Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
De arme jongen voelde zijn ziel gescheurd ; niet om dat water —, och, zooiets had hij zoo vaak moeten verdragen, altijd met het gevoel, dat hij niets terug mocht doen, omdat hij de verschoppeling was en de armvoogdij voor hem zorgde — dat water in zijn gezicht en langs zijn kleeren, dat beteekende niets, maar de laagheid, die hij van deze jongens niet verwacht had !
De teleurstelling, dat deze rijke jongens niet beter waren dan de schavuiten van Delberg, dat was hem zoo bitter.
Virginie
Maar Virginie was zeker geen wezen van deze wereld, anders zou ze ook wel-------
Daar kwam de dikke over de brug maar hem toe, beklaagde hem en haalde zijn zakdoek te voorschijn om den kletsnatten jongen af te drogen. Die scheen dan toch beter van aard te zijn dan zijn jongere broer !
„'t Is gemeen van je, Joh !" zei hij, en onder den schijn van hem af te drogen, duw de hij Paul een handvol kroos uit de gracht in zijn nek.
De arme vond dit nog valscher, gemeener dan wat de magere had gedaan. Minachtend keek hij den dommen dikke aan en krabde met de vingers het glibberige, vieze, groene kroos, dat reeds langs zijn blooten rug neerzakte, weg.
Maar de edele had het gezien. Paul merkte den verachtelijken blik, waarmee deze zijn jongere broers aanzag en hoorde hem zeggen :
,,Dat is dan ook nog laf genoeg om te lachen over zulk doortrapt min gedoe ! Je moest je wegschamen ! Wie leert je dat ? Je bent nog gemeener dan de leelijkste straatjongen ! Maar ik verzeker je, dat pa het van avond zal weten. Begrijp je dan niet, dat die arme jongen een zeer lagen dunk moet krijgen van pa en moe zoowel als van jullie zelf ! Schaamtelooze wezens!"
Vriendelijk naderde hij Paul en zei : „Kom maar hier, mijn jongen !" Doch Paul durfde niet.
„Je hebt gelijk, jongen ! —• zei de edele — dat je niet durft. Je móét wel den indruk krijgen, dat hier niemand te vertrouwen is."
Door Pauls wantrouwen, dat hij billijkte, nog meer verontwaardigd, hief hij zijn gespierden arm omhoog om den dikke als met één slag tegen den grond te slaan.
Doch hij overwon zich zelf en onthield zich van te doen, waartoe alleen zijn ouders het recht hadden. Hij liep naar Paul, pakte hartelijk diens hand, en reinigde met behulp van zijn zakdoek hem van het vuil, waar de jongen zelf niet bij kon.
„Wil je nu met mij mee komen ? " vroeg hij vriendelijk.
„Ik moet aan den weg blijven, omdat ik iemand wacht, die elk oogenblik kan komen", antwoordde Paul, nu ook vriendelijk.
„Goed, blijf dan maar hier ! Ik kom zoo terug !"
Op een drafje iiep de edele naar zijn huis, en kwam spoedig terug met een paar broodjes met ham en drie reepen chocolade.
Eenigszins beschaamd nam Paul de heerlijke gave aan en bedankte er zeer vriendelijk voor. Doch het scheen den edelen knaap nog niet genoeg te zijn, want nadat ze elkander reeds een hand gegeven en gegroet hadden, kwam hij terug, haalde zijn beurs uit den zak en gaf den armen jongen nog een kwartje.
„Als je ooit weer last hebt van mijn broers, kom je 't mij maar zeggen, hoor beste jongen !" zei hij en streek Paul minzaam met de hand over 't gelaat.
Met de broodjes en chocolade en het kwartje in de hand bedankte de gelukkige knaap den goeden gever zeer vriendelijk, groette hem zoo beleefd als hij 't kon en keek hem bewonderend na. Hij was zóó vervuld met denken aan den gever, dat hij de gaven vergat. De beide jongere broers schenen zich verborgen te hebben : hij zag hen niet, maar hoorde hen zeggen :
„Gaan we nu weer aan den gang, Ferdi? " Doch de oudste scheen er genoeg van te hebben.
„Ik wil me met jullie niet meer bezig houden aan den publieken weg. Wie weet, wat je met een volgenden voorbijganger uithaalt. Lage jongens ! Je moest begrijpen, dat je door zóó iets de eer van pa en moe aanrandt. Als de jongens van den burgemeester zóó doen, wat laagheid mogen zich dan de anderen wei veroorlooven ? "
Nu wist Paul het! Die eene was goed ; Virginie kon toch wel een gewoon meisje zijn, maar dan goed. De burgemeester en zijn vrouw waren zeker ook goed ; er waren toch wel zeer goede menschen !
Hij zakte, al mijmerend, de broodjes en de chocolade in den binnenzak van zijn buis bergend en het kwartje in de hand houdend, weer naar den handwijzer af.
Waarom sommigen toch goed en anderen slecht waren ? Drie broers, de oudste was edel en braaf; maar de jongste was silecht, gemeen ! — misschien omdat het zulk een pieterige schriel was ! — maar de dikke was nog slechter ! — 't Zat niet in de magerheid en niet in de dikte of lengte. Hoe dat nu toch was ! En de dikke zou wel altijd dik en dom en ondeugend, en de schriele wel immer een magere gluiperd blijven !
Toch kende hij nu twee lieve, goede menschen : Virgine en den oudsten van den burgemeester. Zóó zou hij ook willen worden ; maar — hij was arm. Als je arm was, kon je nooit zóo worden als Virginie en als die andere. En hij zou dan ook vrij moeten zijn van de armvoogdij, want Teun Dolle wilde, dat hij alles moest doen, wat Koen en Hilda zeiden. En Koen was veehandelaar, en een veehandelaar kon geen veehandelaar zijn als hij niet de kunst van bedriegen verstond Als hij bij Koen bleef, zou hij veehandelaar worden ; want Teun Dolle maar als hij zelf veehandelaar was, kon hij doen wat hij wilde, en dan wilde hij geen veehandelaar zijn : dan kon hij misschien wel knecht worden bij Virginie of bij den zoon van den burgemeester, en dan zou hij ook een goed mensch kunnen worden ! Hij nam de rust weer in 't gras bij den handwijzer en begon nu aan een broodje.
Dat smaakte heerlijk ! 't Andere zou hij nog maar wat sparen : 't zou al te veel lekkers zijn voor één keer.
Toen haalde hij de chocolade te voorschijn.
Wat lekker rook dat ! Eén stuk voor Hilda, één voor Koen en één voor hem zelf. Even proefde hij er aan : kostelijk, kostelijk !
Zooiets had hij nog nooit geproefd. — Een brokje er af en dan weer in den zak. Zóó ! —
Of Koen en Hilda zoo iets ooit zouden gegeten hebben ? •— Wat was dat toch lekker ; — nog een brokje er af !
Daar nu — daar werd hij ineens gewaar, dat hij niet aan zijn vriend met het roode zakdoektipje had gedacht ! Drie goede, vriendelijke menschen kende hij nu : Virginie, Ferdi en de man met het roode tipje. Maar die laatste was niet rijk ; die had misschien nooit chocolade gehad. Als hij eens — Koen en Hilda konden 't ook samen best met één stuk doen ; elk een helft. Want zijn eigen stuk was nu al afgebrokkeld : zóó zou hij 't aan zijn vriend niet kunnen geven. — Toch, als hij met een mes de kanten weer mooi glad maakte en recht! — Maar wacht eens — het afgebrokkelde stuk voor Koen — die was misschien wel dronken en dan zou hij 't zoo nauw niet nemen — en dan een heel stuk voor Hilda en 't andere voor zijn vriend. Wat zouden ze dat heerlijk lekker vinden, en dan zulk een groot stuk ! I
Maar zou 't zoolang kunnen goed blijven ? Zou het niet smelten ?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's