Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Hoofdstuk IV.
Daar kwam het rammelgerij van Koen : nu zou Paul spoedig weten, wat hij te doen had.
Zoodra de jongen zijn baas eenigszins kon opnemen, merkte hij, dat de man goed had verdiend ; want hij was aardig beschonken. Hij hoorde 't ook aan de zware spraak. „Kom maar op den wagen !"
„Kom maar op den wagen !" De jongen nam plaats naast Koen, en moest terstond de teugels overnemen, want den baas vielen de oogen toe. Doch als ze een kwartiertje gereden hadden, scheen Koen in eens klaar wakker te zijn.
„Hoh !" zei hij, en terstond bleef het paard staan.
„Jongen, 't eerste huisje daar woont de voerman Knodde. Loop jij daar even naar toe en zeg, dat ik er nog een gulden bij zal doen, en als hij met het bod tevreden is, zeg dan, dat ik van avond het paard zal halen."
„En als hij 't er niet voor doen wil Koen ?
„Zeg dan maar aan Knodde, dat hij een oliebol is, een koffieboon — —" „Maar als hij 't er voor missen wil " „Hêh ? "
„Als hij 't er voor doen wil, kunnen we dan het paard maar niet dadelijk meenemen ? "
„Hêh? Watte? — Meenemen? Nou? Nee, we moeten 't bij nacht halen !"
't Zal dan weer een beestje zijn, dacht Paul en liep op een drafje naar 't hem aangeduide huis, terwijl Koen doorreed en even verder op hem bleef wachten.
De jongen kwam spoedig terug met de boodschap, dat Koen het paard kon halen voor den laatst geboden prijs. Hij nam nu plaats in den lompen langen wagen en toen reden ze huiswaarts.
„Heb je 'm gezien ? '-„Wie, Koen? " „De knol."
„Nee, want Knodde was vóór op zijn land : daarom was ik zoo gauw weerom."
„Jammer, jongen, jammer ! 't is zulk een mooi paard. Maar vannacht zal je 't zien. Een zeldzaam fleurig beest! Zeldzaam, zeldzaam !" •
Paul antwoordde daarop niet, want hij geloofde het niet.
„Hêh ? — Heb je wel eens paard gereden ? "
„Nee, Koen !" „Dan mag j'er van nacht .op. Je kunt dan paardrijden leeren, zoo goed als in de manege op een hobbelpaard."
„Ze zeggen, Koen ! dat je op een gezadeld paard veel gemakkelijker rijdt dan op een ongezadeld."
„Hêh ? Watte ? — Wie zegt dat ? Dan zul jij vannacht op een gezadeld paard rijden !" De man sloeg den jongen joviaal op den schouder en zei :
„Je zult het toch zoo. goed bij me hebben! — Hoe oud ben je al ? " „Tien, Koen !"
„Tien, Koen !" „Hêh ? Tien ! — zóó, tien, — stel je voor! — tien jaar en al bij nacht op een gezadeld paard ! Dat overkomt niet iedereen." „Kan j'er niet afvallen. Koen ? "
„Watte ? — Afvallen ? Heb jij nog ooit van je lange leven een ding gezien, waarvan je niet kunt afvallen ? Maar wie ter wereld gaat nou op een ding zitten, staan of liggen om er af te vallen ? Jij bent toch niet dronken ? "
„Nee Koen, maar ik meen : Kan het paard niet omvallen ? "
„O, meen je dat ? — Dat is nog al geen slechte gedachte van je. Zeker, mijn jongen, alle dingen kunnen omvallen. Maar zie je — en leer dat nu van Koen, van je baas, want je zult veel van me kunnen leeren — zie je, als je denkt, dat een ding zou kunnen omvallen, dan haal je dat bij nacht. Want een ding — hêh ? — een ding, dat omvalt, is nooit van eerste kwaliteit grondstoffen gefabriceerd, of 't is uit den haak, of de spijkers zijn verroest of zoo iets. Hêh? begrijp je dat ? Geef er goed acht op, wat ik je leer. Maar zie je, de menschen moeten het niet weten, dat een ding omvalt : zooiets haal je daarom bij nacht. — Watte? —• Dan leg je er een zadel op, knijpt je oogen toe, je zet je recht, houdt je aan de manen vast, je verbeeldt je, dat dat de teugels zijn en je rijdt als een heertje !"
„Maar Koen, als het paard nu toch eens omvalt, en dan midden in den nacht !"
„Als — als ? — jij bent toch niet dronken ? "
„Nee Koen." „Hêh ? — als — als — dat is dronkemanspraat. Hoe oud ben je ? "
„Tien, Koen ! — of misschien wel elf !" „Tien — zoo ? — Een man van tien jaar behoort te weten, dat als een paard valt, en a1s het dan van glas was, dan viel het in honderdduizend millioen gruzelementen. Je kent me zeker niet ? "
„Zeker Koen, je bent Koen van Hilda !" „O, zoo ? Koen van Hilda ! — Maar dan behoorde jij te weten, dat Koen van Hilda geen glazen paarden koopt. Als Koen een paard koopt, dan mag het in brokken neervallen, want dan verkoopt hij huid en bonken nog altijd voor meer dan het heele paard hem kost. iHêh ? begrijp je dat ? Je bent nog jong — hoe oud ben je ? "
„Tien of elf. Koen ! — En misschien wel twaalf."
„Watte ? Tien ? Blijf jij tien ? Jij bent altijd tien. Maar je zult nog veel van mij kunnen leeren. En van nacht, zoodra Koen van Hilda betaald heeft, zal de knol mij tot heer en meester hebben, en dat zal hij weten, en heel gauw weten, dat, als hij zal willen omvallen, hij mij dan eerst om permissie heeft te vragen !"
„Maar als ik er dan opzat. Koen ? "
„Dat verandert aan de permissie niks, mijn jongen. Ik zal een paar latten meenemen, van nacht, — om den ouwen te schoren, zoodra hij het in zijn kop mocht krijgen, om te willen omvallen !"
„Zou j'er zelf op durven. Koen ? " „Waarop 7" „Op 't paard !"
„Ikke ? Wel gruttegrauw, waarom niet ? Al lei hij dood over den weg dan durfde ik er nog wel op. Maar ik gun jou toch ook wel eens een pleiziertje !"
Paul kon het maar niet met zich zelf ééns worden, of hij vannacht zou durven paardrijden of niet. Hij had er wel zin in ; als 't paard maar niet omviel. Wat Hilda er wel van zou zeggen !
„Koen, heb je wel eens gehoord, dat alle dieren pooten hebben, maar dat een paard beenen heeft ? "
„Hêh ? — wie zegt dat ? " „Dat zei laatst Klaas Hemke, die bij de dragonders gediend heeft."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's