Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
,, Zoo, zei die dat ? — Zeg jij dan aan Klaas Hemke, dat ik gezegd heb, dat hij een uil en een oliebol en een koffieboon is. Ik verzeker je, dat het meer dan onbetamelijk is, om de dingen, waarop zich dat rammelend geraamte vannacht zal voortbewegen of omvallen, om die lompe stijve boomstammen beenen te heeten. Zie je — en dat kan je nu van Koen leeren — je hebt paarden en paarden. Maar ik heb van heel mijn leven geen dingen verhandeld, waarvan de onderlagers, fondamenten, pilaren, stutten, schragen, of welken eerlijken naam je anders aan een stel van vier bolwerken zoudt willen geven, beenen konden geheeten worden. Dat kan je aan Klaas Hemke zeggen en hem verder de verzekering geven, dat hij volkomen gelijk heeft, want dat ik zelf bij de rijdende infanterie gediend heb".
,, Hêh ? — In elk geval niet op een geit of konijn ; maar dat weet ik nog goed van den dienst dat de rijdende infanteristen uit zelfrespect meestal spreken van beenen, doch de sergeants en korporaals noemen dezelfde voorwerpen liefst pooten. Dat zul je zelf ondervinden, als j'er inloot en niet afgekeurd wordt wegens gebrek aan eetlust".
Tot aan huis toe spraken ze samen over paarden, en Paul kwam nu van Koen te weten, hoe je kon maken, dat een kreupel paard gedurende korten tijd, bijv. zoolang het aan de markt stond, niet kreupel liep.
Toen Paul het paard uitgespannen en in den stal gebracht had, begon hij terstond aan zijn werk. Zoodra het donker was en hij in huis kwam, vroeg hij Hilda, of zij wel op het paard van Knodde zou durven zitten van nacht.
„Bij nacht liever dan bij dag". „Waarom, Hilda ? " „Omdat dan niemand het zou zien, als ik er af viel".
Koen hing al op zijn stoel te slapen. Paul zat ook wel met de oogen toe, doch sliep niet : hij dacht aan zijn chocolade en broodje. Nu zou hij 't nog maar niet geven, want ze moesten slapen omdat ze tegen middernacht op weg zouden gaan om 't paard te halen. En terwijl hij nadacht over den geschiktsten tijd, om Koen en Hilda met zijn heerlijke gaven te verrassen, geraakte hij ook buiten Westen. Doch zoodra had de slaap hem niet te pakken, of hij droomde, dat hij te paard zat. In eens schokte hij wakker. „Viel j'er al af ? " vroeg Hilda.
„Ja !" — zei hij en dutte terstond weer in. Alleen de vrouw bleef wakker en zat kousen te stoppen. Tegen elf uur schonk ze koffie in en wekte de beide slapers.
„'t Wordt tijd hoor! Koffie en brood staan klaar !"
De slapers wreven hun oogen uit, dronken hun koffie, aten een paar sneden brood en trokken dan heen.
Even vóór middernacht kwamen ze bij Knodde, waar 't licht nog brandde, en man en vrouw op hun stoel zaten te slapen. Die waren spoedig gewekt ; het paard werd uit den stal gehaald, Koen betaalde en — vroeg om een zak met wat hooi. Toen gingen ze,
„Voorzichtig, voorzichtig ! — zei Koen, die het paard aan 't halster voorttrok — langzaam aan ! hij moet het loopen nog leeren !"
't Ging zeer langzaam : 't was of het oude beest bij lederen voetstap eerst moest overleggen, welke spieren hij in werking had te stellen, en daarna hoe, en óf hij 't wel zóu doen. Toch was het paard eindelijk, eindelijk door Knodde's hek'; de man ging naar zijn bed, en Koen zei :
„Paul jongen ! je moest maar een beetje duwen, anders zal de zon hoog aan den hemel staan eer we thuis zijn".
„Ik zou liever helpen trekken. Koen !" „Hêh ? Watte ? — Jij bent zeker bang, dat hij achteruit slaat. Maar trekken zou je ook niet meevallen : als hij eens begon te steigeren, was je je leven niet zeker I"
Eindelijk, eindelijk kwamen ze van 't mullige laantje op den harden grindweg.
„Zie zoo — zei Koen — nu heeft hij vasten grond onder de voeten. Nu zullen we gauw thuis zijn".
Maar 't paard bleef hier stilstaan. En of ze hem duwden of trokken, sloegen of aaiden, 't hielp alles niets.
„Dan moet je nu maar in 't zadel, jongen I" zei Koen, legde den zak met hooi op den scherpen rug van 't jpaard, sloeg dien tot een zadelvorm en zette Paul daarop.
„Houd je maar aan de manen vast. Zie zoo ! Nu vooruit!"
Waarlijk, daar ging het zaakje ! Paul reed paard, in 't zadel ! Hoe heerlijk ! En wat klipperklapten die hoeven over den weg ! Alles zoo echt, zooals hij anderen had zien en hooren paardrijden.
„Nu jongeheer, wat zeg j'er van ? Gaat dat niet mirakelsch ? "
„Prachtig, Koen ! Ik wist zelf niet, dat ik zoo goed kon paardrijden. Je moet goed durven, dat is zeker het beste, is 't niet, Koen ? "
„Dat is altijd het beste, jongen ! — Jij hebt beslist aanleg voor de rijdende infanterie bij de rustende schutterij met groot verlof".
„Is dat hoog, Koen ? " „Hêh ? Hoog ? En je bent nu al hooger dan een generaal op sokken te voet !"
„Generaal, is dat hoog, Koen ? " „Nog hooger dan korporaal !"
Paul dacht terstond aan een koetsiersbaantje later bij Virginie of Ferdi.
„Koen, zou ik wel koet--------------------
Wat deed het daar wonder ! Wat een allerzonderlingst gevoel was dat! 't Duurde maar twee, drie seconden, 't Was of in eens de heele wereld, met Koen en boomen en al, twee el omhoog ging, en dat hij alleen, op 't paard, op zijn plaats bleef.
De werkelijkheid was echter, dat de wereld op haar plaats bleef, maar dat Paul op den grond terecht kwam. Want het paard zeeg langzaam neer, den kop omlaag, de voorpooten (of beenen) knielend, zoodat Paul met zak en pak, bijna ongemerkt, over den nek heengleed en zittend op den zak vlak vóór den kop van 't paard terecht kwam.
Doch Koen was bijderhand : met de halstertouwen sloeg hij het oude beest zóó tegen den bek, dat het weer overeind kwam.
„Hêh, gelukkig. Koen I dat hij weer overeind staat ; want wij alleen hadden hem niet weer op gekregen".
„Ja, ja, maar hij had ook geen permissie gevraagd !"
„Hij moet maar even rusten. Koen 1 Hij was zeker te moe !"
„Dat is het. Hij is 't niet gewend, zoo'n zwaren kerel te dragen. Als je plan hebt, om paardrijder te worden, moet je niet meer zoo veel eten".
Na een poosje rust zetten ze de reis weer voort, voetje voor voetje. Koen en Paul trokken met al hun macht elk aan een halstertouw, en zoo voortscharrelend langs den eenzamen stillen weg in 't holste van den nacht, overlegde Paul of hij al dan niet nog meer van de rijkunst wilde leeren. Hij scheen nog al spoedig tot beslissing te komen : hij voelde trouwens nog iets van die allerwonderbaarlijkste duizeling van zooeven, toen de wereld twee el omhoog was gekomen.
„Koen, zal ik je wat zeggen ? "
, , Als 't maar niet wat raars is, want ik ben 's nachts gauw bang".
„Koen, ik wil nooit weer paardrijden, nooit ! Dan zou ik hem nog maar liever willen duwen".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's