De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

20 minuten leestijd

De lijdensweken.
Heel het leven staat in het teeken van lijden. Dat is om der zonde wil alzoo geworden en dat zal zoo blijven tot het eind van de bedeeling dezer tijden.
Lijden was het leven voor Jozef, Job, Asaf, Jeremia.
Lijden de geschiedenis van het volk van Israël, dat, uit Egypte verlost onder de besprenging des bloeds, de woestijn door naar Kanaan ging.
Zoo werden zij met oog en hart getrokken op het lijden van Christus en de heerlijkheid die daarna volgen zou.
De vromen leefden daarbij.
Hun zielsoog werd geopend voor de gestalte van Hem, die geen gedaante noch heerlijkheid had, maar door Wiens hand het welbehagen des Heeren gelukkiglijk zou voortgaan.
In Christus is gekomen de groote lijdende Knecht des Heeren. Hij, de Profeet, grooter dan Mozes. De Hoogepriester, niet naar Aarons, maar naar Melchizedeks ordening. De Koning, die Davids zoon en tevens Davids Heer is,
De vromen van den Ouden Dag zagen op Hem en werden getroost. Geen Kroon dan na het Kruis; geen leven dan uit den dood. Door het lijden heen naar de heerlijkheid. „ïk weet, mijn Verlosser leeft", roept Job uit. En Jacob had beleden op zijn sterfbed : „op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere."
Toen moest Christus nog komen ; maar de vromen leefden bij de beloften; in welke het Verbond der genade, in den Verbonds-Middelaar vast lag.
Nu is Christus gekomen. En wij, die hem door genade mogen kennen in Zijn lijden als Middelaar des Nieuwen Testaments, wij zien op Hem terug.
Hij heeft geleden ; Hij heeft overwonnen.
Dat is te midden van het lijden dezes tegenwoordigen tijds de vertroosting van allen die den Heere mogen kennen, in het aangezicht van Jezus Christus. En terug ziende op Zijn lijden, niet als martelaar maar als Middelaar, zien wij naar Hem op, want Hij is thans met eere en heerlijkheid gekroond en als Hoogepriester-Koning is Hij gezeten aan de rechterhand van den troon der majesteit in de hoogste hemelen.
Daarbij is Satans kop vermorzeld.
De kracht van de hel gebroken.
Het lijden van den tegenwoordigen tijd is om der zonde wil. Maar zoo wij met Hem lijden, wij zullen ook verheerlijkt worden.
Het Lam, staande als geslacht, heeft overwonnen en wacht al de Zijnen in den hemel Zijner heerlijkheid. En Gods Koninkrijk zal in Hem eeuwiglijk staan met heerlijkheid.

De Kerk.
II.
Elke vergadering, elke vereeniging, elk huisgezin heeft noodig dat er orde en regel is. Zoo ook de Kerk, en dan wel een ordening of organisatie om den levensgang der Kerk, naar uitwijzen van Gods Woord, mogelijk te maken.
Natuurlijk geldt dat voor de zichtbare Kerk, zooals die zich hier op aarde in den loop der eeuwen vertoont, en denken we hier niet aan de onzichtbare Kerk.
Juist daar het alles dienen moet, om de Kerk te doen leven naar Gods Woord en Wet, moeten de beginselen der kerkelijke organisatie ook naar de Schriften zijn. De Kerk is niet des menschen, maar des Heeren.
Hoofdzaak van de organisatie der Kerk zullen dus wel door alle tijden heen de ambten en bedieningen moeten zijn, daar deze door Christus Zelf zijn ingesteld.
Dat laat zich al zien in de Oud Testamentische Kerk, met haar Goddelijke inzettingen van priester, offer, altaar, tabernakel en tempel. En ten opzichte van de Nieuw Testamentische Kerk lezen we in Efeze 4 vers 11 en 12 : „En Dezelve, (n.l. Christus) heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der Heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus."
Hieruit blijkt wel duidelijk dat de Kerk naar Gods ordinantie niet zonder ambten, sacramenten, eeredienst, kerkelijke vergaderingen, enz., kan. De Kerk is voor God gehouden in de wereld in geinstitueerden vorm op te treden en zóó zal het lichaam van Christus kunnen worden onderhouden en opgebouwd, onder beding van Gods genade. Dat heeft Paulus ook gevoeld, in alle plaatsen ouderlingen aanstellend. Titus 1 vers 5 : „Aan deze oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak voorts zoudt terechtbrengen en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb."
In dien weg kan alleen, naar Zijn eigen Woord, Christus' Koningschap openbaar worden en worden geëerd en zóó alleen kunnen alle dingen eerlijk en met orde — naar Gods Woord en Wet — geschieden.
Gelijk art. 30 van onze Ned. Geloofsbelijdenis „Van de Regeering der Kerk door Kerkelijke ambten" zegt :
„Wij gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke bediening, welke ons .onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord : namelijk, dat er Dienaars of Herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen ; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk, en door dit middel de ware Religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer haren loop hebbe ; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden ; opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij noodig hebben. Door dit middel zullen alle dingen in de Kerk wèl en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn en naar den regel, dien de apostel Paulus daarvan geeft in den Brief aan Timotheus."
Zie hiervoor ook Hand. 14 vers 23 : „En als zij hun in elke gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in welken zij geloofd hadden."
En Hand. 6 vers 3 en 5 : „Ziet dan om, broeders ! naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben ; en dit woord behaagde aan al de menigte en zij verkoren Stefanus —."
Die Kerk van Christus is één en heilig. De Apostolische geloofsbelijdenis — eiken Zondag onder ons voorgelezen! — zegt daarvan : Ik geloof één heilige, algemeene Christelijke Kerk."
Er is maar één Christus ; er is maar één Genadeverbond ; er is maar één Goddelijke wet en regel en dus kan er ook niet anders zijn dan één Kerk over de geheele wereld verspreid, door den Heere verkoren om als Christus' lichaam in deze bedeeling openbaar te worden onder de volken. Zóó is de Kerk overal, waar zij is, dezelfde, met dezelfde weldaden, voorrechten en goederen. Overal zijnde het bijzonder eigendom des Heeren, aan Zijn dienst gewijd, naar uitwijzen van Zijn Woord. We hebben geen Christus en geen Bijbel voor Nederland alléén, maar in Christus zullen alle volkeren der aarde gezegend worden en voor allen, die den naam van Christus noemen en door den Doop, als het teeken van het Genadeverbond, in de Kerk des Heeren zijn ingelijfd, geldt één Bijbel als 't Woord van God, dat eeuwig blijft.
Eén Kerk dus ; één heilige Kerk, Gode en Zijn dienst gewijd ; één algemeene Christelijke Kerk, met Christus als Hoofd ; één Kerk, welke zich voegt naar Gods Woord en leven moet in zichtbaren en in geïnstitueerden vorm, onder en organisatie welke bedoelt het leven der Kerk in elk land naar Gods Woord mogelijk te maken en daartoe leiding en hulp te bieden.
Niet dus, dat er in alle landen saam én Christelijke Kerk zou zijn als wereldkerk en dat in de onderscheidene landen dan stukken van die ééne werelderk zouden wezen, die samen één wereldorganisatie moeten hebben. Want dat is de bedoeling van onze Apostolische geloofsbelijdenis niet, als zij spreekt van ééne heilige algemeene Christelijke kerk. Daar zit in, dat elk land z'n eigen  Kerk heeft, als een werk van Gods Geest geworden, maar dat de Kerk van Christus een algemeen, interniationaal karakter heeft, omdat het Christendom wereldgodsdienst is door tijd noch plaats, door volk noch afstand, door rang noch stand bepaald.
Waarom de Kerk van Christus zich in de onderscheidene landen openbarend als vrucht van de prediking des Woords en de werking des Geestes, ook internationaal verband moet zoeken.
Zóó gelooven wij één heilige, algemeene of catholieke Kerk van Christus, bestemd en geroepen om zich onder alle volkeren uit te planten, waarbij wij, als Protestanten, den Roomschen het recht ontzeggen zich de Catholieke Kerk te noemen. Een zóó dwalende en van Gods Woord afwijkende Kerk, met haar traditie, pausdom, heiligenvereering, enz., mist het recht zich alzóó aan te dienen.
Die ééne heilige, algemeene Christelijke Kerk, over de geheele wereld verspreid waar het Evangelie verkondigd is en de naam van Christus genoemd wordt) is — we wezen er reeds op — uit den aard der zaak weer onderscheiden wat den uitwendigen verschijningsvorm aangaat. De taal is in het eene land anders dan in het andere land en de levenssfeer van 't éne volk verschilt nog al beduidend van die van het andere volk. Zeden en gewoonten, in Amerika in Duitschland, in Nederland, in Engeland, verschillen nog al ; en zoo kan het ons niet verwonderen, dat de Christelijke Kerk in Amerika en Nederland, wat haar verschijningsvorm betreft, nog al varieert. Ook zal door het feit van de zonde, helaas ! niet overal de openbaringsvorm en levenswijze van Christus' Kerk even zuiver zijn naar het Woond, hoewel dat Woord toch voor allen, hier en elders, het eenige kenbeginsel moet zijn ten opzichte van waarheid en goede orde.
Fransche Kerken hebben we, Engelsche Kerken, Hollandsche Kerken, enz. enz. Ook onzuivere, ja, zelfs valsche Kerken, die Gods Woord en Gods ordeningen hebben ingeruild voor eigen idee en lust en regel en zich daarin verzetten tegen Gods Waarheid.
Daarom moeten we voor de Christelijke Kerk hier, zoowel als in andere landen, noodzakelijk vragen : wat de kenmerken van de ware Kerk zijn ?
En dan hebben wij niet willekeurig een of meer kenmerken te stellen naar ónze vinding, zooals : traditie, pausdom, Mariavereering, beeldendienst, biecht, enz. enz. We hebben de vragen welke kenrmerken Gods Woord ons aan de hand doet en die Bijbelsche, Schriftuurlijke kenmerken hebben we aan te leggen, bij de vraag : Waar vinden we in Amerika, in Nederland, in Engeland, enz., de ware, meest zuivere Kerk van Christus? Er moest natuurlijk — ideaal genomen en niet rekenend met het feit der zonde in deze ondermaansche bedeeling — maar één Kerk zijn in Nederland ; één in Duitschland, één in Amerika.
Maar dat is nu eenmaal niet zoo en zal ook wel — gelet op het feit der zonde — nooit zoo worden in deze bedeeling.
En daarom juist moeten we, bij de verschillende kerkelijke gezindten als Hervormde-, Luthersohe-, Remonstrantsche-, Roomsche Kerk — wel ernstig vragen : Waar zijn de kenmerken te vinden die we, naar Gods Woord, noodzakelijk bij de ware Kerk van Christus hebben moeten ; en wij zijn voor God gehouden ons bij de ware Kerk te voegen en de éénheid der Kerk rondom Gods Woord én Wet zooveel mogelijk te bewaren en te bevorderen.
Een van de eerste kenmerken der ware Kerk van Christus in Nederland — of waar ook — vinden we in het leven naar en blijven bij Gods Woord. In de zuivere verkondiging van dat Woord en de eerlijke, oprechte beleving van dat Woord. Ook in het opkomen voor en het verdedigen en handhaven van dat Woord. Prediking, sacramentsbediening en tucht over leer en leven — krijgen we dus alzoo als de kenmerken, die bij de ware Kerk van Christus hier en elders niet mogen worden gemist.
Natuurlijik zal dat alles een verschillende nuanceering hebben in de verschillende landen, waar de geschiedenis des volks en de levenssfeer der natie zooveel verschilt hier en elders, maar in beginsel moet toch overal, waar de ware Kerk van Christus is, om de wille van Gods eer en eigen welvaren, in het bezit zijn van de zuivere verkondiging des Woords : de rechte bediening der sacramenten, naar de .instelling van Christus en de handhaving der kerkelijke tucht over leer en leven. Wat artikel 29 van onze Nederlandsche geloofsbelijdenis daaromtrent zegt geldt voor de Nederlandsche Kerk van Christus evenoed als voor de Zwitsersche, Fransche, Duitsche, Engelsche Kerk, enz. En naarmate de Kerken in de verschillende landen hierin meer of minder getrouw zijn, noemen we ze meer of minder zuiver ; en bij algeheele verbastering noemen we zoo'n ontrouwe, afgezakte en verbasterde Kerk niet meer de ware, maar de valsche Kerk. (Zie art. 29 Ned. Geloofsbelijdenis).
Zonder het Woord van God en zonder de zuivere verkondiging des Woords heeft de Kerk geen evangelie meer ; is zij geen Kerk meer.
Dat zeggen niet wij, maar dat heeft Christus zelf ons geleerd. In Johannes 8 vers 31 en 32 lezen we toch : „Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden : indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijne discipelen ; en zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken."
Dat geeft ons al genoegzame aanwijzing in deze, dat we het bezit van, het leven naar, het prediken van Gods Woord als eerste eisch stellen voor de ware Kerk van Christus en die Kerk die daar principieel, welbewust en hardnekkig van af laat, die verbeurt den naam van Christelijke Kerk !
Of lezen we niet in 2 Joh. vers 9, dat de Apostel zegt — en door hem de Heilige Geest — „Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet ; die in de leer van Christus blijft, die heeft beiden den Vader en den Zoon." En Joh. 15 vers 14 : „Gij zijt Mijne vrienden, zoo gij doet wat Ik u gebied."
Daar hebben we dus al de aanwijzing uit den momd van niemand minder dan Jezus Zelf, dat Zijn Kerk zich heeft te houden aan het Woord Gods, 't welk ons in het Oude Testament is geopenbaard — bij welke Schriften Jezus Zelf leefde — en aan het Woord Gods, dat door den Heiligen Geest als één geheel in de boeken des Nieuwen Testaments is geschonken. Neen —. „leerende leeringen, die geboden van m.enschen zijn" (Matth. 15 vers 9) is niet 't geen Christus Zijn Kerk aanbeveelt. Dat keurt Hij af. We zullen ons hebben te voegen naar „de leer van Christus", waarbij Paulus dan zoo ernstig zegt : „Ik bid u, broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernis aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt en wijkt af van hen." (Rom. 16 vers 17). Het lichaam van Christus moet dus allereerst in deze aan haar Hoofd gebonden, dat zij leeft bij Zijn Woord.
Zijn Naam moet men belijden ; Hem als Hoofd eeren ; Zijn Woord gehoorzaam zijn. Zóó moet het één lichaam zijn één Geest, geroepen zijnde tot ééne hoop der roeping ; „één Heere, één geloof, éên Doop — één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen." (Efeze 4 vers 4—6). „Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen." (Ef. 2 vers 20).
Met dat ééne veldteeken mag dus de Kerk van Christus maar optrekken, waar de strijd niet tegen vleesch en bloed gaat in deze wereld, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. (Efeze 6 vers 12). Eén vaandel, één levenswet, één waarheid, éên evangelie. „Maar het zij verre van mij, dat ik zoude roemen, anders dan in het Kruis van onzen Heere Jezus Christus." (Gal. 6 vers 14) en die een ander evangelie predikt — al was het een engel uit den hemel — die zij vervloekt.
O ja ! in den hemel zal dat, in het midden van de triumfeerende Kerk, bestaande uit enkel gezaligden, volmaakt heerlijk gevonden worden. Dan zal er geen Kanaaniet meer zijn in het huis des Heeren der heirscharen (Zach. 14 vers 21) en daar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt (Openb. 21 vers 27), evenwel zoo is de toestand hier beneden in het midden van Christus Kerk niet. En daarom moet er zooveel ernst gemaakt worden in deze. Gelijk Paulus schrijft aan Timotheus: „Opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid." (1 Tim. 3 vers 15).
Rome en de modernen moeten het dan ook weten, dat zij schuldig staan, doordat zij niet Gods Woord, Gods Woord geheel en Gods Woord alléén eeren ; gelijk ook de velerlei secten, die als paddestoelen uit den grond rijzen, wel naar den maatstaf van Gods getuigenis zelve door ons moeten worden getoetst. Hoort hoe onze Ned. Geloofsbelijdenis hierin spreekt en wel in artikel 29 : „Wij gelooven, dat men wel naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij ; aangezien .dat alle secten, die hedendaagsch in de wereld zijn, zich met den naam der Kerk sieren. Wij spreken hier niet van het gezelschap der geveinsden of hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn en ondertusschen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in dezelve zijn ; maar wij zeggen, dat men het lichaam en de gemeenschap der ware Kerk onderscheiden zal van alle secten, welke zeggen, dat zij de Kerk zijn.
De merkteekenen om de ware Kerk te kennen, zijn deze : zoo de Kerk de reine prediking des Evangelies oefent ; zoo zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk Christus dezelve ingesteld heeft ; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. In het kort : zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk de ware Kerk kennen ; en het staat niemand vrij zich daarvan te scheiden."
En verder zagt artikel 29 dan : „Aangaande de valsche Kerk, die schrijft aan zich en hare verordeningen meer macht en gezag toe, dan aan het Woord Gods en wil zich het juk van Christus niet onderwerpen, zij bedient de Sacramenten niet, gelijk Christus die in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk het haar goeddunkt ; zij grondt zich meer op de menschen dan op Christus ; zij vervolgt degenen, die heilig leven naar het Woord Gods en die haar bestraffen over hare gebreken, gierigheid en afgoderijen.
Deze twee Kerken zijn liohtelijk te kennen en van elkander te onderscheiden." (Wordt vervolgd).

Die oolijke N. Rott. Ct.
We hadden zoo gehoopt, dat niemand buiten onzen Bondskring er erg in zou krijgen, dat er bij ons moeilijkheden rijzen, als het gaat om een modus-vivendiplan. Maar jawel, die ooiijke Nieuwe Rotterdamsche Courant heeft het al heel spoedig opgemerkt en niet zonder leedvermaak constateert zij, dat de Gereformeerde Bonders niet zoo erg tuk zijn op zoo'n modus-vivendi-voorstel.
Dat valt de N. Rott. Cour. tegen. Als de Gereformeerde Bonders er nu eens vóór waren en de Confessioneelen zouden er ook voor gewonnen kunnen worden, dan zou het klaar zijn ; want de vrijzinnigen zijn haar reeds genegen.
Maar o ! schrik, nu blijkt het, dat de Gereformeerden er niet allen voor zijn en dat heeft „den Gereformeerden Bond ten opzichte van den modus-vivendi op het doode punt gebracht" — was de conclusie op Vrijdagavond 9 Febr. 1.1.
Een rouwdag voor de N. Rott. Cour. Maar een ongeluk komt nooit alleen.
Dat bewees Zondag 11 Februari d.a.v. Want toen kwam de N. R. Cour. met een tweede artikel over dezelfde zaak (de modus-vivendi schijnt de N. R. Cour. nog al aan te staan) en toen werd droef geconstateerd : Het schijnt dat het modus-vivendi vraagstuk ook de beweging van de Vrijzinnig Hervormden op het doode punt heeft gebracht.
Van den Gereformeerden Bond wordt het zeer stellig gezegd. Van de Vrijzinnig Hervormden met een vraagteeken.
En dan volgt verder : „Hoe de Ethische Vereeniging als zoodanig tegenover den modus vivendi staat, zal nog moeilijker zijn uit te maken dan dit reeds bij den Gereformeerden Bond en de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden het geval blijkt te zijn."
Dat ziet er dus niet zoo mooi uit. Dat had de N. Rott. Cour. nu werkelijk niet verwacht, dat er zich nog moeilijkheden bij de modus-vivendi-beweging zouden voordoen.
Die oolijke N. Rott. Cour. !
Misschien heeft zij een paar jaar geslapen. En niets gemerkt van 't geen er de laatste jaren tusschen Modernen, Ethischen, Confessioneelen, Kohlbruggianen, Gereformeerde Bonders is verhandeld in allerlei samenkomsten, conferenties, commissies, enz. enz.
Er heeft wel iets van in de couranten gestaan, ook in de N. Rott. Cour. Maar als men slaapt, dan leest men geen couranten, ook zelfs geen N. Rott. Cour.
Wie had dat nu gedacht, dat er zich nog moeilijkheden bij een modus-vivendi beweging zouden voordoen ?
Nadat mannen als ds. Wagenaar, mr. Schokking, prof. Slotemaker de Bruine, dr. Niemeyer, ds. Klein Wassink, ds. Molenaar, ds. Hunningher, dr. Locher, prof. Lindeboom, ds. Horreüs de Haas, ds. Hefting, dr. Van Mourik Broekman, prof. Obbink, dr. Eilerts de Haan, dr. v. Iterson, dr. Proost, mr. Bartels, dr. Kromsigt, dr. H. Schokking, dr. Riemens, ds. van Paassen, ds. Vunderink, met Gereformeerde Bonders inbegrepen, keer op keer vergaderd hebben, kunnen er nu nog moeilijkheden zijn op dit punt ?
De N. Rott. Cour. is plotseling uit den slaap gewekt en ziet nu verbaasd, dat de Vrijzinnig Hervormden, de Ethischen, de Confessioneelen, de Gereformeerde Bonders allen tegelijk zeggen, dat er wezenlijk nog bezwaren zijn.
En daarover gaat de N. Rott. Cour. nu artikeltjes schrijven.
Die oolijke N. Rott. Courant !

Een R.-K. Universiteit.
Dat het daartoe zou komen, dat de Roomschen een eigen Hoogeschool zou­ den gaati stichten, hebben we al lang kunnen zien aankomen. Natuurlijk heeft de praktijk van de liberalen — die ook altijd zoo vriendelijk zijn geweest tegenover mannen als Bildendijk, Da Costa, Groen van Prinsterer, Kuyper, enz. enz. — daartoe meegewerkt en het ligt ook heelemaal in de lijn van de Roomsche levensbeschouwing.
Te Nijmegen zal die R.K. Universiteit komen ; niet aanstonds volledig met alle faculteiten, maar we kunnen het gerust aan de Roomschen overlaten en er op rekenen, dat binnen niet al te langen tijd daar alles piekfijn in orde zal zijn. De miilioenen, reeds saamgebraoht, voorspellen wel hoe 't verder gaan zal.
De Gemeenteraad van Nijmegen, die uit 16 Roomsche en 15 niet-Roomsche leden bestaat, heeft nogal ingrijpende besluiten genomen. Want niet alleen dat men besloot kosteloos een bouwterrein van 12.000 a 15.000 M2. af te staan — dat beteekent toch nog al wat ! — maar men besloot bovendien een jaarlijksche subsidie te geven van maar even f 100.000.— (zegge honderdduizend gulden, elk jaar weer opnieuw).
Dat is voor een stad van 67000 inwoners nogal wat ! Zoowat ƒ 1.50 per jaar per persoon, Roomsch en niet-Roomsch, dat natuurlijk uit de belastingpenningen komen moet ; daar de gemeente-ontvanger ook in Nijmegen wel niet zal kunnen betalen, alvorens de burgers aan hun belastingaanslag hebben voldaan.
Een royale boel daar in Nijmegen.
Amsterdam is nooit zoo royaal geweest tegenover de Vrije Universiteit en toen wij in Zeist wel eens moeite hebben gedaan, om daar een Hervormde Kweek school met Internaat te bouwen, hebben we ook niet gemerkt, dat men in Zeist zoo denkt als in Nijmegen.
Nu blijkt het, dat de Gemeenteraad met 16 st. vóór en 15 st. tegen bovenbedoeld besluit genomen heeft : zuiver Roomsch tegenover niet-Roomsoh.
Christelijk Historischen, Vrijz. Democraten en Communist, saam 15 in getal, hebben zich er tegen verklaard.
En we kunnen het begrijpen.
Daarom verwondert het ons niet, dat er een krachtig protest uitgaat tegenover een dergelijk onbillijk en afgedwongen besluit. En we zijn wel benieuwd of de Kroon tenslotte dergelijke dingen zal goedkeuren.
Zóó mag men toch een bepaalde partij niet bevoordeelen en men mag de niet-Roomsche burgers van Nijmegen op deze wijze toch niet dwingen jaarlijks voor de specifiek Roomsche Hoogeschool bij te dragen ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's