De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

10 minuten leestijd

De Kerk.
I.
Daar is al wat over geschreven ! En geen wonder. Want de Kerk is toch al mee het voornaamste van 't geen voornaam is op aarde.
Wat hebben wij nu onder de Kerk te verstaan ?
Het oorspronkelijke woord voor Kerk — in 't Grieksch — is „Kuriakè" en dat staat in verband met Kurios, 't welk den Heere Jezus Christus bedoelt aan te wijzen. Kerk is dus : wat des Heeren is; wat Jezus Christus' eigendom is.
Die Kerk wordt ook genoemd ecclesia of gemeente. En ecclesia wil zooveel zeggen als : vergadering van geroepenen. Nemen we dus die twee woorden Kuriakè en ecclesia bij elkaar, dan krijgen we dus, dat met Kerk bedoeld wordt : de vergadering van geroepenen, die Christus' eigendom zijn. 't Is het huisgezin des Heeren, waarvan Jezus Christus het Hoofd is.
Vandaar dat men ook niet spreken kan van een Joodsche Kerk ; want de Joden verwerpen Christus en daar kan dus geen Kerk zijn. Men spreke van Joodsche synagoge, maar niet van Joodsche Kerk !
Nu doet zich bij de Kerk weer een onderscheiding voor in strijdende en triomfeerende Kerk.
Die onderscheiding is wel te begrijpen. Want met de strijdende Kerk wordt bedoeld de Kerk, zooals zij hier op aarde gezien wordt en die nog in den strijd is. Het is de Kerke Gods, die onder Jezus Christus als haar Hoofd en Heere, strijdt tegen allerlei vijanden van binnen en van buiten ; welke strijd niet zal ophouden vóór dat de Heiland op de wolken verschijnt en deze bedeeling een einde zal nemen, met de uitwerping van satan en alle goddeloozen in het eeuwige vuur.
Met de triomfeerende Kerk wordt bedoeld de vergadering der verlosten in den hemel, die daar reeds de overwinning vieren.
_Naast deze onderscheiding van strijdende en triomfeerende Kerk, waarover doorgaans geen moeilijkheden zijn, hebben we eene andere onderscheiding nog en wel : de zichtbare en onzichtbare Kerk.
Daarbij denken we dan niet aan de triomfeerende Kerk, maar aan de strijdende Kerk die hier nog op aarde is. Daarin onderscheiden we dan: de zichtbare en de onzichtbare.
Wat we dan met de zichtbare Kerk bedoelen ?
De zichtbare Kerk is de vergadering van hen, die belijden geloovigen te zijn, met hun zaad, dat diensvolgens in de Kerk geboren is en als zoodanig gerekend wordt tot de Kerk te behooren.
De zichtbare Kerk is dus de Kerk des Verbonds ; de wijnstok met vruchtbare, maar ook met onvruchtbare ranken, die door den Landman op Zijn tijd worden weggenomen ; het huis, waarin zonen en dienstknechten zijn, doch waarvan de zonen eeuwig blijven, doch de dienstknechten uitgeworpen zullen worden. (Joh. 8 vers 35).
Die zichtbare Kerk is dus de vergadering van degenen, die belijden te gelooven en die zichtbaar is voor een ieder, door haar kerkelijke organisatie en door haar instellingen, als : haar ambten, haar bediening des Woords en der Sacramenten, haar kerkelijke vergade­ringen, haar belijdenis, haar Kerkorde.
Die Kerk is zichtbaar door de kenbaarheid van haar leden als zoodanig.
Daarnaast en daarbij spreekt men nu gewoonlijk van de onzichtbare Kerk ; en daarmee bedoelt men dan de Kerk als de vergadering van al de ware geloovigen en van die alleen ; de wijnstok met alléén vruchtbare en geen onvruchtbare ranken ; het huis met alléén zonen en geen dienstknechten ; het ware en zuivere lichaam van Christus, zooals dit voor God bestaat ; die weet wie de Zijnen zijn.
Die Kerk is voor ons geen voorwerp van aanschouwen ; want wie zal ze met den vinger aanwijzen en naast elkaar zetten alle ware Christ-geloovigen, die uit den Geest geboren zijn ?
Die Kerk is voor ons niet kenbaar aan haar zichtbare institutie. Want in dien vorm is zij nog niet zichtbaar. Dat zal eerst dan zijn, als door Christus Zelf de rechtvaardigen zullen afgescheiden zijn en vergaderd tot eeuwige heerlijkheid.
Tot zoolang is die Kerk — het echte en zuivere lichaam van Christus — voor ons onzichtbaar.
In die zichtbare Kerk zal dus de onzichtbare Kerk zijn. Maar ze dekken elkaar niet.
Men heeft ze wel willen gelijk maken ; b.v. de Labadisten, die alleen maar degenen die bleken wedergeboren te zijn, wilden aannemen. Maar dat zal altijd wel onmogelijk blijken te zijn in deze tegenwoordige bedeeling. De gelijkenis van den wijnstok zal hier altijd wel van kracht blijven (Joh. 15 vers 1—7) en ook wat Matth. 13 vers 49 leert.
Weten wij dus niet, wie de uitsluitend bekeerden zijn en de uitverkorenen des Heeren zijn, waardoor dus ook nooit de zichtbare Kerk en de onzichtbare Kerk elkaar zullen dekken — wel is het Gods wil, dat de zichtbare Kerk zich zooveel mogelijk zal inrichten en voegen naar het Woord des Heeren.
De zichtbare Kerk heeft dus niet uit te maken, wie degenen zijn die zekerlijk behouden zullen worden en wie degenen zijn die zekerlijk verloren gaan, maar dat wil volstrekt niet zeggen, dat de zichtbare Kerk geen orde op de dingen heeft te stellen. Want dat moet zij zeer zeker wèl doen. Zij moet zich in haar organisatie, in haar instellingen, in de bediening des Woords en der Sacramenten, in belijdenis en Kerkorde, wel degelijk inrichten naar uitwijzen van Gods Woord, onder de regeering van Jezus Christus als haar eenig Hoofd zich stellend. Doet zij dat niet, dan verbeurt zij den naam van Kerk ; dan is zij niet het huis en het eigendom des Heeren.
De zichtbare Kerk mag dus niet dragen degenen die zich in haar midden met daad en woord betoonen onwillig te zijn zich te voegen naar Gods Woord en die weigeren Jezus Christus te belijden naar de Schriften.
Want al kan de Kerk tenslotte niet over het hart oordeelen, zij moet toch wel degelijk over belijdenis en wandel harer leden oordeelen.
Doet zij dat niet, dan valt zij zelf uit van haar hooge plaats als „huis des Heeren" en wordt zij een nagemaakte, een valsche Kerk, die de teekenen draagt van de moedwillige verwerping van den wille Gods en de onteering van Jezus Christus. Zoo'n Kerk stelt eigen wil boven Gods wil, eigen woord boven Gods Woord, eigen wet boven de wet van Christus!
De zichtbare Kerk zal dus te waken hebben, dat zij zich wèl aanstelt, naar uitwijzen van Gods Woord, nader ook uiteengezet in onze Gereformeerde belijdenisschriften.
Daarvan noemen we hier een en ander. De Kerk zal de kinderen in haar midden geboren, als het zaad der Kerk, als het zaad harer geloovige, belijdende lidmaten, hebben te erkennen. Die tot dat zaad behooren, heeft de Kerk niet alleen als wedergeboren te noemen en te roemen, niet alleen als leden der onzichtbare Kerk of bestemd om het te worden; want de Kerk weet, naar uitwijzen van Gods Woord beter ! Maar dat neemt niet weg, dat de Kerk allen die uit de leden der Kerk geboren worden, ook de verworpenen, als In het Verbond Gods begrepen hebben te beschouwen en alzoo een plaats in de Kerk hebben te geven. God Zelf. heeft ze in Zijn Verbond, krachtens hun geboorte uit geloovige ouders, 'opgenomen en daarom mag de Kerk ze niet, zonder meer verwerpen. Integendeel, zij heeft ze te doopen en ze als leden der Kerk op te nemen en ze alzoo te beschouwen.
Waarbij de Kerk dan tegenover de volwassenen een bizondere roeping lieeft van toezicht en keur. Want de volwassenen krijgen met den eisch van Gods Verbond te doen. En dat Verbond waarin zij opgenomen zijn, heeft zijn eischen; en de Kerk heeft over dat Verbond, met zijn eischen, te waken, opdat het Verbond Gods niet ontheiligd worde en de toorn Gods niet over de gansche gemeente ontstoken worde.
De volwassenen zullen zich dan ook naar de orde der Kerk en naar den eisch van Gods Woord hebben te voegen. Zij zullen de heilswaarheden moeten aanvaarden en in gehoorzaamheid aan de inzettingen van het Verbond Gods moeten wandelen en leven.
Natuurlijk kunnen ze dat dan in oprechtheid of in geveinsdheid doen. Dat kan de Kerk niet ontmaken. De geveinsden vormen dan dat „gezelschap der hypocrieten" waarvan de Belijdenis in artikel 29 spreekt : „die in de Kerk onder de goeden vermengd zijn en intusschen van de Kerk niet zijn." Maar zij moeten zich dan in belijdenis en leven aanstellen als oprechten: Zij zijn het wel niet, maar zij nemen toch den schijn aan. En daar kan de Kerk dan verder niets aan doen, 't welk de Heere Zelf ook voor Zijn rekening houdt, om straks in den grooten dag der dagen het kaf van het koren te scheiden. De verwijdering van die geveinsden door de Kerk, wil de Heere niet. (Matth. 13 vers 27). Ze zullen als onkruid met de tarwe mee opgroeien. Indien ze zich althans geveinsdelijk onderwerpen aan de inzettingen der Kerk, die Gods Woord eert en Christus als Koning erkent.
Wat de Kerk echter wèl doen kan en doen moet, dat is : allen die zich als ongehoorzamen aan Gods Verbond, als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, die moeten ernstig vermaand worden, van hun verkeerde wegen terug te keeren en zich te bekeeren tot God en zich stil te voegen naar de orde van Christus' Kerk.
En doen zij dat niet, dan moeten ze na getrouwe, ernstige, geduldige bearbeiding, uit het midden der Kerk verwijderd worden. „En doet dezen booze uit ulieden weg." (1 Cor. 5 vers 13b).
Eensdeels geldt dus: „Maar Hij zeide: Neen ! opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met ditzelve de tarwe niet uittrekt." (Matth. 13 vers 29), doch andersdeels geldt : de Christelijke Kerk is schuldig, naar de ordening van Christus en van Zijne apostelen, zulken (n.l. die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen), totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten. (Cat. Zondag 30) ; (Matth. 18 vers 14—18).
Zoo moet de Kerk dus heilig gehouden worden.
Men mag maar niet zeggen laat alles maar binnen en laat alles maar blijven, want men weet niet of het soms tot zegen kan zijn voor iemand het idéé dat ook aan de Volkskerk-gedachte voedsel geeft), want men mag niet van den geopenbaarden wil Gods en van de orde van Christus' Kerk afwijken, om zoogenaamd barmhartig te zijn over deze of gene.
Dat is niet 't geen de Heere van ons eischt.
De Kerk zal niet als heilsinrichting moeten optreden, maar heeft zich te openbaren in heiligheid als liet lichaam van Christus, als het huis des Heeren.
Want zeer zeker zal de Kerk van Christus zoovelen als maar mogelijk is, moeten zien te bereiken, maar zij mag daarbij haar wezen als Kerk van Christus niet gaan verloochenen, daar zij dan uitvalt van de plaats waar de Heere haar gesteld heeft en den ondergang nabij is. Dan komen er velen die zwak zijn en die krank zijn en die slapen (1 Cor. 11 vers 30) en de zegen der Kerk is dan weg, totdat zij weer terugkeert tot den Schriftuurlijken weg, die ons geteekend is door Paulus : „En dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars. Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus, " (Efeze 4 vers 11 en 12).
Natuurlijk moet de Kerk om zoo haar taak te kunnen vervullen, een zichtbare organisatie hebben. Anders kan zij niet blijven bestaan en niet werken.
Maar daarover een volgend maal.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's