Stichtelijke overdenking.
Gij zijt het zout der aarde ; Indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden. Matth. 5 vers 13.
Gij zijt het zout der aarde.
„Gij zijt het zout der aarde", zoo spreekt de Heere Jezus tot Zijn volk en discipelen. En door dit woord erkent de Heere Jezus de waarde van Zijn volk. Doch al dadelijk dienen wij er op te wijzen, dat zij deze waarde niet ontleenen aan ziohzelve. Want zegt Hilarius : op aarde heeft het zout niets geen waarde. En inderdaad is het zout voor weinig geld te koop. Want in fijne kristalvorming is het zout in groote menigte voorradig in de sohatkameren der aarde en ook door de kunstmatige bereiding kan het uit zoutrijk water in menigte worden verzameld.
Daarom zegt de Heere Jezus niet tot Zijn volk : Gij zijt het diamant der aarde, of ook niet : gij zijit het radium der aarde. Maar tot hunne vernedering, wijzende op de waardeloosheid van Gods volk in zichzelven : „Gij zijt het zout der aarde." En inderdaad hebben Gods kinderen niets geen waarde in zichzelven. Want ook zij hebben, in het algemeen en algeheel verderf waarin het menschdom sinds de zondeval in het paradijs verzonken is, verloren al hun goed en heerlijkheid.
Wij toch hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en moeten om niet gerechtvaardigd worden uit Zijne genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.
Daarom zijn Gods kinderen ook begrepen in het ontdekkend vonnis, dat God van den hemel had nedergezien of er iemand goed was en zie, er werd er niet één gevonden. Allen zijn afgeweken en aller keel is een geopend graf en aller voeten zijn snel om bloed te vergieten, en vernieling en ellendigheid is op aller wegen, en niemand heeft den weg des vredes uit en van zichzelf leeren kennen.
Doch wat Gods kinderen nu zijn, dat zijn ze alleen door de genade Gods in Christus. Want Gods kinderen zijn aan hun algeheel verderf, aan hun dood en doemwaardigen staat ontdekt geworden door het licht en overtuigende werk des Heiligen Geestes. En toen hebben zij leeren belijden, dat zij niet alleen tegen sommige, maar tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd hebben en geen derzelve hebben gehouden.
Toen hebben zij hun doodvonnis leeren onderteekenen en erkend, Heere, gij handelt naar recht als gij mij voor eeuwig verdoemt, maar, Heere, is er nog eenig middel waardoor ik de straf ontgaan mocht en wederom tot genade mag komen?
En toen is voor dat volk, dat in duisternis was gezeten, een groot licht opgegaan. Toen kwam de Heere door Zijn Woord tot hen te spreken : „Maak u op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op." En zij mochten Jezus vinden.
Want de breuke, die zij in hun arme ziel leerden kennen door hun Godsgemis, werd geheeld door dien eeuwig gezegenden Borg en Middelaar, die den muur des afscheidsels kwam weg te breken en den vrijen toegane voor hen kwam te ontsluiten tot den troon der genade. Toen begon er een heerlijk werk der herschepping. Want een ander leven brak door in hunne zielen, gelijk in den lentetijd, wanneer de plasregens over zijn en de stem der tortelduif wordt gehoord en de bloemen gezien worden in het land. En waar het leven aanbrak, daar werd de dood op de vlucht gejaagd. En Gods kinderen mogen daarom zoo verstaan dit Godswoord : „Dit is het eeuwig leven, dat zij kennen den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien gij gezonden hebt."
Voortaan waren zij nu andere menschen. En deze verandering hebben zij dus alléén te danken aan het herscheppingswerk van Jezus Christus. Want, zegt de apostel: „Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit-genade zijt gij zalig geworden) en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, opdat Hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade door de goedertierenheid over ons in Chnistus Jezus, want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen."
En welke zijn dan de (goede werken, waartoe Gods kinderen op grond van ons tekstwoord zijn geroepen ?
Zie, ons tekstwoord luidt : „Gij zijt het zout der aarde." En nu heeft het zout eene bestemming voor de spijzen, en wel ten eerste om de spijzen te kruiden en smakelijk te maken. Daarom vraagt Job 6 vers 6 : „Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout ? " En vervolgens heeft het zout de werking om de spijze voor het verderf te vrijwaren. Want wat in het vat is verzuurt niet. Jarenlang kan allerhande spijze bewaard blijven, als het maar goed in het zout gezet is. En nu deze verklaring van den dienst, die het keukenzout ons bewijst, kan ons op 't spoor belpen van de verklaring der woorden tot Gods volk gericht : „Gij zijt het zout der aarde." Gods volk toch heeft een dienst te verrichten ten opzichte van de aarde met het menschdom dat daarop woont. En wel ten eerste hebben Gods kinderen de roeping om zichzelven aangenaam te maken in de oogen van allen, waarmee zij omgaan en verkeeren. Daarom zegt de apostel, dat hij van allen openbaar geworden was als eene goede reuke van Christus, onszelven aangenaam makend voor alle gewetens der menschen. En voorts moeten Gods kinderen daarin wezen het zout der aarde, dat zij het bederf, dat in de wereld is, tegengaan. Zij moeten den zondevloed zoeken te stuiten en een heilzaam serum wezen tegen het vergif der zonde dat het menschheidsleven dreigt te sloopen.
En waardoor nu zijn Gods kinderen het zout der aarde?
Door hun heilige ieer, allereerst. Want temidden van alle; geestelijke waanzin, waarin de kinderen der menschen bevangen zitten en waardoor zij het eene stelsel voor, het andere na met applaus begroeten, doch straks teleurgesteld met weerzin zich daar ook weer van afkeeren, moet Gods volk getuigen van den eenigen weg, van den eenigen naam, van de eenige ark des behoudenis, en fier en moedig de banier des Woord opheffen : „Want tot de Wet en tot de Getuigenis, zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben." Zij moeten belijden, dat tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligheid en tot eene volkomene verlossing alleen gekomen kan worden door de kennis van Jezus, den eenigen Naam die tot zaligheid gegeven is. Zij moeten spreken tot hun huisgenooten, tot hun dorpsgenoten, tot hun stadsgenooten, den bekwamen tijd uitkoopende : dat een iegelijk die in Hem gelooft zal zalig worden, maar een iegelijk die niet gelooft, zal verdoemd worden. En zoo gij met deze zaak ernst maakt, o, kind des Heeren, dan zal dat Woord, deze heilige leer, een dam vormen tegen alle wisselende meeningen van den dag en zult gij zijn het zout der aarde.
Maar ook door een heilig leven moet gij dat wezen. Want ook door een stillen raking wordt gebracht. Zulk een heilig wandel zonder woord, kunnen anderen voor Christus gewonnen worden. En een heilig leven is zoo aangenaam en bederfwerend voor allen met wien gij in aanleven had Elisa. Want de vrouw te Sunem, die in haar huis een optrekje voor hem beschikbaar had gesteld, opdat hij daar op zijn vermoeiende rondreizen een rustplaats kon vinden, zeide : Ik zie nu, dat deze man Gods heilig is.
En wat zegt nu uw man of uw vrouw, uw zoon of uwe dochter, uw dienstknecht of uwe dienstmaagd van u ; zeggen zij ook van u : Ik zie nu, dat deze man Gods heilig is ?
Dan zal uw heilig en onbesproken leven een heiligenden invloed uitoefenen tot in verre geslachten.
En daartoe zijt gij geroepen, o, volk des Heeren, want Jezus zegt tot u : „Gij zijt het zout der aarde."
H.
V. V.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's