Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Ze zong al weer. Paul zag bleek van aandoening : de ontroering sprak uit heel zijn wezen.
„Soms volgen zorgen dreigend elkaar ; God schijnt verborgen ; 't Leed schijnt te zwaar."
De mandoline zweeg nu, en de guitaar zoemde suisend zacht de diepste tonen om zich heen. Alsof het uit zijn eigen arme hart kwam, zong de dame weer:
„Vraag dan bedroefd, Waar Hij vertoeft ; Of Hij mij niet troostloos verstiet."
En dan vervulden, breed zwellend, de jubeltonen de lucht, terwijl het meisje, vertrouwend en immer krachtiger voortzong :
„Maar schoon een moeder 't schootkind begaf. God blijft mijn Vader tot over 't graf."
Paul was buiten zich zelf. Hij werd geheel vervuld met wat niet in gewone woorden, maar in machtige taal der muziek tot hem was gekomen. Een klacht, bitter en bang was er in zijn ziel wakker gezongen, 't Was hem, of de zangeres in haar eigen ziel zijn gemis had gevoeld en den jammer van zijn hart had uitgeroepen omhoog naar 't geheimzinnig eindelooze, waar het misschien — misschien ! — gehoord zou worden.
Maar in hem klaagde 't voort, overstelpend en machtig : Waarom had zijn moeder hem, toen hij nog een schoolkind was, verstooten ? En waarom had zijn vader, dien hij meende nooit gezien te hebben, hem aan zijn lot overgelaten ?
Wie was toch wel die trouwe Vader van deze jongedame ? Wie was dan God ?
In zijn jonge ziel schreide 't en er kwamen tranen in zijn oogen, zoodat het in hem en om hem van treurnis nevelde en hij niet merkte, dat hij de aandacht had getrokken van de zangeres.
„Ach, August! zie toch eens dat ventje daar staan luisteren I"
Met de mandoline onder den arm kwam de jongedame achter 't geboomte vandaan. Ze zag de aandoening op zijn bleeke gelaat en de tranen in zijn oogen.
"Vindt je 't mooi, mijn jongen ? " Hij schrok op als uit een droom, en zag Virginie vóór zich staan, met innig welgevallen, met teer gevoel de mooie oogen op hem gericht. Hij was als verstomd.
Was dat een wezen van deze aarde of kwam ze uit een andere wereld ? Was dat niets iets, zooals hij soms met de oogen toe zag ?
Ze vroeg nog eens : „Vindt je 't zoo mooi, mijn jongen ? " En toen ze nog dichter hem naderde, streelde ze hem met haar vrije hand over zijn bleeke wangen.
Tusschen de tralies door gaven ze elkander de hand. Dan kwam in eens een dame van achter het huis te voorschijn en klapte in de
handen,
„Virginie, we worden geroepen !" zei August, en nadat de jonge dame den armen knaap nog eens streelde en hem vriendelijk groette, ging ze met haar broer heen.
Paul staarde de mooie, deftig gekleede jonge menschen na, tot ze achter het huis voor zijn blik verdwenen en hij ging dan weer in 't gras liggen bij den handwijzer. Maar nu wierp hij zich voorover met het gelaat in zijn handen en begon te snikken zooals hij nog nooit had gedaan. Nog nimmer had hij zich door heel de wereld verlaten gevoeld. Want zijn ziel had iets gezien : zijn onbegrensde armoede en verlatenheid. Die zoo schoon zong had hem eerst in zijn ziel doen gevoelen, wat hij miste en dan — had haar zachte hand hem gestreeld en hem dat onbekend heerlijke doen smaken, waaraan hij geen naam wist te geven. Had hij gedurfd, hij zou die fijne zachte hand tusschen de zijne genomen hebben, om iets van dat heerlijke haar terug te geven, iets, waardoor het hart sprak, voelbaar, tastbaar denken, wat met woorden niet kon uitgedrukt worden.
Nu was ze weg en misschien zou hij haar nooit weer zien. Maar aan haar denken zou hij altijd, en haar zachte hand voelen over zijn wangen en in zijn hand, haar vriendelijk gelaat en haar diepe innemende oogen zouden altijd naar hem zien. Wie Virginie toch was ! En wie was die eeuwig getrouwe Vader, van wien ze zong ? In eens overmande hem de smart zoo geweldig, dat hij de handen tegen den grond sloeg en schreide en smeekte :
„Vader ! moeder ! o kom toch weer !"
De werkelijkheid riep hem uit zijn felle benarring : hij hoorde het geratel van den naderenden wagen ; — dat kon Koen wel zijn ! Daar hij nu geen zakdoek had, droogde hij haastig zijn betraand gelaat met de mouwen van zijn buis af, en vatte post aan den kant, van waar het rijtuig kwam. Doch 't was niet dat van Koen.
En zoover hij zien kon, was er geen ander rijtuig. Het speet hem, nu hij weer wachten moest, dat het bekoorlijk gezelschap hem had verlaten. Doch hij hoorde weer jongensstemmen, weer zulke mooie, fijne, beschaafde geluiden, 't Zouden wel weer rijke kinderen zijn, en daarbij was 't goed te verkeeren : dat had hij pas ondervonden ! Als hij nog eens knechtje kon worden bij zulke rijke menschen. Eens, als hij vrij was, als de armvoogden niets meer voor zijn onderhoud wilden betalen, dan zou hij trachten, bij de rijken in dienst te komen !
Langzaam begaf hij zich in de richting, waar hij de hooge stemmen had gehoord, en weldra zag hij vóór zich, wat hij zocht.
Hier was geen ijzeren hek, maar een wijde gracht, met een brug er over, om op het buiten te komen, 't Huis was nog wél zoo mooi en groot als dat andere, waar hij zoo veel genoten had.
Hij zag drie jongens bezig. De oudste was een mooie slanke knaap met een edel, innemend, zeer schrander gelaat. De tweede was bijna even groot, doch zeer dik en zag er dom en ondeugend uit. De kleinste was zoo mager als een lat en had loerende oogen, die steeds naar alle kanten heenflikkerden.
De dikke ving kleine vischjes in een netje, dat aan een langen stok was verbonden ; de edele zocht uit de vangst, wat hem geschikt toescheen voor het aquarium, een groote, met water gevulde glazen bak, op een voetstuk staand onder een bruinen beuk de magere scheen beider handlanger te zijn.
Paul stond met gespannen belangstelling te zien naar het ijverige drietal : allen waren ernstig bezig. Doch het meeste behagen had hij in de deftige heertjes, als ze spraken ; o, dat klonk zoo mooi. 't Was of ze heel andere monden en kelen hadden dan de jongens, die hij kende.
„joh ! vul dit glas met helder grachtwater I" beval de edele aan de magere, en deze nam terstond het glas, daalde langs de glooiing naar de gracht en vulde het glas.
Maar zijn loerend oog had den armen jongen gezien, die al hun doen afkeek. „Kan je 't wel zien ? " zei hij tot Paul en kletste hem meteen het volle glas water in zijn gezicht.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's