Stichtelijke overdenking.
Gij zijt het zout der aarde ; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden. iMatth. 5 vers 13.
Gij zijt het zout der aarde.
II. Vervolg en slot.
Zien wij nu dat het mogelijk is dat Gods kinderen waardeloos kunnen worden. Want zegt ons tekstwoord: Indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden.
Want ook het zout kan zijn smaak verliezen. Blootgesteld aan regen en zonneschijn, of bewaard in vochtige magaziinen, verliest het al zijne uitnemende eigenschappen.
En nu kunnen Gods kinderen ook zoo smakeloos worden.
Dat geschiedt dan, wanneer Gods kinderen afwijken van de gezonde leer en zich keeren tot allerlei strijdvragen; die meer twisting meebrengen dan stichting Gods. Gods kinderen toch moeten steeds leven uit de waarheid, dat zij van zichzelven aan alle ellende ja aan de verdoemenis zelve onderworpen zijn, dat zij menschen zijn, die ellende gezien hebben, die hunne zonden hebben leeren kennen, door de kennis der wet, onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, die met gedachten, woorden en werken alle Gods geboden overtreden, die als doode lichamen liggen te verrotten in hun zondegraf, die een walg van zichzelven hebben en vanwege hun zonden zich voor God verootmoedigen en die voor God in het stof moeten bukken met de belijdenis: Vergeef toch mijne overtredingen en mijne zonden, want die zijn groot.
Gods kinderen moeten steeds meer leven uit de waarheid, dat hun volkomen verlossing alleen bestaat uit de eenige offerande, diie Christus aan het kruis heeft volbracht. Zij moeten van niets willen weten als van Jezus Christus en dien gekruisigd, die door Zijn bloed en tranen het rantsoen heeft opgebracht, waardoor Hij Zijn volk heeft losgekocht en die door Zijn Hoogepriesterlijke voorbede en door Zijne gadelooze verdiensten een armen red-en radeloos verloren zondaar volkomen kan zalig maken.
Gods kinderen moeten steeds leven uit de waarheid, dat zij Gode dankbaarheid voor al Zijn weldaden moeten bewijzen, opdat Hij door Hen geëerd en geprezen moge worden.
Doch Gods kinderen leven niet altoos uit deze waarheid. O Gods kinderen kunnen soms zoo smakeloos zijn geworden. Soms doet het de zonneschijn van den voorspoed. Dan worden Gods kinderen soms meegevoerd door de begeerlijkheid der oogen en de begeerlijkheid des vleesches en door de grootschheid des levens. Zij worden door dien driehoofdigen afgod dezer wereld zoo veroverd, dat zij smakeloos zijn geworden als het witte des dooiers. En dan weer doet het de slagregen van den tegenspoed. Want ook kan de vervolging der wereld en des duivels een ontstemming in de ziel van Gods kinderen teweeg brengen, zoodat zij morrend en mokkend God ongerijmdheid gaan toeschrijven. Dan kan het wezen, dat de hemel hen niet verkwikt en dat de hel hen niet verschrikt. Slordig worden ze dan in hun wandel. En Gods kinderen zijn dan smakeloos geworden.
Geen waarde hebben zij dan meer. Want hoe zijn dan de kinderen Sions, tegen fijn goud geschat den aarden flesschen gelijk geworden. En wat kan hen wel uit dien droeven staat verlossen als zij naar het Evangelie van Gods genade in Christus niet verlangen gelijk als Micha daarnaar verlangde toen hij sprak Ai mij, want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten en mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht?
Niets immers. Daarom o volk des Heeren, keer weer, staat op uit uw naar verval.
Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor uwe oogen weg; laat af van kwaad te doen: leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, twist de twistzaak der weduwen. Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere, al waren Uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. En dan wanneer uwe ziel door dat Evangeliezout wordt genezen, dan wordt zij van waardeloos weer waardevol en zult gij mogen erkennen: wij dragen een schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kennis zij Godes en niet uit ons.
III
Tenslotte waarschuwt ons tekstwoord Gods kinderen voor het waardeverlies. Want zoo gij smakeloos blijft, dan deugt gij nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden.
Het zout dat smakeloos is geworden heeft toch geen waarde meer.
Men werpt het weg en vertreedt het met zijn voeten op de aarde.
En Gods kinderen die de heilige leer en het heilige leven verlaten hebben worden ook weggeworpen.
Zij worden weggeworpen door de wereld, die er een duivelsch vermaak in vindt een blaam te leggen op Gods kinderen. Want de wereld vermaakt zich over het ongeluk en de ellende van Gods kinderen. Ziet gij nu wel, zegt de wereld dat gij nergens meer bedrogen mede uitkomt, dan met zulke lieden. En toch laat Ezau zioh niet van Jacob verblijden. Want zegt het Woord: Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding, noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs, noch uw woord groot gemaakt hebben ten dage der benauwdheid. Want dat leedvermaak zal van God bezocht worden.
Voorts lijden Gods kinderen reeds erg genoeg. Want zijn Gods kinderen in zulk een toestand dat zij nergens meer toe deugen, dan om buiten geworpen te worden en van de menschen vertreden te worden, dan werpen zij zichzelven ook reeds zoo ver weg.
Want er wordt door Gods kinderen zulk een diepe, vlijmende en folterende smart geleden, wanneer Gods volk de heilige leer en het heilige leven verlaten heeft. Zij verfoeien dan zichzelven in stof en asch. Zij belijden met een verlaren zoon: Vader ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U en ben niet waardig Uw zoon genaamd te worden, maak mij als één Uwer huurlingen. Zij zwoegen onder dien last en zij krijten dag en nacht tot God. Zij zeggen met den dichter van Psalm 38: Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer neergebogen, ik ga den ganschen dag in het zwart. Want mijne darmen zijn vol van smartelijke plage en er is niets geheels in mijn vleesch; ik ben verzwakt en uitermate zeer verbrijzeld, ik brul van het geruisch mijns harten. "Mijn hart keert om en om; mijn kracht heeft mij verlaten en het licht mijner oogen, ook zij zelve zijn niet bij mij.
En niet alleen door de wereld en door hen zelven worden Gods kinderen weggeworpen wanneer zij afgeweken zijn van de heilige leer en het heilige leven. Ook schijnt het wel alsof God zelf op hen toornt met een eeuwige gramschap.
En dat is het allerergste. Want dan, wanneer het voor hen is, alsof God hen ook buiten sluit, omdat zij nergens meer toe deugen, dan wordt het zoo donker voor Gods kinderen. Zij zeggen dan: zal dan de Heere in eeuwigheid verstooten en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt zijne goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijne barmhartigheid door toorn toegesloten? Want dat krenkt hen zoo.
En nu is dat het wondere, dat de Heere Zijn volk, ook al worden zij weggeworpen door de wereld, en ook al moeten zij erkennen dat zij het verdiend hebben, nochtans niet voor eeuwig weggeworpen worden van God. Want de Heere heeft Zijn volk in een eeuwig verbond der genade, een zoutverbond opgenomen, en daarom zal Hij verandering geven en Zijn volk toch weer terecht brengen, al is het dan ook als door vuur. Gij zijt het zout der aarde ! Zoo spreekt de Heere tot Zijn volk.
Kan Hij dat zeggen ook tot u?
Dan moet de Heere Jezus een werk van herscheppende genade aan u verheerlijkt hebben bij aanvang of bij verderen voortgang. Want anders zijt gij niet in staat het bederf noch bij uzelf, noch in uw omgeving tegen te gaan.
Immers braakt de mensch van nature niet anders dan dood en verderf uit over zichzelf en over den naaste. In de geneeskunde spreekt men van bacillendragers. Doch de mensch van nature draagt alle bacillen, alle ziektekiemen van de meest boosaardige soort met zich om. Het zijn de ziektekiemen der zonde. En hij is daarom niet het zout der aarde, maar een pest voor de aarde. Doch daar moet een crisis in komen, mijn medezondaar. En als gij nu eene ernstige longontsteking hebt gekregen, dan verlangt gij naar den negenden dag, want dan treedt de crisis in en gij hoopt dat er nog uitkomst mag komen, want de koorts is toch zoo ondragelijk en de angsten des doods zijn niet te dulden. Doch weet : noodzakelijker is het, dat er eene geestelijke crisis kome. Want anders zal die vreeselijke ziekte der zonde uw arme ziel geheel dreigen te veroveren en zal uwe ziel gansch verdorven worden. En als gij zóó gaat sterven, dan zal uw arme ziel rijp zijn voor het verderf en zult gij als een monster van boosheid nederstorten in de hel ; daar zal weening zijn en knersing der tanden.
Daarom moet er een crisis komen I Alléén Jezus Christus kan door Zijn herscheppende genade die crisis bewerken. Hij wil tot roem en prijs van Zijn Heiligen Naam nog arme zondaren uit den jammerpoel van zonde en ongerechtigheid verlossen.
Laat u dan door Jezus redden f mocht uw harde hart eens versmelten onder deze zoo liefelijke noodiging, waardoor u om niet eeuwige behoudenis naar ziel en lichaam wordt aangeboden. Want God was in Christus de wereld met Zich zelven verzoenende, hunne zonde hen niet toerekenende en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd ; zoo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade, wij bidden u van Christuswege, laat u met God verzoenen.
En als gij u, o volk des Heeren, met God hebt laten verzoenen, dan zijt gij het zout der aarde. Als het zout hebt gij weinig waarde in uzelf, en toch zijt gij als het zout onontbeerlijk. En nu hebt gij de roeping het leven te veraangenamen, van allen, die God u op uw levensweg doet ontmoeten. Dat doet gij door in stille blijmoedigheid uw eigen leed en zorgen te verbergen en door eens anders leed te verzachten. Dat doet gij door een vriendelijk woord, op zijn pas gesproken. Want uw woord zij te allen tijde met aangenaamheid met zout besprengd. Dat doet gij eindelijk door een leven van zelfopoffering en christelijke toewijding, waardoor den Naam des Heeren eere wordt toegebracht.
En voorts hebt gij de roeping het verderf der zonde tegen te gaan. En dan zult gij dat het beste doen, wanneer gij uzelf moogt oefenen altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en menschen. En dan zal God Zijn volk, dat Hij uitstrooit onder de volkeren, gelijk de Levieten door het gansche land verspreid waren, als zoovele zoutkorrelen gebruiken om de doorwerking van de zonde te stuiten en terwille van Zijn volk nog land en volk te verschoonen. En wanneer Gods volk ontrouw wordt aan zijn roeping, dan waarschuwt de Heere : Indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden, het deugt nergens meer toe dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden.
Daarom zijt getrouw, o volk des Heeren, opdat gij nog ten zegen moogt wezen. En straks zal de Heere u, nadat gij als een zoutend zout in de wereld zijt werkzaam geweest, van alle verderf vrij maken en verlossen en u tot de hemelsche heerlijkheid brengen. En het zal u een eeuwige verwondering haren te mogen leven in een sfeer van volmaakte heiligheid en dat om God daarin te loven en te prijzen.
H.
v. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's