Ingezonden.
SOMMELSDIJK, 17 Jan. '23.
Mijnheer de Redacteur,
Na veel over het kerkelijk vraagstuk te hebben gelezen in ons Bondsorgaan, zijn bij mij eenige vragen gerezen, die ik gaarne zag opgenomen en beantwoord, en ik mag met vrijmoedigheid zeggen, die vragen leven niet alleen in mijn, maar in veler hart, dergenen die onze Kerk liefhebben en dat met woord en daad bewijzen. Onrust heeft mijn hart vervuld, want als we ons niet vergissen, gaat het een verkeerden kant uit. De mensch wil, volgens mijn inzicht, treden in de plaats van God (evenals ten tijde der doleantie). Wel weet ik, dat we niet stil mogen zitten, maar we moeten toch ook niet vergeten, dat de zegen van Boven komen moet ; tegen den Heere is overtreden op de erve onzer vaderen, daarom is die straf over onze Herv. (Geref.) Kerk gekomen, gelijk we daar nu getuigen van zijn. En waar men nu weer over modus vivendi en dergelijke dingen gaat spreken, om zoo een deel van onze Herv. (Geref.) Kerk af te scheiden en de Kerk zelve, die onder Gods oordeel in zoo diep verval verkeert, dan wil loslaten, vraag ik : is dat het doel van onzen Bond ter verbreiding en verdediging van de Waarheid ? En is het werk van onzen Bond niet zichtbaar gezegend, terwijl méér zegen zich laat aanzien, als niet alles ons bedriegt ? Waarvoor nu naar andere middelen gezocht ? Zijn die beter ? Doen we niet beter op dezen ingeslagen weg voort te gaan, opdat onze gereformeerde beginselen hoelangs hoe meer veld winnen ? Ik weet, over zoo'n idéé wordt wel eens minachtend gesproken, vooral door hen, die zich reeds afgescheiden hebben en door hen die op 't punt staan zich af te scheiden. Maar is de Heere niet meer almachtig ? En zegt Hij ons niet, dat we in den middellijken weg moeten voortgaan, bemoedigd door de zegeningen die Hij ons uit genade nog schenkt op de erve onzer Vaderen? Op 't oogenblik kunnen we niets dan lawaai maken en over allerlei dingen gaan spreken en schrijven ; maar we kunnen niets uitrichten dan alleen, als 't te erg wordt, er uitgeworpen worden. Is de modus vivendi wel een goed middel tegen de kwaal waaraan onze Herv. (Geref.) Kerk lijdt? Want als ik het goed heb begrepen, dan zou elke richting een deel krijgen van onze Kerken, ook diegenen, die in onze Kerk niet thuis hooren (want ze is toch de Herv. (Geref.) Kerk, zij 't dan, dat zij krank is). Volgens mijn idéé kan izooiets alleen, wanneer we liet begrip Kerk heelemaal loslaten en van onze Herv. (Geref.) Kerk zeggen, dat ze ook in beginsel geen Kerk meer is. Maar als dat zoo is, waarom zouden we er dan nog langer in blijven ?
Doch neen ! Zij is nog de Herv. (Geref.) Kerk met het Woord en de sacramenten en de belijdenis. Wel is zij ernstig krank en in groot verval. En is nu ons doel niet, in die Kerk op te komen voor de belijdenis en onder biddend opzien tot den Koning der Kerk alom tot die belijdenis terug te roepen en uit te drijven, wat met die belijdenis in strijd is ? Wij willen toch niet een Geref. Kerk los van de Hervormde Kerk ? Het is ons juist om die Hervormde Kerk te doen, omdat de Heere er recht op heeft en omdat ook de belijdenis daar recht heeft. Die de belijdenis verwerpen hebben er geen rechten. En wel hebben we ze moeten dulden door overmacht, maar al worstelende zullen we overwinnen, en het is Isrels God, die krachten geeft.
Ik dank U, Mijnheer de Redacteur, voor het mij vergunde plaatsje.
EEN ABONNEE EN BONDSLID.
Onderschrift van de Redactie :
Toen ds. Woelderink, van Randwijk, ons een plaatsje vroeg voor zijn artikelen, waarin over een modus vivendi gesproken wordt, hebben we daaraan gehoor gegeven. Waarom ? Omdat 't probleem van de oplossuig van het kerkelijk vraagstuk aan de orde is en we dan gaarne vernemen hoe geestverwanten over dit vraagstuk denken. Wij hebben onze bezwaren tegen een modus vivendi, principiëele en practische bezwaren, doch dat neemt niet weg, dat, we gaarne naar iemand luisteren die kalm en waardig de kwesties weet uiteen te zetten. Natuurlijk moet dan plaats over blijven voor bezwaren. Want als er menschen zijn, die met een modus vivendi komen, en dan van meening zijn, dat daar niets tegen in gebracht mag wor den, dan moeten we van zulke menschen niets hebben ! Maar als de dingen op ernstige wijze zakelijk aan de orde worden gesteld, dan luisteren we er graag naar, wikken en wegen de dingen dan nog eens en voelen bij vernieuwing wat moeilijkheden er aan de oplossing van het kerkelijk vraagstuk vastzitten.
De houding van den Gereformeerden Bond en van „De Waarheidsvriend" is in deze intusschen tot nog toe geweest: kalm en rustig voortgaan met de verbreiding van de gereformeerde Waarheid; bevorderen dat er jneer gereformeerde predikanten komen ; er op aansturen, dat we een eigen, gereformeerde professor krijgen en intusschen, wanneer de gelegenheid daarvoor is, meehelpen, dat we met onze Kerkinrichting meer in de lijn van onze gereformeerde belijdenisschriften komen. En we zijn het met onzen vriend uit Sommelsdijk eens, daarbij heeft de Heere onzen arbeid niet ongezegend gelaten.
Natuurlijk zouden ook wij het nog wel héél anders willen hebben in onze Hervormde (Geref.) Kerk. Maar toch is er reden om den Heere te danken, dat het nog gaat zooals het gaat. Waarbij we er allen van overtuigd zijn, dat we in ernstige tijden leven waarin veel, héél veel gebeuren kan. En dan eens met elkaar te praten, ook bij verschil misschien van inzicht, kan geen kwaad. De Heere doe er genadiglijk nog iets goeds uit geboren worden !
M. V. G.
Modus Vivendi?
Hooggeachte Redactie,
Het spijt mij, dat in de stukken van J. G. W. te R. zoo duidelijk aangestuurd wordt op den weg van een modus vivendi, waaronder ik versta een uiteenrafelen van onze Herv. (Geref.) Kerk. Als het nog eens dien kant uitging — wat ik niet geloof — dan zouden er drie, vier, vijf groepen komen, waarbij zelfs degenen die elkaar het naast staan, niet eens bij elkaar zullen willen wonen. Natuurlijk niet. Want als men toch aan 't splitsen en deelen is, waarom mag de splijtzwam dan niet vrij werken, vooral in dezen tijd van sterk, ongezond individualisme ; nu zelfs de eene gereformeerde niet bij den anderen gereformeerde wonen kan ? Men krijgt dan, gewild of niet gewild, boedelscheiding en na loven en bieden, gaat groep A hier en groep B daar wonen, waarbij het met onze Herv. (Geref.) Kerk gedaan is en in hopelooze verwarring de voorbereidingen gemaakt worden tot nog grooter verwarring, waarbij bij velen openbaar zal worden dat alle kerkelijk bewustzijn vèr te zoeken is. Als men maar eenmaal uit elkaar is, met of zonder de dubbeltjes, dan ziet men elkaar nooit weer — ook niet die elkaar het naast staan —en heele groepen hier, en elders zijn voor het gezonde, gereformeerde kerkelijk samenleven verloren.
Ik dacht, Mijnheer de Rédacteur, dat onze Gereformeerde Bond van zoo 'n uiteenrafeling van onze Herv. (Geref.) Kerk niets wilde weten en van boedelscheiding — wat aan een sterfhuis herinnert — niet gediend was ? Ik meende, dat we een ander ideaal hadden. Een ideaal des geloofs, hopende tegen hope in ; om zonder conflicten uit te lokken, zonder modus vivendi of boedelscheiding, de gereformeerde Waarheid te verdedigen, de gereformeerde Waarheid te verbreiden en alzóó mee te werken, dat, onder de gunste Gods, de Herv. (Geref.) Kerk weer uit haar diepen val mag worden opgericht, om hoe langs hoe meer weer het hoofd op te richten en te staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden des volks.
„Confessioneele koek in Geref. Bondspapier" ? heeft iemand gezegd.
Neen, Mijnheer de Redacteur, wij hebben niet het ideaal van de Confessioneelen — het is zoo dikwijls reeds in „De Waarheidsvriend" door U zelf geschreven — dat héél het volk zoodoende straks in het midden van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk zal samenwonen en ook niet het ideaal, dat we héél de Kerk kunnen behouden als straks het gereformeerd beginsel in de gemeenten, in de classes, in de provinciën weer meer tot eere mag komen. Van ons volk zal een deel, een groot deel wellicht, zich niet laten vergaderen.
Ds. Woelderink en U hebben dat, ieder op zijn manier onlangs zoo overduidelijk nog weer eens geschreven en daarmee ben ik het geheel eens, ook met ds. W. Van de Herv. (Geref.) Kerk zal een deel, wellicht een groot deel, afvallen, als meer en meer het gereformeerd beginsel doorwerkt in stad en dorp. Maar we zijn ook nooit opgetrokken onder de leuze : heel het volk en heel de Kerk ; omdat we onszelf en anderen niét wat wilden wijs maken, tegen beter weten in. Doch onze leuze is toch óok nooit geweest : laten we den boel maar deelen en dan maar uit elkaar gaan, zooals de familie uit elkaar gaat als de laatste in het ouderlijk huis gestorven is.
Het zou mij leed doen, Mijnheer de Redacteur, wanneer deze dingen verwarring kwamen stichten in het midden van onzen Gereformeerden Bond. Want daar hebben we geen behoefte aan. Vooral nu niet, nu de Vrijzinnigen hoe langs hoe meer in moeilijkheden komen en duidelijker hun plannen openbaren om heen te gaan ; waarbij hun oog nu aanstonds is gericht geworden op de helpende hand van die gereformeerden, die voor een modus vivendi zijn. Dat zijn in het oog van de modernen degenen die geprezen moeten worden! Maar dat hebben wij in onzen Gereformeerden Bond niet noodig. Wat wij noodig hebben is stille arbeid des geloofs met erkenning van de zegeningen des Heeren, die Hij ons bij dezen arbeid schenken wil. Onze Gereformeerde Bond begint hoe langs hoe meer het vertrouwen te krijgen. Wij gaan vooruit in stad en dorp. Héél de Kerk weet, dat wij er voor strijden, dat het gereformeerd beginsel, in onze kerkelijke belijdenisschriften te vinden, tot eere mag komen. Laten we ons nu houden aan ons program, aan ons statuut en ons ideaal en laten we ons nu niet laten afvoeren op zijpaden. Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is, weet, dat men met de Hervormde Kerk wat voorzichtig moet zijn. We kunnen beter den homoeopaath dan den operateur gebruiken op 't oogenbli'k. Voor operaties is de hartslag wat zwak, naar mijn oordeel !
Met dank voor de plaatsing en U in alles de leiding des Heiligen Geestes toewenschend, teeken ik
EEN BONDSDOMINEE.
Jan. 1923.
Onderschrift van de Redactie : We zullen hier niet herhalen, wat we boven reeds als onderschrift hebben gegeven. Onze Collega kan genist zijn. We zoeken met elkaar naar den besten weg en intusschen werken we rustig door in overeenstemming met onze Statuten. Laten de gedachten op deze wijze maar eens openbaar worden. Er valt van elkaar nog wel wat te leeren, al is 't noodig om 't roer niet vaste hand te sturen en 't scheepje niet telkens uit de koers te laten uitslaan bij allerlei dwarrelwinden die zooveel scha kunnen doen.
M. V. Grieken.
Mijnheer de Redacteur,
In het (voor)laatste nummer van „De Waarheidsvriend" hebt U een ingezonden van ds. J. A. ten Bokkel Huinink betreffende de Doopkwestie te Numansdorp opgenomen. Waar door Z.Eerw. ook mijn naam genoemd wordt, verzoek ik U vriendelijk nu van mij de verklaring te plaatsen, dat het niet juist is, dat ik. de Voorzitter van het Bestuur der Herv. (Geref.) Evangelisatie, in eene conferentie met ds. ten B. H. en den Burgemeester zou gezegd hebben, dat de strijd hier niet meer gaat om het beginsel, doch om den persoon van den heer Heemskerk. Waarschijnlijk heeft de hardhoorigheid van ds. ten B. H. hem parten gespeeld. Want op de vergadering, op initiatief van den Edel-Achtbaren heer Burgemeester van N. tot stand gekomen, werd mij door ds. T. B. H., Voorzitter van den Kerkeraad, gevraagd, wat de voorwaarden waren, waarop de menschen van de Evangelisatie tot de Kerk wilden terugkeeren. Aan de Evangelisatie werd dus 't recht gegeven door den Voorzitter van den Kerkeraad om de voorwaarden, tot terugkeer, mee te deelen. En toen is door mij als punt 1 genoemd : „uit en thuis met den heer Heemskerk." Toen de Voorzitter daarop antwoordde, dat dit geen beginsel doch 'n persoonskwestie was heb ik direct daartegen aangevoerd dat Z.Eerw. heel goed wist, dat de Evangelisatie alhier op een bijzondere wijze was tot stand gekomen en dat er i!u ook bijzondere maatregelen zouden noodig zijn om de Evangelisatie op te heffen ; en dat, om de verdere bespreking vruchtbaarder te doen zijn, één van de bijzondere voorwaarden op den voorgrond werd gesteld. Daar kon dan over gesproken worden, waarbij het wel aanstonds zou blijken, dat het niet allereerst en uitsluitend een persoonskwestie was, maar in en rondom den persoon een beginselkwestie, waarover noodzakelijk met den Kerkeraad moet worden gehandeld, 'k Heb mij daarbij aanstonds tot den heer Burgemeester gewend en hem gezegd, dat hij mij zeer zeker wel zou begrijpen, dat bij bizondere handelingen ten opzichte van personen een zeer gewichtige zaak, een beginselzaak, den doorslag kan geven, b.v. het kan voorkomen dat een Burgemeester 50 of 60 menschen bij elkaar ziet en ze rustig laat staan, terwijl hij misschien op een anderen tijd 10 menschen, die bij elkaar staan, beveelt uit elkaar te gaan. Niet omdat hij 10 menschen niet wil zien en 50 of 60 menschen wèl. Maar omdat er achter personen heel iets anders kan zitten. De heer Burgemeester stemde mij dat aanstonds toe en ds. ten B. H. kan dit alles niet zijn ontgaan. Maar dan is nu zijn conclusie : 't is geen beginselkwestie meer, maar een persoonskwestie", ook heelemaal verkeerd en ik begrijp eigenlijk niet hoe Z.Eerw. nu zooiets kan en durft schrijven. Worden zoo de dingen niet bedenkelijk scheef getrokken ? Neen ! wij hebben de beginselkwestie en de kerkehjke kwestie niet prijs gegeven om niets anders over te houden dan een persoons kwestie.
Gelukkig weten vele lezers van „De Waarheidsvriend" wel anders en beter. Maar een dergelijke verklaring van Z.Eerw. kan weer misverstand wekken en daarom wilde ik bovenstaand even mededeelen. Ware ds ten B H. de vergadering van 30 October 1922 maar aangevangen, waar nu zijn stuk mee eindigt, n.l. om voor den Heere onze schuld te belijden om dan biddend de hand aan den ploeg te slaan, opdat Sions muren nog niet verder worden afgebrokkeld ! Dan waren we wellicht in de goede richting gekomen. Want ja, het is zoo makkelijk om te schrijven : „dat wil de Evangelisatie niet." Maar de werkelijkheid is heel anders !
Komt, ds. ten B. H. en Kerkeraad van Numansdorp, doet, zooals het Bestuur der Evangelisatie gedaan heeft, betuigt Uwe instemming met een onpartijdigen eereraad ; en als Gij zoozeer van Uw goed recht in dezen overtuigd zijt, onderwerpt U dan aan de uitspraak.
Met vriendelijken dank voor de plaatsing.
J. J. NIJSEN,
Numansdorp, Jan. 1923. Voorzitter Herv. (Gerer.) Ev.
Reorganisatie of Reformatie.
Mijnheer de Redacteur,
Nu de bespreking van het kerkelijk vraagstuk weer volop aan de orde is en van rechts (helaas !) en van links (begrijpelijk !) de Modus vivendi weer aan de orde gesteld wordt, zou ik ook gaarne in aansluiting van hetgeen vroeger reeds in „De Waarheidsvriend" geschreven is, iets zeggen en wel over Reorganisatie of Reformatie.
Mijn bezwaar tegen de zoowel in vroeger dagen (afscheiding en doleantie) als heden gevoerden strijd is dit, dat ze op individualistische wijze wordt gevoerd. Het zijn personen en vereenigingen en bonden die arbeiden aan de reorganisatie of reformatie van onze Herv. (Geref.) Kerk (ik zeg liever Kerken dan Kerk, daar de Ned. Herv. Kerk het geheel is, niet van zooveel duizend lidmaten of leden, maar zeer stellig het geheel is van de plaatselijke Kerken !) waarbij de eigenlijke machten door Christus ingesteld, n.l. de Kerkeraden, vaak werkeloos blijven. En toch zijn het de ambtsdragers — doch niet als personen, maar samen uitmakend den Kerkeraad — die verantwoordelijk zijn en die hun verantwoordelijkheid op geen besturen of wie ook kunnen afschuiven. Door de desorganisatie van 1816 belemmerd in de uitoefening van haar taak, zijn zij het, (n.l. de Kerkeraden), die allereerst hebben te arbeiden aan de reorganisatie der Kerk, inplaats van allerlei particulieren, vereenigingen, bonden, enz., — al kunnen vooral vereenigingen en bonden veel, heel veel goeds doen in deze tot opwekking, enz.
De Kerkeraden zullen zich met elkaar op officieuse wijze in verbinding moeten stellen en zij zullen moeten komen tot officieuse Classicale Vergaderingen op den grondslag van de belijdenis der Kerk, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid, om te komen tot onderlinge voorlichting, zonder zich echter op het terrein der Classicale Besturen te begeven en ook niet de tactiek volgend om tegen een of ander reglement op te zetten met het consigne van weigeren of iets dergelijks.
Een Christus-loochenaar op den kansel toe te laten en tegelijk bezwaar te maken eenig geld voor de Modernen te moeten betalen, is niet met elkaar in overeenstemming. Trouwens dien kant moeten we ook niet uit, daar we niet een repetitie in 't klein moeten krijgen van de doleantie van 1886. Dan stond de beweging van 1834, toen het niet om geld, maar om hooge geestelijke belangen ging, hóóger, hoewel men ook toen m.i. verkeerd is opgetreden, wat ik overigens heel goed verstaan en billijken kan.
Officieuse Classicale Vergaderingen zou ik willen hebben van de genabuurde Kerkeraden, die staan op den grondslag van de belijdenis, waar een inleiding of referaat zou kunnen worden gehouden (geen leerrede), opdat de opzieners der Gemeente des te beter hun roeping zouden leeren verstaan, terwijl ook allerlei zaken van opzicht on tucht en hulp verleenen zouden kunnen worden besproken ; ook over kerkelijke Zending zou kunnen worden gehandeld (waarbij een aantal Kerkeraden uit één Classis-of uit meer Classicale ressorten saam een Zendingspost voor hun rekening zouden kunnen nemen). Op deze wijze zouden Gereformeerden en Confessioneelen elkaar wellicht kunnen ontmoeten, beter leeren kennen en meer leeren waardeeren. De officieuse Classicale Vergaderingen kunnen dan commissies benoemen (liefst de afgevaardigden van een paar genabuurde Kerken : dus geen personen, maar Kerken) om de Kerkeraden, die niet vertegenwoordigd waren te overreden zich aan te sluiten — natuurlijk op den grondslag van Schrift en belijdenis.
Voorts worden er afgevaardigden benoemd voor de Prov. Synodale vergaderingen, waar de belangen van de Kerken in de provincie worden behartigd en ook commissies worden benoemd om de niet vertegenwoordigde Classes op te wekken tot medewerking en om in de Moderne gemeenten Evangelisaties in het leven te roepen, terwijl er de afgevaardigden worden benoemd voor de officieuse Generale Synodale Vergadering ; van welke vergadering de leiding zal moeten uitgaan bij den grooten kerkelijken strijd tot reorganisatie of reformatie der Kerk, met een flinke organisatie in héél de Kerk achter zich.
Ziedaar hoe ïk mij Mijnheer de Redacteur, de organisatie dacht.
(In gemeenten waar de Kerkeraad modern is zij 't aan een commissie opgedragen, namens genabuurde Kerken, Evangelisaties in 't leven te roepen ; van het Bestuur zouden dan een of twee afgevaardigden met adviseerende stem zitting kunnen hebben op de officieuse Classicale Vergadering).
Ik zou dus niet alles ineens overhoop willen halen en niet beginnen met allerlei warnesten en conflicten jagerij. Onze Kerk (Kerken) zijn aan zoo weinig gewend !
Maar het komt mij voor, dat op de manier hierboven aangegeven, wel iets te doen is, waarbij de Gereformeerde Bond den stoot zou kunnen geven.
Laat het dan niet op 't kleinst en op 't smalst worden ingericht, maar op de basis der belijdenis, zoo breed mogelijk.
Bij behandeling van onderwerpen denk ik ook aan onderwerpen als vrouwenstemrecht, doopkwesties, de vraag naar N. Test. liederen en de liturgische diensten, jeugdkerk en jeugd-ouderling, enz. enz.
Met dank voor de plaatsing, met de meeste hoogachting. Uw broeder in Christus,
A.
F. A.
Onderschrift van de Redactie :
Wij hebben geen tijd op 't oogenblik om de vorige jaargangen van „De Waarheidsvriend" op te slaan. Maar ons Register wijst b.v. aan, dat in 1916 ('t moet in de maand Juni ongeveer zijn geweest) ook over officieuse kerkelijke vergaderingen in ons blad geschreven is, waarop later is gereageerd en wat ook in de vergadering van het Hoofdbestuur toen is besproken.
Wij voelen — gelijk we vroeger reeds te kennen gaven — heel veel voor deze dingen. We ontveinzen ons de moeilijkheden niet. Maar de moeilijkheden zijn er om ze te overwinnen.
Wij hopen, dat het mogelijk zal blijken, dat we, op den grondslag van de belijdenis, tot zooiets kunnen komen. Wat ook voor de kwestie „Evangelisaties" een goede oplossing zou zijn. Er zijn streken in ons vaderland, waar op deze wijze nog wel iets gedaan kon worden ; alsook voor kerkelijke Zending.
M. v. GRIEKEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's