Rondom de Leestafel.
Bij Callenbach te Nijkerk is een 2de druk verschenen van Nieuwe Verzen, van Jacqueline van der Waals, de vroeg gestorven dichteres, die tusschen nevelen met vele twijfelingen en vragen, haar lied zong tot zij in geloove in den Heere rusten mooht en, door den dood verlost, huistoe is gegaan. Deze nieuwe verzen laten het hart van de dichteres zien, hoewel zij gaarne gezongen had zonder dat men haar naam had geweten. Zij was nederig en stil van aard. „Ik kan toch niemand", zoo schreef zij „door de belijdenis van mijn dwaasheid stichten"; „ik heb geen wijsheid, anderen tot nut, geen wijsheid, waardig dat ik die dekken zou met mijn naam." Toch was zij ook rustig in eenvoud. En zoo zijn haar verzen geworden en ook ons geworden.
Mooie verzen zijn het. Neem „Winterstilte" :
De grond is wit, de nevel wit, De wolken, waar nog sneeuw in zit, Zijn wit, dat zacht vergrijzelt. Het fijngetakt geboomte zijt Met witten rijp beijzeld.
De wind houdt zich behoedzaam stil, Dat niet het minste takgetril 't Kristaillen kunstwerk breke. De klank zelfs van mijn schreden wil Zich in de sneeuw versteken.
De grond is wit, de nevel wit, Wat zwijgend tooverland is dit ? Wat hemel loop ik onder ? Ik vouw de handen en aanbid Dit grootsche, stille wonder.
Somber zijn haar verzen. Lees „Toen ik een kind was" (blz. 60) of „In het hooi" (blz. 61—62). Is daar, zooals op blz. 68 staat : „Sonnetten zijn vol liefde en liefsverlangen, Hoe dieper droefenis, hoe zoeter zangen."
Pijn heeft haar ziel geleden, door zooveel dat zij zag en hoorde. Zie maar wat er staat, als zij zingt van „den oorlog in Zuid-Afrika." Dit vers begint :
„Mijn smarten naadren ongestoord mijn poorte. Ik zie ze binnentreden dag aan dag, Mijn vreugden sterven reeds bij haar geboorte, Ik zie ze sterven met een droeven lach."
En wat pijnde haar in de dagen van dien vreeselijken oorlog tusschen Engeland en Transvaal ? Zij zegt :
„Ik zou zoo droef niet zijn, indien ik rouwde Alleen uit medelijden, schoon het lot Van stervenden en wreed verminkten tot Bezwijkens toe somtijds mijn ziel benauwde ; (Maar — zoo dit onrecht zegevieren zoude, Mij scheen de naam bezoedeld van mijn God !"
Haar zoeken naar God deed zuchten haar ziel, maar ook juichen haar hart en zij zong als de nachtegaal laag zittend in het struikgewas (blz. 70) :
„Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw, lik ben mij zelve moede en ik ben Het zoeken moe naar God, dien ik niet ken, En dien ik toch zoo gaarne kennen zou.
Ik ben mijn zwakheid moe en mijn verdriet, Mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot, Maar bovenal het zoeken naar mijn God ! — Ik ben het zoeken moede — maar God niet.
Hij ziet en kent mijn zonde en vergeeft Ze zeventig maal zeven maal en meer Hij wil niet, dat mijn ziele sterft, maar leeft. O, wonderbare goedheid van den Heer, Die naar zoo moedeloos een ziel nog vraagt, Die alle dingen, en ook mij verdraagt."
De dag des oordeels vervult haar met schrik. „Dag van gramschap, van ellende, als de wereld, wie zal 't wenden, zal in vuur en vlammen enden." Dan zoekt zij een Voorspraak. „Als het oordeel wordt gesproken, blijft geen zegel onverbroken en geen misdrijf ongewroken." En dan vraagt ze : „In wiens voorspraak dan zal 'k roemen, dat dit boek mij niet verdoeme ? zal God één onschuldig noemen ? " En zij gedenkt haar gerechtigheden, die alle zijn als een wegwerpelijk kleed ; zij gedenkt hare zonden die zoo groot en die zoo vele zijn. En zij roept : „Sla mijn schuld, o Heer, niet gade ! machtig Koning, dek mijn daden met Uw vorstlijke genade !" „Jezus, die mijn ziel gezocht hebt, met Uw kruisdood mij gekocht hebt, ach, volbreng, wat Gij gewrocht hebt." En gedenkend aan Maria Magdalena en aan den moordenaar aan het kruis, roept zij het uit, dat zij nergens recht of aanspraak op heeft, maar roept om genade. En zij bidt : „Zoo Ge alsdan in heilig toornen, 't lot beslecht hebt der verloornen, roep mij bij Uw uitverkoornen."
Een fijn besnaarde ziel zingt hier haar liederen uit. Lees eens : „Die mijns harten vrede zijt." (blz. 90) :
„Die mijns harten vrede zijt. En de eenig ware ruste. Reine bron van klare lusten, Zuivre zon van zaligheid — Laat mij willen en niet willen, Wat Gij wilt en niet en wilt. Blijde gaande door het stille Leven in Uw vree verstild. Buiten is niets dan strijd. Niets dan moeiten, niets dan zorgen — Laat mij, in Uw rust geborgen. Slapen gaan in eeuwigheid."
Mooie, fijngevoelde verzen, van een in diepe afhankelijkheid levende ziel. Hoor nog even — en dat is 't laatste wat we er van zeggen — hoe zij haar „niets zijn" op haar zoo eigene manier uitzingt in „De Herdersfluit" :
„Eens ging ik langs het dage riet. Dat ruischen kan en anders niet, Toen langs mijn pad een herder kwam. Die één van deze halmen nam En dien besnoeide en besneed. En maakte tot zijn dienst gereed. Door dit gekorven riet, dat Als dood hij in zijn handen had. Dien stemmeloozen stengel zond Hij straks den adem van zijn mond, En als hij blies, zoo zong het riet. En, als hij zweeg, verstomde 't lied : De zoete, pas ontwaakte stem Bestond en leefde slechts door hem.
Zoo gaf ik gaarne wensch en wil In 's Heeren hand en hield mij stil. Zoo dan, als door een rieten fluit. Bij zwijgend eigen stemgeluid, Gods adem door mij henen blies, Hoe groote winst bij klein verlies !"
Ja, het in wit bandje gestoken boekje met „Nieuwe Verzen" van Jacqueline van der Waals is een mooi boekje, dat we gaarne in handen zouden zien van allen, die er gevoel voor hebben en deze klanken met een weerklank in eigen hart beluisteren.
Van den uitgever E. J. Bosch Jbzn. te Baarn ontvingen we het bekende boek van ds. K. Fernhout De Man die den Heere vreest. Dat boek is al veel gelezen en geprezen (de 3de druk lis nu verschenen) en dat verwondert ons niet, want het is een boek, waar vooral voor jonge menschen veel behartigenswaardige dingen in staan. En niet alleen voor jonge menschen, maar ook voor ouderen, ja, zelfs voor hen, die grijze haren dragen. Ds. Fernhout wil, waar zooveel geschreven is over de vrouw, het leven van den man in bizonderheden teekenen en dan „van knaap tot man", „man en vader", „de man en het leven", enz.
Al de perioden des levens worden alzoo behandeld. Eerst „onder moeders vleugelen", dan „in de branding", dan „eigen haard", dan „sociale roeping", dan „aan het doopvont" — tot ten laatste een hoofdstuk komt over sterven, afscheid en testament. Wat staan er mooie dingen in dit boek ! „Moeders vleug'len dekken zacht; moeders oog is trouwe wacht", „geen plek op aard, als d' ouder haard", „jong vergaard, lang bewaard", „in d'eenzaamheid blijkt, wie gij zijt", „die 't goede weet — en wil — en kan — die is alleen een echte man", „onvaste koers, onzeekre koers", „tusschen rif en klippen door wijst Gods hand u 't veilig spoor", „om eigen haard is 't welgeschaard", „één voor één gaan ze heen", „in najaars-luoht glanst gouden vrucht" — dat zijn spreuken en opschriften waaraan dan velerlei opmerkingen verbonden, worden.
Laat de „rijpere" of „rijpende" jeugd dit boek lezen en in de huiskamer moet het een eere-plaatsje hebben.
De uitgave valt in alle opzichten te roemen, de uitgever heeft veel zorg aan dit boek besteed.
Door den heer J. H. Kok te Kampen wordt de Staten-Bijbel, de groote, oude, bekende Staten-Bijbel, uitgave van Jacob en Pieter Keur, nu uitgegeven in een zóó handig formaat, dat men voortaan den Staten-Bijbel met kantteekeningen heel gemakkelijk kan gebruiken bij de huiselijke godsdienstoefening. De 10de aflevering van dezen 2den druk werd ons toegezonden (gaande tot II Samuel 6). In 45 afleveriingen zal dit grootsche werk compleet zijn. De prijs is 40 cent de aflevering en de betalingsvoorwaarden zijn zóó, dat men voor 13 cent per week dezen geheelen Bijibel in bezit kan krijgen. Deze uitgave verdient aller belangstelling !
Een klein boekje Waarom Gij niet gelooft en wat wij u te antwoorden hebben, geschreven door ds. J. A. Tazelaar, predikant te Rotterdam en uitgegeven door J. H. Kok te Kampen, werd op onze leestafel gelegd. De inhoud is : vijftig bedenkingen tegen godsdienst, Bijbel, Kerk en geloof weerlegd. Een populair boekje, dat ingaat op bedenbingen tegen ons christelijk geloof, die men telkens hoort, en dat goede diensten kan doen bij verspreiding op breede schaal. Waar de heer Kok in den laatsten tijd (we staan in het teeken van de Evangelisatie !) reeds tal van brochures, tractaatjes, enz., gaf, daar is dit geschrift van ds. Tazelaar een mooie aanvulling. Men leze dit boekske en geve het in handen van hen, die meenen, dat voor 't christelijk geloof en dat voor de Kerk de tijd voorbij is. 't Kan misschien dwalenden nog tot zegen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's