Uit het kerkelijk leven.
Toch wel heéi vreemd!
In Amsterdam liggen de kerkelijke verkiezingen weer achter den rug; en in laatste instantie hebben „de Vriendenkringen", de Confessioneelen en de Gereformeerden het gewonnen en de Ethischen met de voorstanders van evenredige vertegenwoordiging, de Modernen ingesloten, hebben het verloren. Daar het ging om 116 plaatsen in het Kiescollege was de verkiezing nogal van belang en beteekende de overwinning voor de Confessioneelen en Gereformeerden heel wat. Ja, het was van dien invloed, dat het Kiescollege weer van ethisch is omgezet in confessioneel-gereformeerd.
Ethische menschen zijn altijd zeer netjes en zeer nobel bij verkiezingspraktijken. Confessioneelen en Gereformeerden zijn minder kieskeurig. De slechte practijken liggen altijd aan den eenen ., kant en aan den anderen kant komt men met onbezoedeld kleed uit den strijd. Zoo ook te Amsterdam.
Vooral op een aantal confessioneelgereformeerde predikanten was men van ethische zijde gebeten, daar deze voorgangers der gemeente hun naam gegeven hadden ter aanbeveling van de candidaten van „de Vriendenkringen". Ethische predikanten bemoeien zich niet met kerkelijke verkiezingen! Geen kwestie van. In Amsterdam niet en nergens!! En daarom die woede over de handelwijze der Confessioneele predikanten. Ds. Remme ingesloten.
Maar de Ethischen hadden het verloren, dat was duidelijk.
De Modernen hadden ze ten slotte alleen laten staan en hun candidaten konden het niet halen.
Dus was het Kiescollege weer Confessioneel. Dus zou het beroepingswerk weer in confessioneel-gereformeerde richting gaan. En wel Maandag 8 Januari reeds als het Kiescollege saam zou komen, de nieuwe leden incluis, tot het formeeren van twee drietallen van predikanten.
Toen heeft men van ethischen kant een protest tegen de verkiezing ingediend bij het Classicaal Bestuur. Hadden er ongeregeldheden plaats gehad? Geenszins. Maar er waren een paar dominees, die hun naam gegeven hadden tot aanbeveling van candidaten! En op dien grond diende men van ethische zijde een protest in tegen de verkiezing van de 116 gekozenen.
Die 116 gekozenen konden, hangend bet proces, niet worden toegelaten. Zoolang zij niet toegelaten waren was de meerderheid van het Kiescollege „ethisch". De drietallen konden dan uit ethische predikanten worden opgemaakt Dan was het voor de ethischen nog juist gewonnen ditmaal!
Gelukkig heeft het Classicaal Bestuur er spoed achter gezet. Het heeft 't protest ongeldig verklaard en het heeft gelast, dat de vergadering van het kiescollege zal worden uitgesteld. Hangend het proces zal het beroepingswerk niet worden voortgezet.
We vinden het wel wat erg vreemd van ethische menschen, om zulke trucjes te willen gebruiken. We dachten dat ethisch-zijn en trucjes gebruiken niet bij elkaar hooren. Maar gelukkig dat het Classicaal Bestuur, nu de Ethischen zóo weinig ethisch hebben gehandeld, er tusschen gekomen is. Een Classicaal Bestuur kan toch nog nuttig werk doen, dat zien we alweer!
Wanneer, och wanneer zullen we op de erve van onze Hervormde Kerk van zulke weinig verheffende dingen verlost worden, als nu ook weer bij de Amsterdamsche verkiezingen zijn aanschouwd? Ja — in Amsterdam.
Maar in Amsterdam niet alleen! Er zijn ergerlijker dingen nog!
Wat dr. Hoedemaker heeft gedaan.
De lezers van ons blad zullen zich nog wel herinneren, dat wij kort geleden aan ds. van Eyck van Heslinga de vraag hebben gesteld: vergist Gij u niet, wanneer Gij zegt, dat dr. Hoedemaker alleen maar vóór 1886, toen de doleantie nog niet haar beslag, had, over een modusvivendi heeft gesproken ? En wij wezen daarbij toen op een referaat van dr. Hoedemaker over een modus-vivendi in 1900 te Utrecht gehouden.
Ds. V. Eyck van Heslinga schrijft nu in het Zondagsblad voor Friesland (6 Januari j.l.) dat hij zich heeft vergist en dat wij gelijk hebben.
Wij hadden niet anders verwacht. Want het referaat van 17 Mei 1900 is gedrukt en bet feit is dus niet tegen te spreken.
Wat nu in 't oog springt is dit, dat ds. van Eyck van Heslinga, die eerst met stelligheid wist te verklaren, waarom dt. Hoedemaker vóór 1886 wel eens over een modius-vivendi gesproken heeft maar het na 1886 nooit meer heeft gedaan — nu eigenlijk zoo maar het feit passeert, dat dr. Hoedemaker 14 jaren na de doleantie nog over een modusvivendi refereerde. Daar constateert ds. van Eyck van Heslinga nu alleen maar van het feit — en hij doet het met groote blijdschap — dat de meesten van dr. Hoedemakers vrienden niet gereed waren den door dr. Hoedemaker aanbevolen weg in te slaan.
Wij hebben dat met verwondering gelezen.
De vrienden van dr. Hoedemaker, die zoo met dr. Hoedemaker schermen en elke week bijv. in „de Gereformeerde Kerk" met dr. Hoedemaker op de proppen komen, negeeren dus eigenlijk wat dr. Hoedemaker telkens heeft gezegd en voorgesteld, als hun dat niet aanstaat, en zeggen intusschen aan het adres van degenen, die voorstellen wat dr. Hoedemaker voorstelde: „wat gij leert is glad verkeerd, doe liever zooals Hoedemaker heeft gedaan!"
We kunnen niet zeggen, dat deze manier van doen de discussie over het kerkelijk vraagstuk gemakkelijker maakt en dat er zoo veel kans op is, om met elkaar in één weg te komen, die tot een oplossing van het zoo moeilijke kerkelijke vraagstuk leiden kan.
We denken hierbij ook aan hetgeen onlangs in de Tweede Kamer voorgevallen is bij de discussie over de losmaking van den financieelen band tusschen Staat en Kerk, Toen kwam de vraag over de vrijheid van de Ned. Hervormde Kerk in 't geding en het was een volgeling van dr. Hoedemaker, n.l. dr. Schokking, die beweerde, dat de Hervormde Kerk in 1852 vrij gekomen was, tegen over prof. Visscher, die beweerd had dat die vrijheid der Kerk gebondenheid was. Ook hier weer hetzelfde. De volgeling van dr. Hoedemaker zegt tot iemand, die bijna woordelijk nazegt wat dr. Hoedemaker geschreven heeft, dat hij glad verkeerd spreekt en zelf gaat hij glad tegen Hoedemaker in." Wat is de verwarring toch groot!
En nu gaat het bij ons volstrekt niet om de vraag : vóór of tegen Hoedemaker ?
Maar waar we op willen wijzen is dit, dat we eigenlijk veel dichter bij elkaar staan, dan we dikwijls meenen en dat verwarring in de band gewerkt wordt, door allerlei onbillijke verwijten en hatelijke gezegden. Met dit gevolg natuurlijk dat al vechtende de Kerk, die we samen lief hebben, verloren gaat, waarbij het ongeloof en Rome lachen.
De opwekking van Lazarus en nog wat.
Dat wij daarover wat schrijven gaan, vindt z'n oorzaak in een artikeltje, dat we vonden onder „Verscheidenheden" in „De Hervorming", weekblad van den Ned. Protestantenbond. Daar schrijft dr. Hoog, van Nijmegen iets naar aanleiding van een nieuw en van een oud boek. Het oude boek is een geschrift uit 1806, te Bethlehem gedrukt en handelend over het leven van den Profeet van Nazareth en het nieuwe boek is een geschrift van dr. G. W. Boland, pas verschenen, handelend over het Lazaruswonder.
Volgens dr. Boland (niet prof. Bolland) is Lazarus niet dood geweest. Men heeft hem schijndood in het graf gelegd en het verblijf in dit graf heeft meegeholpen aan de wederopwekking der levensgeesten. Het wordt aldus beschreven :
Lazarus is in doeken gewikkeld, uit zijn woning uitgedragen, nedergelegd „in het graf."
Dat graf is een spelonk, een holte in de rots en een steen (vers 38) ligt daar op. Geen aardmassa dus, maar een vertrek, met — langs den los gestelden steen — gelegenheid tot toetreding van lucht, beschut tegen invloeden van buiten af, een vertrek, ontoegankelijk voor overdreven luchtverplaatsing, slechts voorzien van een ingang, die tevens schoorsteen is, een, althans ten deele, ondergrondsch vertrek, waarin een meer gelijkmatige temperatuur heerscht, uitgehouwen in de rots, in Palestina, het heilige land, maar ook het warme land. Voldoende geventileerd, beschut tegen de ergste stralen der zon —de steen ligt „erop" — een gelijkmatige temperatuur, volkomen rustig, een pracht van een ziekenkamer voor een mensch, die buiten kennis ligt en van angsteffekten geen weet meer heeft.
„Waarlijk, de voorwaarden om tot „een herleving te komen, ze zijn er door „de rust der spelonk niet slechter op geworden."
Het verblijf in het koele graf is dus hier de oorzaak, dat een schijndoode weer bij komt en straks opstaat en weer tot de levenden wederkeert. En ongeveer hetzelfde wordt in het oude boek van 1806, dat een „natuurlijke geschiedenis van den grooten profeet van Nazareth" geeft, gezegd, van Jezus, die, na aan het kruis gehangen te hebben, gewikkeld in linnen doeken, met balsem er tusschen, in het graf is gelegd, om na eenigen tijd weer op te staan.
Daar wordt ongeveer dit van gezegd: „De levenskracht kon in het jonge, sterke lichaam, dat noch door een onmatige levenswijze noch door langdurige ziekte uitgeput was, onmogelijk heelemaal gebroken zijn, door den korten tijd, welken hij gehangen had aan het kruis. En de omwikkeling met linnen doeken en de verfrissching met specerijen waren zoo uitstekend geschikt om bij de rust en de koelte van het graf de levensgeesten weer op te wekken, enz. enz."
Zoo schreef men in 1806. Zoo schrljft men in 1922.
En zoo is de opstanding van Jezus uit de dooden geloochend en het wonder van de opwekking van Lazarus wég. En dat wonder niet alleen.
Maar zoo is alles weggeredeneerd. Gelukkig dat, ten spijt van deze oude en nieuwe rationalistische redeneeringen, de Gemeente van Christus het Woord heeft, dat oud is en niet veroudert ; dat vast is en niet wankelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's