Stichtelijke overdenking.
„En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam." Matth. 24 vers 39a.
„Totdat...."
Ontzettende tijd, waarheen we in deze woorden door den Heere Jezus in den geest worden teruggeleid.
De woorden Noach en zondvloed, ze roepen voor den geest een tijdsgewricht, zooals zelden of nooit op aarde is waargenomen.
Als we de oorspronkelijke geschiedenis zooals die ons in Genesis 6 vermeld staat, nagaan, dan kunnen we het daar lezen: „de boosheid des menschen menigvuldig op de aarde en al het gedichtsel zijns harten te allen dage alleenlijk boos."
En verder: „maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde, was vervuld met wrevel."
Al wat er opwelde uit het hart des menschen was gruwzaam en goddeloos. En de mensoh holde maar voort op den weg, die hem voeren zou in de armen van den eeuwigen dood.
„En de Heere zeide: Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem."
„Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren."
En onderwijl deze „door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde" bouwde aan de ark des behouds, was hij tevens een prediker der gerechtigheid om het dezen goddeloozen aan te zeggen dat het hun kwalijk zou gaan, indien ze op dezen heilloozen weg bleven voortgaan.
Maar helaas, hoe zorgeloos : „ze bekenden het niet."
O neen dat lag niet aan dien prediker. Met wolk een vuur en ernst zal hij aan zijn tijdgenooten het recht des Heeren gepredikt hebben. Hoe zal zijne stem als een bazuin weerklonken hebben: „menschenkind bekeert u, want waarom zoudt gij sterven."
En zij? „Zij bekenden het niet."
Zij verwierpen het woord van Noach, neen, het Woord des Heeren. Dit deden ze: ze aten, ze dronken, trouwden en werden ten huwelijk gegeven. Ze leefden voort op dezelfde wijze als ze dat al jaren gedaan hadden en gingen voort op denzelfden gevaarvollen weg.
Ondertusschen bouwde Noach onverdroten voort en sloeg zijn gereedschap in het goferhout. Alles „in het geloof" naar het Woord des Heeren.
En zij? Ze zagen het aan. Maar bekenden het niet. Misschien zijn er wel onder hen geweest die Noach hielpen bij zijn werk. En wellicht heel veel die hem hebben uitgelachen en zijn werk bespot.
Maar die arbeid ging tóch door, ja naderde reeds zijn voltooiing en daarmede naderde tevens het vreeselijk oordeel Gods. Doch het scheen wel dat hoe meer dat oordeel naderde, des te meer zij zich verhardden en te onbekeerlijker zij werden.
Totdat — totdat het einde van den predikdienst van Noach onder hen daar was.
„Daarna zeide de Heere tot Noach: „Ga gij en uw gansche huis in de ark." Maar „zij bekenden het niet." Nóg niet. Geen stem van Noach drong meer tot hen door. Geen vermaningen, geen waarschuwen meer. Geen getuigen meer zijnerzijds door prediken en bouwen. Zijn laatste waarschuwing was gedaan in het „ingaan in de ark." Maar „zij bekenden het niet." Nóg niet. Nog een laatste week van uitstel. Lankmoedig is de Heere en groot van goedertierenheid.
Maar helaas „zij bekenden het niet totdat — totdat de maat vol was, „totdat de zondvloed kwam". Totdat „de fonteinen des grooten afgronds werden opengebroken en de sluizen des hemels werden geopend.
Toen moesten ze het „bekennen" of ze wilden of niet. En het werd een wilde vlucht naar de toppen der heuvelen en de hoogten der bergen. Hoe zullen ze alle krachten hebben ingespannen om dat ontzettende te ontkomen. Hoe zullen ze tot Noach hebben geroepen. Hoe zullen ze tot den Heere hebben geroepen, dien Noach hun gepredikt had.
Maar vreeselijk dat „totdat". Totdat de zondvloed kwam. Want met dat „totdat" kwam tevens het „te laat."
Met dat „totdat" nam de tijd der genade voor hen een einde.
En Noach met de zijnen dreven weg in de ark der behoudenis.
Geen ander ontkwam. De wateren vviessen en wiessen. Vijftien ellen boven de hoogste bergen.
„Al wat een adem des geestes des levens lin zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was is gestorven." De zondvloed, het oordeel Gods „dat hen allen wegnam."
Daar ging het in vervulling: „dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt. Mijne hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte; En gij al Mijnen raad verworpen en rnijne bestraffing niet gewild hebt; zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt."
Wij leven in een tijd van velerlei en ontzettende roepstemmen. Het eene oordeel volgt op het andere. Het eene wee is nog niet weggegaan, of het andere dreigt al weer te komen. Allen Noachsstemmen, neen Godsstemmen: „o menschenkind bekeer u, want waarom zoudt gij sterven."
En dan het Woord des Heeren waarin zoo menig „totdat" ons ernstig waarschuwt voor het eeuwig „te laat".
En dan die getuigen onder de menschenkinderen, die Noachs, die naast hun getuigen, door het geloof in Christus behouden zoeken te worden, die strijden om in te gaan, wetende dat Jezus Christus als de eenige ark der behoudenis, alleen zal kunnen redden wanneer het „totdat" zal komen, wanneer Hij wederkomen zal om het oordeel, het vonnis te voltrekken.
En zij? De wereld. Men lacht er om, men spot ermede. Is het niet met woorden dan toch met daden. Moest er niet lang reeds zijn verootmoediging onder de krachtige hand des Heeren?
Maar helaas „zij bekennen het niet." Let maar eens op, hoe men zich kleedt, wat men eet en drinkt, hoe men trouwt en ten huwelijk gegeven wordt. Let maar eens op de leege kerken en de tjokvolle schouwburgen, bioscopen en wat er al meer van die tenten der goddeloosheid worden uitgedacht.
En wie geen vreemdeling is in hetgeen er voorvalt in de groote wereld, die moet het vaak bekennen: zoo zal het geweest zijn vóór den zondvloed.
En behalve al die zorgeloozen en goddeloozen en werelddienaars, en duivelsslaven, anderen die wel acht slaan op het bouwen der ark, en misschien zelfs wel ijverig medebouwen, d.w.z. medearbeiden in het koninkrijk Gods, den weg zoo goed weten, maar helaas ook zij bekennen het niet. Geen ware behoefte des harten om behouden te worden in de eenige ark der behoudenis, Jezus Christus. En dan de „rijken en verrijkten" die straks met Noach en de zijnen, met de kinderen Gods meenen te zullen ingaan, maar helaas ook zij, - „zij bekennen het niet".-Ze hebben zizh een arkje getimmerd van allerlei deugden en plichten, wat niet bestand zal blijken te zijn tegen het oordeel, het gericht des Heeren.
Want voor allen is er een „totdat". Totdat de dood komt en met den dood het oordeel en mét het oordeel de vloed van Gods eeuwigen toorn en verbolgenheid.
Oordeelen zullen op aarde blijven komen, het een na het andere als vreeselijke roepstemmen Gods totdat het eindoordeel als een ontzettende vloed zal aanstormen.
En Gods Woord zal blijven roepen, want „hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geens zins voorbijgaan, totdat de bazuin zal klinken.
En de uitverkorenen Gods zullen blijven getuigen, door hun woord te midden van een krom en verdraaid geslacht en door hun strijden om in te gaan totdat de laatste is toegebracht tot de Gemeente die zalig wordt.
En wee die het niet bekennen zullen totdat die „vloed" komt.
Weet gij dan niet, onbekeerde mensch dat gij buiten de ark, buiten Christus omzwerft?
Onbekeerde mensch, zult gij u zelf den dood slapen en het eerst bekennen uwe oogen eerst openen als Gods toom als een zondvloed op u zal afkomen ?
Onbekeerde mensch zult gij dan nog even verhard blijven en het niet beginnen te bekennen vóór dat het te laat is?
Hoe vreeselijk als straks dat „totdat" voor u komt en geen rechtvaardige Noachs u meer zullen waarschuwen, maar zij veilig en wel wegdrijven in de ark des behouds, naar de woorden van eeuwige gelukzaligheid en voor u de deur gesloten.
Maar heerlijk voor u, volk des Heeren als dat „totdat" komt.
Tot zoolang wordt gij geroepen te getuigen, te vermanen, te waarschuwen, te wijzen op de eenige ark des behouds Jezus Christus.
Tot zoolang wordt gij geroepen te bouwen in de mogendheid des Heeren, te arbeiden, te strijden, te worstelen, te verdragen totdat - ja ook voor u is er een totdat, totdat de dageraad zal opgaan, van een nieuwen dag, waarop nooit geen nacht meer zal volgen.
Leksmond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's