Stichtelijke overdenking.
„Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk." Hooglied 5 vers 16m.
De beminnelijkheid van den grooten Bruidegom.
Zoo liggen dan de Kerstdagen weder achter ons ; en weldra zijn we genaderd tot de lijdensweken, waarin de Christelijke Kerk meer bijzonder stilstaat bij het lijden en sterven van den Zaligmaker.
Altijd, maar vooral in deze dagen, vraagt Hij daarom onze aandacht.
Hij is het middelpunt in de leer des heils en in de Heilige Schrift.
Op Hem wijst ook het woord, aan het hoofd dezes geplaatst.
Het Hooglied behoort ook tot die Schrift, waarvan de apostel Paulus zegt, dat ze van God is ingegeven, en waarvan de Heere Jezus zelf getuigt, dat ze niet gebroken kan worden.
Ja, de oude Kerk was met dit boek zoo ingenomen, dat ze het het lied der liederen noemde. Het wijst op Christus als den grooten Bruidegom en op de Kerk als Zijne bruid. En deze getuigt van haren hemelschen Bruidegom : Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.
Ja, naarmate Jezus' Kerk haren Verlosser leert kennen, vindt ze Hem meer begeerlijk en meer beminnelijk. Hij heeft voor haar Zijnen hoogen en heerlijken hemel willen verlaten, waar Hem de engelen op Zijne wenken dienden, en willen nederdalen op deze lage aarde, in dienstknechtsgestalte om hier vóór haar te lijden en te sterven. Hij, die rijk was, heeft arm willen worden, opdat Hij Zijne arme bruid rijk zou maken. Die, in de gestaltenis Gods zijnde, het Zich geen roof behoefde te achten, Gode even gelijk te zijn, heeft Zichzelf van Zijne goddelijke heerlijkheid willen ontledigen, de gestaltenis van eenen dienstknecht willen aannemen, en, om Zijne bruidkerk voor eeuwig gelukkig te maken, Zich willen vernederen tot in den smartelijken en smadelijken kruisdood, ja, willen, nederdalen tot in het donkere graf. Wat wonder, dat, als van Jezus' Kerk het oog open mag gaan voor Zijne onuitsprekelijke en grenzelooze liefde, haar hart van wederliefde ontvonkt !
De bruid in het Hooglied weet dan ook schier niet, hoe ze hare bewondering voor haren grooten Bruidegom zal uitdrukken. In verrukking roept ze uit : Mijn Liefste is blank en rood ! Blank vanwege Zijne vlekkelooze reinheid, en rood vanwege Zijn zoenbloed, voor mij gestort. Hij draagt de banier boven tienduizend. Hij is de Koning der koningen en aller heeren Heere. Zijn hoofd is van het fijnste goud. Zijne oogen zijn als der duiven. Zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als eene raaf. Zijne gestalte is als de Libanon. Hij is veel schooner dan de menschenkinderen. Ja, al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.
Ach, voor het natuurlijke oog is aan Jezus geene gedaante of heerlijkheid. Ja, van nature ziet ook de Kerk in Hem niets begeerlijks. Ook zij moet het met schaamte belijden : „En wij hebben Hem niet geacht."
Maar als 't oog des geloofs open mag gaan, dan is alles aan Hem gansch begeerlijk voor haar. Dan krijgt ze Hem lief, en valt in aanbidding voor Hem. Zaterdags alleen wanneer, juist vooral, omdat Hij, die heerlijkheid had bij den Vader eer de wereld was, voor haar wilde worden een Man van Smarten, in krankheid verzocht, voor Wien een ieder zijn aangezicht verborg, maar die daarom juist door den Vader uitermate is verhoogd tot eenen Vorst en Zaligmaker, en van Hem een naam heeft ontvangen, welke boven allen naam is, en voor Wien daarom ook alle knie zich zal buigen, zoowel in den hemel als op de aarde en ook onder de aarde, hetzij gewillig, hetzij onwillig.
Ha, wanneer bij oogenblikken het oog recht open mag gaan, en het hart eens mag woriden verteederd, dan kan ze wel eens uitroepen : O, dierbare Bruidegom! „Zet mij als een zegel op Uw hart, als een regel op Uwen arm. Ik ben krank van liefde."
Doch nu zal het noodig zijn, lezer, dat wij daar ook iets van kennen bij eigen ervaring. De groote vraag voor ons is maar, of wij reeds den Heere Jezus leerden kennen als onmisbaar en algenoegzaam. Of wij reeds eenigermiate een oog kregen voor Zijne beminnelijkheid en dierbaarheid.
Ach, van nature is dat bij ons zoo niet. Het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan. Zooals wij gebaren worden zijn wij afkeerig van God en ook van Zijnen grooten Zoon, dien beminnelijken Immanuël.
Dit bleek vooral, toen de Heere Jezus op aarde was. Bij Zijne geboorte was voor Hem geene plaats dan in den beestenstal en beestenkrib. Een Herodes stond Hem al vroeg naar het leven. Hij moest klagen, dat Hij niets als eigendom bezat, waarop Hij het hoofd kon nederleggen. Nog minder dan vossen en vogelen. Hij kwam tot het zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij ging het land door, goeddoende, en Zijn loon was haat, smaad, spot, verguizing, en aan het einde de bittere kruisdood. Hij was door genade voor sommigen de uiterste Hoeksteen, maar voor veel meerderen een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis. Ja, zelfs in die mate, dat Hij moest uitroepen : Zalig is Hij, die aan Mij niet geërgerd zal worden.
Het is, zooals Da Costa zegt : Hij heeft de menschen zonder oorzaak lief gehad, en zij hebben Hem zonder oorzaak gehaat.
En laten wij nu niet wanen, dat wij beter zijn. We hebben van nature allen hetzelfde hart. We hechten Christus lichamelijk niet aan het kruis, niet, omdat wij zooveel uitnemender zijn, maar eenvoudig omdat wij er niet toe in de gelegenheid zijn.
Ja, door onze. zonden kruisigen wij den Zone Gods telkens opnieuw.
En hoe zijn wij gezind tegen Christus' discipelen ? Want, wat we aan de minste Zijner broederen gedaan hebben, dat rekent Hij ons toe als Hem aangedaan. Tot Saulus van Tarsen zegt de verheerlijkte Heiland niet : Wat vervolgt gij Mijne Gemeente, maar : wat vervolgt gij Mij. En door hoevelen worden Jezus' ware discipelen niet nog steeds gehaat en belasterd. En die haat tegen Jezus' gemeente, wat is ze in den grond anders dan haat tegen haren Heiland ?
Zooals eene Schotsche christin, toen zij eenen martelaar, wegens zijne belijdenis van Jezus' Naam, in de zee aan een paal gebonden, zag stikken, uitriep : Daar vermoorden zij mijnen Heere Jezus Zelf zal dan ook de vijanden Zijner Kerk als Zijne persocmlijke vijanden behandelen.
Velen ook trekken de wereld en hare begeerlijkheden zoo onwederstaanbaar aan, dat zij er nooit toe komen beminnelijkheid in Jezus te zien. Men heeft meer op met zijn geld en zijn goed, dan met dien onmisbaren Heiland. Ach, wat een dwaasheid ! De wereld kan toch nooit ons hart bevredigen, en straks moeten we alles achterlaten. In de laatste kleeren zitten — zooals een Italiaansch spreekwoord zegt — geene zakken.
Of ons hart is verdeeld tusschen Christus en de wereld. Men zou wel gaarne bij Hem in den hemel willen komen, maar, ach ! de wereld trekt ook nog zoo aan. Doch de werelden Jezus zijn te ver van elkander verwijderd, dan dat men beiden tegelijk zou kunnen vasthouden. Tusschen Christus en Belial is geene samenstemming.
0, men spreekt wellicht wel van dien „lieven Jezus", maar 't leven toont duidelijk aan dat het hart wereld en zonde aankleeft. En dezulken slingert Hij het woord dn het aangezicht : Wat noemt gij Mij Heere, Heere ! en doet niet hetgeen Ik zeg ?
Of we steunen op onze eigene gerechtigheid, geheel of ten deele, en willen Jezus' gerechtigheid met de onze vermengen, en maken alzoo het woord van den stervenden Borg „het is volbracht" tot een leugen. Maar dan roept Hij ons toe — mocht het ons daar nog tot zelfontdekking brengen — : hoeren en tollenaars zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Weet ge daarom, geliefde lezer, wat allereerst noodzakelijk is ? Wat we daar om allereerst behoeven ? Dat ons oog open moge gaan voor onze eigene zonde en bederf. Dat we er iets van mogen leeren verstaan, wat het zeggen wil „geworpen te zijn op het vlakke des velds vanwege de walgelijkheid onzer ziel." Dat we voelen, dat we tegen God gezondigd hebben. Dat we Zijne heilige wet hebben geschonden. Zijn gebod hebben overtreden. Dat we daarom onder den vloek en Zijnen geduchten toorn liggen, en mitsdien met de geheele wereld voor God verdoemelijk zijn.
Maar ook, als we daar iets van mogen kennen, dan leeren wij ook eenigermate verstaan, wat de bruid zegt : Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Dan wordt de Heere Jezus ons onmisbaar en dierbaar. Dan komen onze oogen iets te zien van den Koning en Zijne schoonheid. Dan verliest alles buiten Hem zijne bekoorlijkheid en waarde. En naarmate dat mag zijn, wordt het ook bij ons als bij de discipelen op den berg der verheerlijking : Jezus alleen.
Dan ook leeren we beamen, wat de godzalige Rutherford zegt : O schoone zon, sohoone maan, schoone sterren, schoone bloemen, schoone rozen en leliën, maar o, tienduizendmaal duizend schoonere Heere Jezus ! Maar neen, zegt hij, ik doe Hem onrecht aan ; ik zeg het niet goed. Zwarte zon, zwarte maan, zwarte bloemen, zwarte leliën en rozen, maar o, schoone, schoone, eeuwig schoone Heere Jezus ! O, zwarte hemel, zwarte engelen, maar o, oneindig schoone Heere Jezus !
Ja, dan wondt Jezus ons heerlijk en begeerlijk boven alles.
Dan zeggen ook wij met een zeker dichter :
Lieve Jezus, zuivre zoetheid! Deel mij van Uw zoetheid mee. Meng een druppel van Uw goedheid In mijn bitter zielewee. Rijke Jezus ! sla Uw Oogen Op mij, armen bedelaar. Mijn gebrek en onvermogen Is U, Heiland! openbaar.
Wel opmerkelijk. Aan het slot van het Hooglied heet het : Kom haastelijk, mijn Liefste ! en wees gelijk een ree, of gelijk een welp der herten, op de bergen der specerijen.
En aan het eind van den Bijbel ? De Geest en de bruid zeggen : Kom ! De Bruidegom antwoordt: Ja, Ik kom haastelijk. En de bruid wederom, bij monde van Johannes : Amen, ja kom Heere Jezus !
Kom Heere Jezus ! Mocht dat, lezer, straks in het stervensuur ook het laatste woord wezen van u en van mij.
Neerlangbr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's