaturen moet geschieden. En dat artikel zegt : „De kerkeraad doet door tusschenkomst van het Classicaal Bestuur aanvraag bij het daartoe aangewezen Ministerieel Departement tot het verkrijgen eener machtiging, teneinde aan den te beroepen leeraar het bedrag der laatstelijk aan de standplaats verbonden inkomsten te kunnen aanbieden en voert daarbij de gronden aan, waarop zijn verlangen rust om de vacature op denzelfden voet te doen vervuld worden."
Men heeft ons gevraagd, van waar dat komt, dat de aanvrage van den kerkeraad, gericht aan den Minister van Financiën, door middel van het Classicaal Bestuur moet geschieden ? En dan is ons antwoord : dat heeft niet de Regeering voorgeschreven, maar de Kerk zelf. De Regeering heeft o.a. 23 December 1813, no. 17 bepaald, dat „geen beroepingen van predikanten van den Hervormden Godsdienst, die toelagen uit 's lands kas genieten, zullen kunnen geschieden dan na vooraf verkregen toestemming van onzen Commissaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken, (artikel 2) en in een schrijven van den Commissaris-Generaal d.d. 28 Dec. 1813 aan de deputaten van de Nederduitsche Hervormde Synode wordt gezegd, dat alle verzoeken om handopeningen en approbatiën, welke aan het Departement van Binnenlandsche Zaken moeten worden ingezonden, met de benoodigde stukken, voortaan zullen behandeld worden door den Commissaris voor de Kerkelijke Zaken in 's Gravenhage." (was geteekend door den Commissaris-Generaal H. v. Stralen). En — om niet meer te noemen — in een koninklijk besluit 15 December 1861, no. 59 — wordt gezegd : „Art. 1. Vóór tot de vervulling der vacature eener predikantsplaats bij een der Prot. Kerkgenootschappen, waar van 's Lands wege tractement of andere voordeelen aan zijn verbonden, over te gaan, doet de bevoegde kerkeraad aanvrage bij het Departement voor de zaken van den Hervormden Eeredienst, enz., tot het verlangen eener autorisatie, teneinde aan den te beroepen leeraar, met het beroep tevens het bedrag der laatstelijk aan de standplaats verbonden inkomsten te kunnen aanbieden. Art. 2. Ingeval het beroep geschiedt op het bestaande tractement, verleent onze Minister voor de zaken van den Hervormden Eeredienst enz., de bij artikel 1 bedoelde autorisatie. Art. 3. Ingeval echter vermeerdering of vermindering van het bestaande tractement mocht worden aangevraagd of noodig geacht, wordt Onze (d.i. des Konings) beslissing vereischt. Evenzoo geschiedt de bepaling en toekenning eener bezoldiging van 's Lands wege door Ons (d.i. den Koning), wanneer die gevraagd wordt door of ten behoeve van predikanten, die nog geen tractement uit 's Lands kas genoten, in de gevallen boven bedoeld, wordt de authorisatie in art. 1 vermeld, niet verleend, dan nadat door ons zal zijn beslist. Art. 4. Na de Kerkelijke goedkeuring van het beroep, doet het betrokken Kerkbestuur daarvan mededeeling aan den Minister voornoemd, ten einde door dezen de vereischte maat regelen worden genomen, uitbetaling van het tractement enz. enz."
Men ziet, dat de Regeering, van haar standpunt, dus alles voor handopening en autorisatie van het beroep geregeld heeft, in verband met het lands-tractement. Daarbij heeft de Regeering — heel correct — niet bepaald noch omschreven, op welke wijze het betrokken Kerkbestuur (dat is in dit geval de Kerkeraad) de handopening moet aanvragen noch hoe hij, na kerkelijke goedkeuring van het beroep, de mededeeling daarvan moet inzenden.
De wijze, waarop dat geschieden moet heeft de Regeering overgelaten aan de Kerk zelve, om daarvoor bepalingen te maken. En de Kerk heeft dat ook van stonde af gedaan, welke bepalingen telkens door de Regeering zijn goedgekeurd en gesanctioneerd.
Dat blijkt b.v. uit Kon. besluiten van 29 Aug. 1816 en 23 Nov. 1826 enz. Want in 1816 heeft de Synode der Herv. Kerk in het Reglement op de vacaturen art. 31 bepaald: „De handopening wordt, op verzoek van den Kerkeraad, door het Classicaal Bestuur gevraagd bij het Departement voor de zaken der Hervormde Kerk. Dat heeft de Regeering 29 Aug. 1816 gesanctioneerd. En in 1826 bepaalde de Synode in het Reglement op de vacaturen, art. 33: „De handopening wordt gevraagd, op verzoek des Kerkeraads, door het Classicaal Bestuur bij 't Departement voor de Zaken der Herv. Kerk, met speciale opgave der gronden, op welke de vervulling der vacature verlangd wordt enz." Dat heeft de Regeering 23 Nov. 1826 goedgekeurd.
In het tegenwoordig Reglement op de vacaturen, art. 40, is het, gelijk we boven zagen niet anders geregeld; alleen is het formeel meer correct nu gesteld, dat de Kerkeraad, door tusschenkomst van het Classicaal Bestuur, aanvraagt enz.
Van ouds is deze zaak alzoo geregeld en men behoeft noch aan de Regeering, noch aan de Kerkelijke besturen te vragen, hoe de aanvrage om handopening moet geschieden, daar alles wèl geordend is en onder ons vast staat.

Onze Zendings actie.
Om des beginsels wille hebben wij onze eigene, gereformeerde, Zendingsactie, uitkomend in onzen Gereformeerden Zendingsbond. Dat is natuurlijk niet ons ideaal. Want het ideaal is, dat wij weer een gereformeerd kerkelijk leven mogen krijgen, waarbij de Kerk zelf het Zendingswerk ter hand kan en zal nemen. Daartoe is de Kerk door Jezus Zelf geroepen en het is slechts tijdelijk, dat de Gereformeerde Zendingsbond dit werk heeft overgenomen. Oelukkig gaat dat werk, in stilheid begonnen en in stilheid voortgezet, goed. De belangstelling voor den Gereformeerden Zendingsbond is niet gering — denk ook maar aan de druk bezochte Zendingsdagen in Augustus, waarvan er weer een in 't zicht is, naar de berichten in de couranten luiden — en de werkzaamheden op het Zendingsterrein mochten zich gestaag uitbreiden, al zou natuurlijk ieder onzer gaarne zien, dat er meer mannen en vrouwen van onze beginselen daarheen gingen, voor den dienst des Woords, het onderwijs, de ziekenverpleging, enz.
Wat dat betreft, is er nu weer een goede tijding te melden.
Want de Gereformeerde Zendingsbond is zoo gelukkig geweest ds. R. Bartlema, van Hoogeveen, bereid te vinden om als missionair predikant naar Midden-Celebes te gaan. Dat is een groote stap in de goede richting! Een dienaar des Woords die hier ruim 8 jaar verschillende gemeenten gediend heeft, (Emst, Beesd en Hoogeveen) gaat nu naar het Zendingsterrein, om daar zich te geven aan de bediening des Woords en alzoo in en door de verkondiging des Evangelies er naar te staan gemeenten te stichten, die straks onder leiding van het ambt, mogen uitkomen als lichten op den kandelaar, verkondigend de deugden des Heeren. Die beloofd heeft, dat over een volk, in duisternis gezeten, een groot licht zal opgaan.
Wij wenschen den Gereformeerden Zendingsbond van harte geluk met dit heuglijk feit, dat ds. Bartlema zich daartoe heeft willen verbinden en, wij bidden den nog jeugdigen dienaar des Goddelijken Woords van harte toe, dat de Heere hem kennelijk mag toerusten en bekwamen met Zijn genade en met Zijn Geest, om straks in geloove, ziende op den Koning der Kerk, uit te gaan naar de heidenen en daar te mogen arbeiden tot eere des Heeren en tot heil van degenen, die zonder God en zonder Christus en dus zonder hope ronddwalen, zoekende en tastende, zonder te kunnen vinden.
Wel hebben wij hier eigenlijk ook al veel te weinig dienaren des Woords. En in zooverre kunnen we er eigenlijk niet èèn missen. Maar hier hebben we zoo ontzaglijk veel voorrechten boven hetgeen de Toradja's op Celebes mogen genieten, dat we met een blij hart , zeggen : ga maar, ga maar naar Indië, waar duizenden, waar millioenen wonen die nog nooit de blijde boodschap des heils hoorden. Ga maar ; ga maar zoo spoedig mogelijk ! De Heere die u roept, is getrouw, dat Hij ook doen zal wat Hij heeft beloofd !

Een blijde gebeurtenis.
Zoo de Heere wil zal ds. J. H. F. Remme te Amsterdam a.s. Zondag 7 Januari weer voor het eerst, na het ernstig ongeval dat hem enkele maanden geleden trof, voor de gemeente optreden om het Woord te bedienen. Dat is een zoo ongedachte zegening voor hem en de gemeente, dat we er in de kolommen van „De Waarheidsvriend" toch even melding van willen maken.
De Heere heeft boven bidden on denken alles wèlgemaakt !
Hartelijk hopen we dat ds. Remme in den voortgang nog rijkelijk door God gezegend mag worden en velen nog tot zegen mag worden gesteld.
Waar leeraar en gemeente verblijd zijn, daar zijn wij Zondag in den geest in hun midden en 's Heeren zegenende nabijheid worde kennelijk ervaren door leeraar en gemeente saam !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's