Ingezonden.
Zeer geachte Redactie,
Zeer gaarne zag ik onderstaand in ons bondsblad opgenomen. Bij voorbaat mijn beleefden dank.
Waar of niet?
In „De Nederlander" van 29 November l.l. komt voor de volgende zin (voor pagina laatste kolom) „Maar wel heeft ons gefrappeerd de ver'klaring, die de heer Dresselhuys den Utrechtschen hoogleeraar (prof. Visscher) ontlokte, dat indien eenmaal het recht der plaatselijke Kerken op het plaatselijk kerkelijk bezit was vastgelegd, voor verschillende kerken de mogelijkheid was geopend, zich los te maken van de Nederl. Hervormde Kerk. Hierop werd door iemand mijn aandacht gevestigd met deze woorden : „Waar de Bond op .aanstuurt, als ze de lieve dubbeltjes maar mee kunnen krijgen."
Mijnheer de Redacteur, natuurlijk geloof ik deze uitlegging van prof. Visschers' woorden niet. Onze Bond stelt zich toch tot doel en ideaal : mede in 'sHeeren hand een middel te mogen zijn tot reformatie in de Kerk.
Waar echter ook door anderen dit wel eens tegen mijn Bondslidmaatscbap werd aangevoerd : „ze bedoelen eene nieuwe doleantie" of „ze durven nog niet goed om de centen", daar had ik zeer gaarne. Mijnheer de Redacteur, dat uw meer gezaghebbend woord in het openbaar hier nog eens tegen opkwam.
We weten wel, dat sommigen hardleersch zijn, vooral in principiëele kwesties, doch de aanhouder wint en gestadige droppeling holt den hardsten steen, 'k Meen toch wel dat de „centen"kwestie, in bovenstaanden zin opgevat, niet in staat zou zijn het principe te doen verwateren. Nogmaals mijn dank, gedachte Redactie.
Uw dw. dnr., O. B. B. RENGERS,
Christelijk Onderwijzer. Laren, (N.H.), December 1922.
Onderschrift van de Redactie.
Het spreekt als vanzelf, dat wat prof. Visscher in de Tweede Kamer gezegd heeft, geheel voor zijn rekening ligt.
Geenszins kan dat op rekening van den Gereformeerden Bond worden gezet, want de professor heeft met den Bond en de Bond heeft met den professor in deze niets laf gesproken. Wat de Greformeerde Bond wil in deze kwestie, hebben we jaar aan jaar betoogd.
Ons vragen: is, dat de Overheid, die het geld van de Kerk heeft — en, als een soort rente van dat geld, aan onze Hervormde Kerk o.a. (rijkstractement uitkeert, dat geld aan de Kerk terug zal geven, daar 't eigendom van die Kerk is.
Dat vragen we om twee oorzaken, en wel : 1e. omdat de Kerk niet als een voogdijkind mag behandeld worden en zij haar eigen bezit in banden moet hebben ; en. 2e. omdat het gevaar niet denkbeeldig is, dat, wanneer de Staat het geld der Kerk houdt, er nog eens een tijd komt, dat er een streep door alles wordt gehaald.
Als men ons dus waagt : waarom vraagt gij, mannen van den Gereformeerden Bond, van de Regeering, dat zij de gelden der Kerk aan de Kerk zal uitkeeren — dan is ons antwoord : om dat de Kerk recht er op heeft haar eigen geld te beheeren. En als men (b.v. mr. Dresselhuys) ons dan vraagt : wat zal de Kerk met haar geld doen — dan is ons antwoord :
En als men (b.v. mr. Dresselhuys) ons dan vraagt : wat zal de Kerk met haar geld doen — dan is ons antwoord : daar heeft niemand wat mee te maken, dat zal de Kerk zélf weten !
Of de oplossing van het kerkelijk vraagstuk zal verhaast worden, wanneer de Kerk haar eigen geld in bezit en in beheer krijgt ?
Niemand kan hier de toekomstgeschiedenis aflezen.
Maar dat behoeft ook niet. Wij doen de dingen niet met een of andere bijbedoeling. We doen het, opdat de Kerk in eere zal worden hersteld ; en dan zelve zal kunnen uitmaken, hoe het geestelijk en stoffelijk verder gaan moet. Zij zal zelve dan de vrijheid hebben, om ook uit te maken, hoe het bij eventueele ingrijpende wijzigingen met het geld der Kerk gaan zal.
Of wij dus aansturen op losmaking van den financiëelen band tusscben Staat en Kerk, om dan straks een tweede doleantie te forceeren en dan een doleantie waarbij we de dubbeltjes kunnen mee nemen ?
'Neen ! dat is ons doel niet! Wij willen, dat de Kerk geer en meester over haar eigen geld zal zijn en dat dan in een eerlijken weg ernstig er naar gestaan zal worden om saam te vinden wat de gewenschte oplossing is van het kerkelijk probleem. Want zooals het nu is, kan en mag het niet blijven ; daarvan is eigenlijk iedere kerkelijke richting en partij en groep en vereeniging en bond overtuigd. Die het anders zegt, die misleidt zichzelf en misleidt anderen. Er moet een oplossing komen. Modern, ethisch, confessioneel, gereformeerd — ieder is er van overtuigd.
En dan willen wij, dat niet de Staat met het geld in de band staat, om te zeggen : als jullie zóó doen, dan krijg je alles en als jullie zóó doen, dan krijg je niets !
Dat is geen toestand !
De Kerk zelf moet, bij welke verdere ontwikkeling van het kerkeliik leven ook, de vrije beschikking hebben over haar eigen geld. En op kerkelijk erf zullen we dan saam uitmaken, wat er gedaan moet worden tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Wij moeten niet de zwakheid hebben te zeggen : „laat de Regeering het geld van de Kerk maar beheeren, dan is 't het veiligst geborgen." Want dat is beneden de waardigheid van de Kerk en het is bovendien niet waar.
Wij bedoelen: als Gereformeerden Bond volstrekt niet een tweede doleantie. Wij bedoelen op kerkelijk erf het kerkelijk vraagstuk meer en meer aan de orde te stellen, waanbij de Kerk zelf de vrije beschikking behoort te hebben over haar eigen geld.
Natuurlijk blijven er dan nog tal van vragen over : aan wie het geld moet worden uitgekeerd of op wiens naam het geld moet worden gesteld op bet Grootboek. Maar daar gaat het nu niet over. Daar moet, natuurlijk zoo breed mogelijk, maar eens over worden beraadslaagd ! Waarbij wij van oordeel zijn — gelijk we indertijd ook hebben voorgesteld — dat het moet komen aan de plaatselijke gemeente en wel aan een soort pastorie-fonds. Niet de Synode heeft er recht op, niet het Algemeen College van Toezicht, niet de kerkvoogdij, maar de predikantsplaats. Wel blijven dan kinder-en academiegelden over, waarvoor men moeilijk een adres zal kunnen vinden. Maar de moeilijkheden zijn er om ze saam onder de oogen te zien; En het doel moet zijn, dat de Kerk weer het beheer krijgt over haar eigen geld. Niet om er dan in een boek of in het verborgen willekeurig mee te doen wat zij wil. Maar om gezamenlijk op kerkelijk erf het kerkelijk vraagstuk onder de oogen te zien en te bevorderen, dat het tot een oplossing in deze mag komen. Waarbij wij volstrekt niet van plan zijn, om maar op te stappen en heen te gaan. Daarvoor hebben wij den strijd niet aangevangen en daarvoor is onze actie niet.
Als er menschen zijn, die rechten kunnen doen gelden, dan zijn het degenen, die vasthouden aan de leer der Kerk, vervat in hare belijdenisschriften. Maar laat bij komende beraadslagingen en besprekingen aangaande de oplossing van het kerkelijk vraagstuk de Regeering niet met het geld van de Kerk staan toe te kijken, om straks te zeggen : die krijgt wat en die krijgt niets. Dat is de roeping van de Overheid niet. En de Kerk moet, gemeenschappelijk, ook gaan vragen, dan aan die ongehoorde toestand zoo spoedig mogelijk een einde kome.
M. v. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's