De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Nou! — als ze maar waar gebeurd zijn. Maar 't is haast nooit waar gebeurd; soms is 't wel eens omtrent waar gebeurd, op 't nipje van waar, maar als 't uit is, komt er altijd een kat met een witten snuit en dan is 't uit en is 't maar een vertelseltje. En het spijt je zoo, dat zooiets niet waar gebeuren kan !"
„Zoo! en wat vind je nu wel 't mooiste vertelsel? "
„'t Aller — allermooiste dat is van de drie wenschen. Maar 't is leelijk, omdat ze zulke domme wenschen deden. Als je 't hoort vertellen, wordt je eigenlijk boos, en dan denk je: ik wilde, dat hij 't mij gevraagd had, dan had ik wel wat beters gewenscht."
Mark was nieuwsgierig naar 't vreemde vertelsel.
Ze waren nu reeds in 't boschje. Als hij den jongen aan den praat hield, zou deze zooveel te gemakkelijker mee de schuur ingaan.
„Paul, jongen ! Je moest mij dat eens van de drie wenschen vertellen ; dan zal ik je daarna iets echt waars vertellen, ook van wenschen."
De jongen lachte gelukkig, als iemand die een voordeeligen ruil doet. Hij schokte even aan zijn schouders en begon :
,, Goed ! — dan moet je maar goed luisteren, 't Begint zóó : D'r waren drie broers, die zaten bij mekaar in d'r hut en 't was laat in den avond. Toen kwam d'r een geest door den schoorsteen en zei : Je mag elk een wensch uitspreken, en wat je wenscht, zal dadelijk gebeuren.
Toen zei de oudste : ik wilde dat er een pan met gebakken aardappelen op 't vuur stond. En toen hij 't nog maar pas gezegd had, stond er al een pan vol lekkere piepers op 't vuur.
De tweede broer keek er naar en zei: Ik wilde dat er flinke worst in was! En toen hij dat pas had gezegd, was er dadelijk een gebraden worst in de pan. Maar nu was er de jongste nog en die was wijzer dan zijn broers, want hij dacht, als je 't nu toch maar voor 't wenschen heb, waarom wensch je dan niet wat meer en wat beters? Want een pannetje met gebraden piepertjes is gauw naar binnen, als je met je drieën gezonde jongens bent. De jongste dacht: hoe dom toch, dat zij niet wat beters gewenscht hebben, en toen was hij zóó boos, dat hij tegen zijn broer, die dat van de worst gewenscht had, zei: Ik wilde, dat de worst jou aan den neus hing! — Dat zei hij uit boosheid, maar 't was toch een wensch, en toen hing dadelijk de worst aan den neus van den tweeden broer. En nu hadden ze rijk en gelukkig kunnen zijn en nu hadden ze niks. Niks dan een paar hapjes gebakken aardappeltjes en een brok worst. Als ten minste de worst nog van den neus af kon en er niet aan vastgegroeid was, want dat weet ik niet zoo precies en ik geloof, dat ze 't allemaal niet weten. Maar dat doet er ook niet toe : je wordt toch. al boos, omdat ze zoo dom deden. — Zie je en dan hebje spijt, omdat er nóg niet eens een geest door den schoorsteen komt. En je gelooft h.et niet, en je gelooft het toch een beetje wel, omdat je 't graag zou willen. Want zie je, je hebt ook wel eens een wensch. En je denkt toch, dat die nooit gebeurt, behalve als dat er nog 's een geest kwam."
Mark Mons luisterde met gespannen aandacht en begon iets in Pauls kinderziel te zien. Deze arme jongen in genommerde armvoogdijkleeren en met gebrandmerkte klompen koesterde wenschen, hooge wenschen !
Die begeerde wat anders dan lekker eten. Hij trok hem dicht naar zich toe, alsof hij hem een diep geheim had mee te deelen.
„Paul, jongen ! ga mee naar Kooijker ! Wat je nooit gehoord hebt, zal je daar hooren. Ik zal vertellen van groote, heel groóte wenschen, die waar gebeurd zijn, echt waar gebeurd."
De jongen zag ernstig, vragend in Marks open gelaat.
„Ik zal vertellen van den grooten, goeden Geest, Die niet bij avond door den schoorsteen komt, maar Die altijd overal is, en Die soms in je hart zegt: Paul, mijn jongen, wat heb je te wenschen? Zeg het Mij maar. Ik zal doen al wat je van Mij vraagt!"
Als dat eens waar was ! En deze Vriend zeide 't zoo ernstig, dat het wel waar móést zijn !
De jongen was terstond zóó geheel vervuld van het nieuws, dat hij al het andere vergat.
Hij dacht niet aan Koen en Hilda en zelfs niet aan Teun Dolle, aan geen enkele verplichting jegens iemand, en aan geen tijd.
Hartstochtelijk pakte hij zijn vriend bij de hand en zei:
„Mark Mons, dat zou 'k willen hooren! Mag ik meegaan ? "
„Zeker! — en dan mag je iederen Zondag meegaan !"
„En dan gaan wij altijd samen, wij ? — Samen heen en samen terug? "
„Ja, zou je dat gaarne doen ? " „Nou !"
Al pratend waren ze al lang door 't boschje heen en op 't open pad, zoodat ze beiden aan 't eind daarvan de kinderen zagen staan wachten.
„Zie je wel, Paul ! die gaan ook allen mee en nog veel meer !"
D'e jongen jubelde van plezier: 't zou zoo mooi worden !
„Dag meester! — dag meester!" Nu was Paul er in eens achter wie zijn vriend was: een meester !
„Dag kind'eren! — en moet je mijn kameraad niet groeten? "
„Dag Paul! dag Paul! ga jij ook mee? " Paul groette de kinderen terug. Voor de beide kleintjes, die Marks linker-en rechterhand grepen, maakte hij plaats, en, gewend om door ieder naar achteren geschoven te worden, ging hij uit eigen beweging niet mee in de rij, maar vlak achter „den meester."
Hij vond het zoo aardig, dat overal kinderen stonden te wachten: Mark Mons moest toch wel voor iedereen een vriende­lijke man zijn!
Op de hofstee van Van den Brug, de eerste die ze voorbij kwamen, klonk boosaardig gelach van een paar boerenknechts. Zij hitsten den waakhond aan een grooten hond. Tegen wie? — Woest kwam de hond op de lange rij aan. Mark had wel meer last van de lui hier, maar kon volstrekt niet denken, dat het op hem gemunt was. Paul echter kende wat goed den natuurlijken, aangeboren en gewoonlijk sterk aangekweekten afkeer der boerenbevolking van de „burgers", de dorpsbewoners. Burgers, handwerkslieden, kantoormenschen, winkeliers, dokters, notarissen, predikanten: allen domme leeken in 't oog van den boerenclerus, in 't oog zelfs van 't minste boerenknechtje. Dat zelfde minne, dat de dorpsen stadbewoner legde in 't verwijtende; boer! dat legden de boeren, hun kinderen ; en hun onderhoorigen verachtelijk in dat: ; burger! Burgers: als heertjes en juffertjes gekleed, maar allen geheel afhankelijk van den boer!
Paul kende zijn menschen en wist, op wien de hond werd afgezonden. In een ommezien had hij zijn klompen uitgetrokken en in elke hand één genomen als wapen en zich voor Mark Mons geplaatst om hem te beschermen tegen het groote beest.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's