De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Paul, jongen ! als je dat ernstig meent, dan verzeker ik je, dat jij nooit weer van een paard zult vallen".
Nu en dan werd er gerust : daarvoor zorgde het paard zelf ; maar de reis ging toch zóó vlot, dat, eer de zon aan den hemel kwam, het paard reeds in Koens weide liep, en de beide nachtridders in hun bed lagen.
Die nachtelijke tocht bleef den jongen lang in het geheugen, omdat hij altijd wist, waarom hij nooit weer wilde paardrijden en nimmer vergat hij het meisje, dat zoo schoon gezongen en hem gestreeld had.
Sedert hij die muziek en dat zeldzame lied van 't verstooten kind en den trouwen Vader had gehoord, voelde hij een tot nu toe ongekende leegte in zijn hart en was de behoefte aan liefde in hem wakker geworden.
Hij wist zich zoo arm en ellendig, nu hij had gevoeld, gehoord en gezien, dat er buiten hem en buiten zijn kring zooveel heerlijks was.
Van zijn jonge makkers had hij allerlei vertellingen gehoord, en sprookjes. Het meeste behagen had hij altijd in die ver­halen, waarin een geest of toovenaar aan de menschen voorstelde, om drie wenschen uit te spreken, die dan zouden vervuld worden. Als het verhaal geëindigd was, werd dan meestal onderling besproken, wat — indien nog eens zulk een geest kwam — men dan wel zou te wenschen hebben. Nu — nadat hij het lied van het meisje had gehoord — nu wist hij, welke wenschen hij gaarne vervuld zag, indien ooit iets of iemand hem die vervulling aanbood. Zooals Virginie te zijn, en zoo iemand tot een zuster of vriendin te hebben, en zooals de edele burgemeesterszoon te zijn, en den getrouwen Vader te kennen, dat was het, wat hij begeerde.
Hoewel hij het voor zeker hield, dat er nooit een geest of toovenaar bij hem zou komen — want zooiets gebeurde maar alleen in vroeger tijden — om hem aan te bieden, drie wenschen te vervuilen, troostte hij toch zich zelf met de gedachte, dat, als toch ooit die geest mocht komen, — als — dan wist hij, wat hij wenschen zou.

HOOFDSTUK V.
Weer was 't Zondagmiddag. Maar nu klonk er geen leeuwerikenlied van omhoog, geen krekelgezang uit het veld; de bijen keken naar 't boonenveld niet meer om, dewijl de bloesem tot vrucht was gerijpt. Heel de natuur vertoonde iets, als in den avond de moeheid van het kind, dat den ganschen dag heeft gespeeld, gedarteld, gehold en den langen voorbijgeganen dag niet terugwenscht; maar aangetrokken wordt naar de stemmige, rustige woonkamer, en toch — nog niet verlangt zich te ontkleeden en naar bed te gaan. 't Moede, 't afgedane was overal te zien in veld en wei en bosch, maar evenzeer den tegenzin om nu al zich van den zomertooi te ontdoen en zich te dwingen tot den langen slaap. Alles leefde nog, maar als de grijsaard, die niet gaarne terug wil op de afgelegde baan en toch ook nog niet van sterven wil weten, maar op alle manier het nog restend leven tracht te rekken.
De jongens van 't Hoogeind en van de Kruislaan hadden al lang overal te kust en te keur kunnen gaan om wat in 't begin van den zomer soms zoo ver gezocht was. In hun nabijheid was overvloed van ooft, wortels, knollen, paardeboonen en alles, waarop hun jongenshart belust was: Koen en Hilda's eigendom, zoo afgelegen, lieten ze met rust.
Paul stond in de bocht van zijn huis te wachten op zijn vriend met het roodzijden zakdoektipje op de borst. Nu was hij in de gelegenheid, eens een eindje met hem op te loopen en nader kennis met hem te maken. Hij had hem nu al veel Zondagen gezien, en ze hadden elkander immer vriendelijk gegroet, maar nog geen enkelen keer eens samen gesproken.
De weinige kerkgangers waren reeds voorbij en het roode tipje zou dus spoedig weer achter den hoek vandaan komen. En jawel. Mark Mons kwam te voorschijn. Paul ging hem tegemoet, al maar overleggend, wat hij zou zeggen om een praatje te beginnen. Als hij maar wist hoe de man heette dan zou 't veel gemakkelijker gaan. Want hoe moest hij hem toespreken.
En daar was de man al!
„Zoo mijn jongen! ben je daar weer? Loop je nu een eindje met mij mee? "
Mark stak hem de hand toe en Paul schudde dien lang, zooals de menschen het daar gewoon waren.
,,Als ik maar wist, hoe je heette!" waren 's jongens eerste woorden.
„Ik heet Mark Mons, precies als mijn vader en grootvader!"
„O, dan weet ik het wel: Mark Mons van Oldouwe: den ouwen en den jongen."
„Juist, en ik ben een zoon van den jongen Mark Mons. En hoe heet jij? "
„Ikke — Paul."
Ze liepen nu naast elkaar.
„Zoo? Paul? Dat is een mooie naam; en hoe heet je nog meer? "
„Nu heet ik Paul van Koen en Hilda." „Nu? — Je schijnt dan ook wel eens anders te heeten? "
„Ja, zie je, vroeger heette ik Paul van Sijmen en Duifje, en als Teun Dolle mij bij andere menschen doet, dan zal ik wel wéér anders heeten. Maar ik heet altijd Paul."
Mark Mons nam zich voor, naar 's jongens geschiedenis te informeeren. Nu moest hij zijn best doen, om hem mee naar de Zondagsschool te krijgen.
„Je woont hier zeker? " „Ja, hier bij de bocht, bij Koen en Hilda. En jij 1) woont in Oldouwe, waar sommige menschen van hier naar de kerk gaan."
1) Paul had in zijn wereld nog nooit iemand met u hooren toespreken.
„Ja; maar er gaan niet veel van Delberg; ga jij nooit naar de kerk? "
„Nee!" „Waarom niet? "
„Naar de kerk? — Koen en Hilda gaan toch ook niet naar de kerk! — Waar ga je altijd naar toe, naar Delberg, altijd Zondags? "
„Wou je soms met me meegaan? Ik zou je graag mee hebben. Ken je boer Kooijker? " „Ja zeker! — Ga je altijd naar Kooijker? Wat doe je er dan? "
„Zingen en vertellen." „Kan je mooi zingen? Wel zoo mooi als Virginie? "
„Ik zing niet alleen; heel veel jongens en meisjes zingen mee, en dat gaat mooi. Houd je van zingen? "
„Nou, als 't maar mooi is, zooals van Virginie! Maar niet zooals in de kroeg." „Kom jij dan wei in de kroeg? "
„Nou, vaak genoeg ! 'k Moet er toch zijn met Koen als hij biggen of varkens verkoopt!"
Mark Mons keek den jongen in zijn oprechte oogen en zeide in zich zelf: „.Arme stakkerd!" En hem vriendelijk op den schouder kloppend, zei hij:
„Je moest met mij meegaan, Paul! Dan zal je nog eens mooi hooren zingen van goede dingen. En dan zal je nog eens vertelsels hooren, zooals je nog nooit gehoord hebt. Houd je van mooie vertelsels ? "
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's