Staat en Maatschappij.
De herziening van de Lager-Onderwijswet 1920.
Hieronder laten wij een opgave volgen van de voornaamste wijzigingen der in de Tweede Kamer aangenomen herziening van de Lager Onderwijswet 1920, zooals wij deze in het orgaan van ,,de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs" aantroffen :
1. Het onderwijs in tenminste drie vakken dn art. 2 vermeld onder letters 1—p, wordt gedurende ten minste 8 uren en in elk dier vakken in het tweede en derde leerjaar afzonderlijk ten minste gedurende twee uren per week gegeven.
2. De grens voor het aantal leerlingen eener school voor gewoon lager onderwijs is vervallen.
3. De vergoeding van rijkswege van net vervolgonderwijs vervalt.
4. De verplichting aan de gemeenten om vervolgonderwijs te doen geven, is vervallen.
5. Gedeputeerde Staten kunnen ook vermindering van het aantal openbare scholen bevelen.
6. Het hoofd eener openbare school stelt na overleg met de onderwijzers den rooster van lesuren vast. B. en W. kunnen dien lin overeenstemming met den Inspecteur weigeren.
7. Het aantal leerlingen eener gecombineerde lagere en u.l.o.-school mag niet meer dan 500 bedragen.
8. Het aantal onderwijzers, het hoofd inbegrepen, is nu voortaan :
G.L.O. U.L.0. ond. leerl. ond. leerl. ond. leerl. 1 0—32 6 211—260 1 0—24 2 33—72 7 261—315 2 25—40 3 73—116 8 316—370 3 41—70 4 117—160 9 371—425 4 71—100 5 161—210 10 426—480 5 101—130 en telk. 55 meer 6 131—160 en telk. 30 m.
9. Bij opening geldt het gemiddeld aantal van de mogelijke tellingen. 10. Wachtgeld aldus : O—5 — 3maanden vol salaris ; 5—10 6 maanden vol salaris ; 10 en meer — 12maanden vol salaris; dan 65% der laatst genoten jaarw.
11. In bijzondere gevallen kan het rijk ook een surnumeraire leerkracht bekostigen.
12. Schoolgeldheffing naar het belastbaar inkomen bedoeld in artikel 37 der wet op de Inkomstenbelasting 1914.
13. Het overleg bij benoemingen met het Rijksschooltoezicht vervalt voor het bijzonder onderwijs.
14. De besturen zijn vrij hooger schoolgeld te heffen dan het wettelijke.
15. Bij schoolstichting tellen tot 1928 de leerlingen niet mede, voor wie reeds een bijzondere gelijksoortige school bestaat, waar voor hen plaats blijft.
16. In de acte van benoeming der bijzondere onderwijzers mogen meer voor waarden opgenomen worden dan in de wet genoemd.
17. Ook de kosten van vakonderwijzers vallen onder de gemeentelijke subsidie, indien de gemeente ook zoodanige
vakonderwijzers voor hare scholen heeft
18. De verplichte hoofdaktebezitters kunnen nog tot 1 Januari 1925 gemist worden.
19. Er komt wijziging in de examens voor onderwijzer en hoofdonderwijzer.
Niet vrij van bedenking.
Voor velen is de Zondagswet van 1 Maart 1815 een doode letter geworden.
Zelfs zijn er onder de voorstanders van eene wettelijke regeling van de Zondagsheiliging niet weinigen, die aan de bestaande Zondagswet, wat de mogelijkheid van hare toepassing betreft, maar weinig waarde toekennen.
Op dit laatste standpunt staat ook de regeering, die, zooals men zich herinneren zal, in de helft van het jaar 1920, een ontwerp voor een nieuwe Zondagswet bij de Staten Generaal indiende.
De voornaamste bepaling van dit ontwerp gaf artikel 9, luidende :
Het is verboden op Zondag eenige openbare vermakelijkheid te houden, daaraan deel te nemen of daarvoor gelegenheid te verschaffen.
Onder openbare vermakelijkheden begrijpt deze wet mede alle tentoonstellingen, vertooningen, opvoeringen, uitvoeringen, wedstrijden en spelen, waartoe al dan niet tegen betaling toeschouwers worden toegelaten. Spelen in de open lucht, die niet het karakter dragen van wedstrijd, waarvoor de deelnemers geen betaling ontvangen, noch van de toeschouwers betaling wordt gevorderd, zijn geene openbare vermakelijkheden in den zin der wet.
De Gemeenteraad kan bij verordening voor de uren na den middag op het verbod van dit artikel uitzonderingen toestaan.
Vergelijkt men dit artikel uit het nieuwe ontwerp met artikel 4 van de vigeerende wet, waarvan wij den inhoud in ons vorig nummer opnamen, dan zal men zien, dat de beide artikelen vrijwel overeenkomen, echter met dit onderscheid, dat het artikel uit de wet van 1815 de bepalingen nog wat scherper stelt dan dit bij het regeeringsvoorstel het geval is.
Intusschen heeft de schriftelijke behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer in de meening van de regeering bij het stellen van regelen, gelijk het in de considetrans van de wetsvoordracht heet, in het belang der heiliging van den Zondag, een niet geringe wijziging gebracht.
Het gewijzigd Ontwerp van wet luidt in artikel 9 :
Hét is verboden op Zondag in den voormiddag eenige openbare vermakelijkheid te houden, daaraan deel te nemen of daarvoor gelegenheid te verschaffen.
Onder openbare vermakelijkheden begrijpt deze wet mede alle tentoonstellingen, vertooningen, opvoeringen, uitvoeringen, wedstrijden en spelen, waartoe, al dan niet tegen betaling, toeschouwers worden toegelaten. Spelen in de open lucht, die niet het karakter dragen van wedstrijd, waarvoor de deelnemers geen betaling ontvangen, noch van de toeschouwers betaling wordt gevorderd, zijn geene openbare vermakelijkheden in den zin der wet.
Voor de openbare vermakelijkheden, bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen, kan de Gemeenteraad op het verbod van het eerste lid uitzonderingen toestaan. De Gemeenteraad kan bij verordening ook voor de uren na den middag voor met name aan te wijzen openbare vermakelijkheden eenzelfde verbod treffen als in het eerste lid bedoeld.
Plaatst men den inhoud van dit nieuw geredigeerde artikel naast hetzelfde artikel van het oorspronkelijke ontwerp, dan zal het verschil in de beide redacties onmiddellijk opvallen.
In de gewijzigde regeling wordt de mogelijkheid geopend, om voor bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen vermakelijkheden aan de gemeentebesturen gelegenheid te laten óók voor de morgenuren van den Zondag dispensatie van 't verbod te verleenen ; terwijl, waar in artikel 9 van het oorspronkelijke wetsvoorstel een algeheel verbod van Zondagsvermakelijkheden was gesteld, het aan den gemeenteraad vrijlatende, om voor den namiddag een, uitzondering op het verbod toe te staan thans in artikel 9 van het gewijzigde ontwerp de vermakelijkheden op Zondag als regel zullen zijn toegelaten met de bevoegdheid aan de gemeentebesturen om een verbod op de publieke amusementen te treffen.
De nieuwe bepalingen zijn dus een verslechtering vergeleken bij de oorspronkelijke. En waar reeds artikel 9 van het oorspronkelijke wetsontwerp, zooals wij hierboven betoogden, eene verzwakking geeft van de bepalingen van de tegenwoordige Zondagswetgeving, komt het ons voor, dat het niet van bedenking vrij is, om met het gewijzigd voorstel van de regeering, waarvan verwacht wordt, dat het binnenkort in openbare behandeling zal komen, mede te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's