Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
En ze had zooveel te vragen en te dragen. Haar moeder was een zwakke, ziekelijke vrouw, die wel het bestuur had over de huishouding, doch meestal niet in staat scheen te zijn om iets meer te doen, dan haar oudste dochtertje van 's morgens vroeg tot 's avonds Iaat te kommandeeren. De andere kinderen waren nog klein en zij als oudste had dus voor allen te zorgen. En ze nam haar taak zoo ernstig op: 't schepseltje was nog klein èn tenger, maar toch al een moedertje, een ihuishoudstertje. Dat was reeds te zien aan 't gelaat, waarin trekken van vrouwelijke bezorgheid het sterkst uitkwamen.
Vader was nooit vriendelijk; altijd stuursch en norsch, en hij had immer pijn in zijn ziel, als er geld moest uitgegeven worden.
O, dat geld, dat geld toch! Vader zeurde er zoo vreeselijk zwaar over, dat het kind een stuiver wel op een gulden schatte en veel zwaarder onder den gelddruk gebukt ging dan vader zelf.
Dat de pacht betaald en al het noodige gekocht moest worden, wist ze zoo goed als vader; maar dat hij het geld daarvoor altijd wel had, wist ze niet.
Dat was een schandelijke wreedheid, waarmee deze gierigaard zijn zorgzaam kind martelde, zonder dat ze iets van die wreedheid vermoedde.
En moeder moest zooveel versterkends hebben. Marie had het stilletjes, gehoord van vrouw Bramer en Antje Koop. Versterking — dat waren melk en eieren.
Maar vader wilde al de eieren altijd verkoopen en mopperde immer, dat er niet méér waren. Moeder zelf wilde geen eieren, omdat ze te duur waren en zij, omdat ze toch bijna geen werk deed, maar meestal lag of zat, niets krachtigs noodig had. Dat menschen, die veel en zwaar werkten, zich krachtig voedden, als ze 't konden doen, was nog daaraan toe, maar wat had zij met versterking te maken? En boter en room, larie, larie allemaal! dat was maar alleen voor 't lekker en zij mocht aan lekker niet denken.
Maar Marie hield vrouw Bramer voor een verstandig mensch en die had het toch gezegd dat vrouw Kooijker versterking moest hebben. Mochten room en boter dan enkel voor 't lekker dienen, eieren waren toch versterkend, want de meester had al meermalen over de voeding van „'t wit van 't ei" 1) gesproken. Moeder zou eieren hebben maar zij zou 't zelf niet mogen weten, evenmin als vader. Zij zou alle dagen twee of drie, al naar dat er veel of weinig waren, uit de nesten halen, en die door de pap roeren, die ze altijd apart voor moeder kookte. Vader haalde altijd zelf de eieren uit de nesten en zou er zeker niets van merken, dat er twee of drie minder waren.
Later als moeder weer beter was en een der jongere zusjes haar taak zou overnemen en zij zou dus kunnen gaan dienen, dan zou ze 't eerlijk aan vader zeggen en hem al de eieren betalen van haar loon.
Zóó tobde 't kind voor vader en moeder. En intusschen wist ze heel goed, dat ze nog veel op school moest leeren en in elk geval de kinderen mochten nooit thuis blijven. Als het dus eenigszins mogelijk was, ging Marie mee naar school, want dan waren de kinderen veilig en onder opzicht langs den langen weg en zij zelf mocht ook nog best wat leeren.
Vroeg stond het meisje op, om het noodige huiswerk te verrichten, koffie te zetten, de kippen en 't vee te voeren en de kinderen te helpen kleeden. Op 't uiterst nipje begaf ze zich dan met de jongeren naar school, en uit school spoedig naar huis, om er allerlei te doen, wat ze haar taak wist. Weer op 't uiterst nipje naar de middagschool, spoedig terug en dan weer werken tot bedtijd. Gelukkig kon moeder meestal wel de aardappelen schillen, kousen stoppen en kleeren verstellen.
O, 't was hard geweest voor 't jonge kind, maar nu, nu ze haar Heiland altijd zoo nabij wist, nu viel haar het moeilijk leven niet zoo zwaar. Wat ze deed, deed ze met een tevreden gelaat.
Wanneer haar kinderziel wel eens in opstand kwam, kende ze dat als zonde en streed en bad er tegen, en zorgde in elk geval, dat niemand van wie haar omgaf, daarvan eenigen last had.
't Zondagsschooluur was voor haar zulk een zeldzaam genotvol rustig uur.
Zij geloofde, dat Mark Mons precies wist, wie en hoe zij was en welke zware taak zij had. Want zooveel van wat hij zei, paste juist voor haar, en wat hij bad en waarvoor hij dankte, dat was altijd zóó, alsof zij 't hem eerst gezegd had.
En toch — hij kende haar het minst van al de kinderen. Hij was wel altijd ten hoogste over haar tevreden, maar zoo waren er heel wat kinderen meer. Doch omdat zij zoo stil was, sprak hij nooit met haar alleen. Daarbij had ze niets van dat aanvallige, dat anderen van haar leeftijd van zelf naar voren schoof : zij was meer moedertje bezadigd moedertje, dat kind ; zag hoog tegen Mark Mons op en hield zich op eerdigen afstand van hem.
Hij kende de grove vijandigheid van haar vader en wist, waarom slechts dit eene kind van Kooijker altijd hier was : ze móést hier zijn. Ze gedroeg zich wel zeer voorbeeldig maar ook dat was een moeten, omdat ze op al de kinderen had toe te zien. Mark Mons zag in 't kind zoowel als in den vader, wat een beetje geld vermag.
HOOFDSTUK III.
Het uitgestrekte Delberg was een doolhof van wegen en paden. De zoogenaamde Delbergerweg wees de hoofdrichting aan en daarop kwamen vele breede en smalle zandpaden van weerszijden uit. Sloeg men die paden Zuidwaarts in, dan kwam men altijd in de bosschen en liep men een van de vele bosschen door, dan kwam men meestal uit bij een slot of kasteel. Delberg was zooveel als de achterbuurt van het uit gebreide gebied der bosschen met de vele slotgebouwen en villa's. De hoogere — in elk geval andere — beschaving van de rijken met hun onderhoorigen verschilde zooveel van die in Delberg, dat er in alles een tweeërlei wereld was waar te nemen, niet slechts in kleeding, in zeden en manieren, maar ook in de taal en zelfs in de uitspraak en het natuurlijk menschelijk stemgeluid.
Op zekeren dag, dat Koen met zijn veewagen 's morgens weei was uitgetrokken om handel te drijven, had hij Paul opgedragen, dat hij na den middag zich zou bevinden aan den kruisweg bij 't slot „Vierspronck". De man voorzag de mogelijkheid dat hij zelf dan niet meer over nuchtere oogen, nuchtere handen en beenen had te beschikken, en hij dus de hulp van den schranderen jongen noodig zou hebben.
Bij den handwijzer daar moest hij zijn baas opwachten, die hem dan wel zou zeggen, wat hij er te doen had. Zoodra Paul 's middags vroeg had gegeten, begaf hij zich dan ook op weg, verlangend om de mooie streek, waar hij naar toe moest, weer eens te zien. Hij was er nog eens geweest en wist, hoe schoon het daar was. Hoewel hij stevig aanstapte, op zijn klompen had hij toch een klein uur werk om er te komen. Zoodra hij den handwijzer bij den Kruisweg had bereikt, vlijde hij zich daar in 't lommer der hooge beuken neer. Hoe lang het zou duren eer Koen daar kwam, wist hij niet, doch daar hij alle vier wegen ver uit kon zien en nog niets van een rijtuig merkte, kon hij een mooi poosje de rust genieten.
(Wordt vervolgd).
*) De „meester" heeft natuurlijk, gesproken van eiwit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's