Uit de Pers.
De leege wieg.
Uit Frankrijk komen telkens berichten, die ons moeten ontstellen vanwege de roekeloosheid die daar gevonden wordt. Zoo lazen wij dezer dagen b.v. dat mevrouw Sembat, echtgenoote van het overleden Socialistisch Kamerlid van dien naam, haar man niet heeft willen overleven en zelfmoord gepleegd heeft. Zij was een schilderes, die vele jaren tot de getrouwe exposanten van het Salon der Onafhankelijken behoord heeft.
Is het niet treurig, dat men zóó met het leven omspringt ?
Tegelijk toen we bovenstaand treurig bericht lazen, kwam ons een stukje uit het blad van den Chr. Nat. Werkmansbond „De Voorzorg" onder de oogen. Er stond boven de leege wieg en luidde aldus :
Sinds 1911 is de bevolking van Frankrijk met ruim twee millioen verminderd.
Voor een deel is daaraan de groote oorlog schuldig doch nog meer het Neo-Malthusianisme.
Het Fransche volk is door deze volkszonde bezig zichzelf te vermoorden.
Reeds drie jaar geleden riep Clemenceau uit : Geef ons moeders, doch thans komt er een noodkreet uit Parijs.
Het sterftecijfer overtreft in Frankrijk het geboortecijfer met 20.000, zoodat op deze wijze het land elk jaar een stad verliest.
Als dit uitmoordingsproces op deze wijze doorvreet dan daalt Frankrijk, dat eens heel Europa beheerschte, af tot een tweede of derde rangs natie.
Met droefheid zien de leiders in Frankrijk dit aan.
Het officiëele Frankrijk weent tegenwoordig bij de leege wieg.
Worden er echter tranen gestort van berouw over de verwoestende volkszonde, die in haar gevolgen een leege wieg en op den duur lichamelijk en geestelijk vermoorde moeders geeft ?
Wel neen, het zijn tranen van spijt, omdat verminderd zielental dreigende achteruitgang en machtsverlies in de toekomst beteekent.
Dit zal echter de moederarmen niet vullen met levenskrachtig kroost.
Hier is alleen beterschap te wachten, wanneer men terugkeert van het kwaad, tot een waar berouw over de zonde en een eerlijk streven naar verbetering.
Wat Frankrijk met ondergang bedreigt, is zelfs erger dan wat in Rusland gebeurt.
Ook daar de leege wieg tengevolge van den schrijnenden nood, waardoor duizenden kinderen ontijdig sterven, en met hen komt meermalen de moeder om.
Ook daar een leege wieg, omdat moeders in hongerwaanzin haar eigen kinderen verslonden. Hier is het echter een tijdelijk kwaad, dat met voldoend voedsel verholpen kan worden.
In Frankrijk heeft het kwaad echter geen tijdelijk karakter, en het is nog veel minder aan de economische omstandigheden te wijten.
Hier zit het kwaad in het hart des volks.
Hier baat geen geld, geen premie op moederschap en kindertal.
Wie de Neo-Malthusiaansche middelen toepast, is afgezakt van alle godsdienstige, alle hooge gevoelens.
Daarom moet een omzetting des harten voorafgaan, en een wederkeeren tot God en Zijn Woord, voordat betering te wachten is.
Daarvan is nog geen sprake in Frankrijk.
Het Fransche volk zoekt door dartele verstrooiing, genotzucht, en in het vrij spel geven der menschelijke neigingen, zich te troosten bij de leege wieg.
Na deze beschouwingen komen wij tot de vraag, met welken aanblik wij Nederlanders nu het Fransche volk mogen beschouwen ?
Moet het zijn met een blik vanuit de hoogte, van medelijden, of van schaamte ? Het eerste mag zeker niet het geval zijn, het tweede zou passend zijn, doch ook dit kan niet onvermengd geschieden, omdat de toestand, zooals die in Frankrijk is, ons een blos van schaamte op de wangen drijft, wanneer wij zien dat ook het hier meer genoemd kwaad in eigen volksboezem voortkankert. Ook hier is het ontzettende kwaad der bewuste kinderbeperking doorgedrongen.
De cijfers wijzen het hier ook uit, al is het, Gode zij dank, niet zoo verschrikkelijk als in Frankrijk.
Ons, vanouds om zijn degelijkheid geroemde volk, begint Frankrijk na te volgen. Zelfs in christelijke kringen neemt zienderoogen het geboortecijfer af.
Dus ons past niet een Farizeesche vingerwijzing naar het uitstervende Frankrijk.
Maar hier dient gewezen op dezen gruwel der verwoesting, als een Goden menschonteerende en verdervende zonde.
Daarom halen wij tot besluit met volle instemming aan wat in het „Getuigenis" van de laatste Generale Synode der Gereformeerde Kerken werd gezegd :
Zelfs moet, helaas, worden gevreesd of niet sommigen onzer zich bezondigen aan de schandelijke praktijken van het z.g.n. Neo-Malthusianisme, welke toch inhouden dat alleen een verachting en verwerping van den huwelijkszegen, en een ondermijning der volkskracht, maar ook een opzettelijk vergrijp aan 't heerlijk werk des Scheppers en aan de heiligste ordeningen door Hem voor het natuurlijk leven gesteld een opening van den weg voor de ongebondenheid en een weerhouding der uitbreiding van Christus' Kerk in den weg des verbonds."
Lijkverbranding.
Over Lijkverbranding gaf prof. dr. F. W. Grosheide in het „Noord-Holl. Kerkblad" het volgende artikel:
Er wordt ons gevraagd iets te schrijven over lijkverbranding.
We willen dat gaarne doen.
Vooreerst is in onze provincie de zaak thans weer aan de orde. En in het algemeen neemt het aantal lijkverbrandingen toe. Telkens weer lezen we in de bladen na het sterven van een meer of minder bekend man : De crematie zal plaats hebben dan en dan.
In de tweede plaats zijn er ook in onzen kring, die, zooal geen voorstander der lijkverbranding, meenen, dat men er toch niet bepaald tegen behoeft te zijn.
Men redeneert dan ongeveer aldus :
Zeker, er is een tijd geweest, dat de ongeloovigen pleitten voor lijkverbranding, omdat zij weigerden te gelooven aan de opstanding des vleesches. Ze wilden door verbranden van het lichaam die opstanding onmogelijk maken. Maar, zoo zegt men, dat is toch in den grond der zaak bespottelijk. De Schrift leert, dat de zee hare dooden weergeeft. Alsof dan degenen die verbrand werden, niet zouden opstaan! Neen, dat heele ongeloofsargument kan vervallen.
Wanneer men thans lijkverbranding aanbeveelt, doet men het om andere redenen. Vroeger werden de dooden begraven in de kerken of op kerkhoven om de kerken. Men heeft dat nagelaten, omdat de gezondheid der omwonenden schade leed. Vandaar is men de kerkhoven gaan aanleggen buiten de bebouwde kommen. Maar in het algemeen, een kerkhof scheidt vaak schadelijke dampen af. Besmetting kan voorkomen. Dat alles is niet het geval na lijkverbranding. Dan wordt ongeveer alles verteerd. En men kan die verbranding zelf even plechtig laten geschieden als de plechtigste begrafenis. En dan een derde argument.
Men zegt, in de aarde verbrandt, verteert het lichaam ook. Doch langzaam en door tal van afzichtelijke insecten. Waarom datzelfde proces niet verhaast ? Is het dan niet schooner aandenken aan een geliefden man of vrouw, te weten, dat het lichaam op de meest eervolle wijze spoedig tot asch, dat is toch ook tot aarde, is gebracht, dan te denken aan hetgeen zich afspeelt in het graf ? Denk aan uw eigen lichaam. Acht ge het een begeerlijk iets, dat aan dat vleesch, dat ge nu koestert en verzorgt, straks de wormen zullen knagen ? Staat vertering door de vlammen u niet beter aan ?
Wij moeten deze opmerkingen niet maar zonder meer wegwerpen, doch overwegen of er andere dingen van meer belang tegenover te stellen zijn
En dan beginnen we met dit op te merken. Er staat in de Schrift niet een bepaald verbod, dat de lijken niet verbrand zouden mogen worden. Daarmee is tweeërlei gezegd. Vooreerst dat we niet met één volkomen overtuigende, alle tegenargument verslaande redeneering de lijkverbranding kunnen veroordeelen. En in de tweede plaats, dat we niet kunnen zeggen, dat lijkverbranding onder alle omstandigheden te veroordeelen is. 't Kan voorkomen na een veldslag of bij een schrikkelijke, plotseling opkomende epidemie, dat het onmogelijk is de lichamen der gestorvenen te begraven binnen den tijd, dat het wenschelijk is dit te doen. Wij meenen, dat in zulke gevallen — maar dat zijn ook uitzonderingsgevallen — lijkverbranding noodzakelijk en geoorloofd kan zijn.
Laten we nu nagaan, waarom we de lijkverbranding als Christenen veroordeelen. Daar is een sterk argument, ontleend aan de geschiedenis van de Christelijke Kerk. Toen de Christelijke Kerk haar intrede deed in de Grieksch-Romeinsche wereld, vond ze daar de lijkverbranding. Te Rome b.v. werden de lichamen der aanzienlijken na hun sterven op den brandstapel gebracht. De lijken van slaven en armen werden op verachtelijke wijze in massagraven, groote putten, geworpen, zooals nu bij den bouw van huizen enz., nog wel eens worden ontdekt. De Kerk nam van de Joden de gewoonte over om te begraven. Dat was te Rome geen kleine zaak. Men moest er ten koste van ontzaggelijk veel geld en moeite de catacomben voor aanleggen. Maar men heeft er niet tegen opgezien.
Leest men in de geschriften der oudere Kerkvaders, dan vindt men, dat ze in het begraven der lijken zien een belijdenis. Waarom ze de 'lichamen niet verbrandden, zeggen ze niet met zooveel woorden. Maar ze zeggen wel, dat ze daarin van de heidenen onderscheiden willen zijn en volgen de gewoonten, die bij de vromen van alle tijden in gebruik zijn geweest.
De begrafenis der lijken op eervolle wijze is daarom een specifiek christelijk gebruik.
We spreken wel eens over de christelijke grondslagen, de christelijke beteekenis van ons volksleven.
En we betreuren het, dat daarvan al meer verloren gaat. Welnu, dat hebben we ook bij de lijkverbranding. Men keert daarmee terug naar het heidendom en verzaakt, wat door de christenen van den beginne af tegenover het heidendom is gedaan en beleden.
En dat deden ze toch terecht. Let slechts op de aanwijzingen, die de Schrift ons geeft.
De Schrift leert ons, dat het niet onverschillig is wat er met de lichamen gebeurt. Een ezelsbegrafenis, is een straf van Godswege. De Schrift plaatst zich allerminst op het standpunt, dat de mensch na zijn dood toch niet merkt, wat er met hem geschiedt en dat het er dus niet op aankomt. Ze vraagt eer voor het lichaam, ook na het sterven, gelijk ook de christenen het immer verstaan hebben, gelijk zelfs de menschen in het algemeen het nog verstaan. Ze bewijzen niet zelden aan den doode de eer, die ze aan den levende hebben onthouden.
Maar de Schrift doet meer. Ze laat ons zien, dat bij het volk van God begraven de juiste wijze was om met het gestorven lichaam te handelen.
Van verbranding der lijken is nooit sprake. Sterk spreken echter vooral twee feiten. Vooreerst wat er geschiedde na het sterven van Mozes.
De Heere heeft Mozes op buitengewone wijze laten sterven. En toen Mozes' einde gekomen was, stond, laat ons het zoo eens mogen uitdrukken, God zelf voor de vraag, wat er met het gestorven lichaam van Mozes gebeuren zou.
Wij lezen : En Hij begroef hem in een dal in het land Moabs, tegenover Beth Peor, en niemand heeft zijn graf geweten tot op dezen dag.
Geen monumentaal graf, maar een graf.
Meer nog zegt het graf van Christus.
Ook hier een beschikking van God zelf. Maar een beschikking Gods, waarbij het er op aankwam Christus in Zijn vernedering al het waarachtig menschelijke te laten ondergaan.
Het graf van Jezus beslist dan ook voor ons.
We zeiden boven, dat de oude christenen begroeven zonder met zooveel woorden te zeggen, waarom ze het deden. Maar één ding blijft merkwaardig. In een der catacomben rondom Rome vindt ge een graf, dat bedoelt een getrouwe nabootsing te zijn van Jezus' graf. Dat toont, waaraan ook de oude christenen dachten.
Laten wij niet terugkeeren naar het door hen bestreden en in de mogendheid des Heeren overwonnen heidendom !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's