De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

„Daarom, nalatende het beginsel der „leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren ; niet wederom „leggende het fundament van de bekeering van doode werken en van het geloof in God." Hebr. 6 vers 1.

De Wasdom der Geloovigen.
De in onkerkelijke kringen steeds gezochte allegorische Schriftuitlegging, wordt in de laatste tijden ook in het midden der Gemeente meer en meer verlangd en geprezen. De Schrift is niet geestelijk genoeg meer ; zij moet door den uitlegger vergeestelijkt worden. Achter de helder geopenbaarde waarheid schuilt in het duister weg een verborgen zin. En de wondere spelingen van het vernuft, die dezen zin op kunstige wijze weten te voorschijn te brengen, worden toegejuicht als openbaringen des Heiligen Geestes.
Door onkunde verleid meent men, dat de mannen Gods in verledene eeuwen ook dezen weg bewandelden, terwijl juist afwijkende secten naar deze Schriftuitlegging grepen om hun dwalende gedachten op deze wijze een schijn van autoriteit te geven.
Waarlijk, de geschiedenis is leerzaam - Luther bijvoorbeeld, dat uitverkoren instrument van Gods hand, noemt de allegorische Schriftuitlegging een schoone hoer, die de menschen vleit om zich te doen beminnen, bizonder hen, die ledig en zonder verzoeking zijn. Deze meenen, dat ze in het midden van het Paradijs en in Gods schoot zijn, wanneer ze aan zulke ijdele bespiegelingen toegeven.
En Calvijn, die zoo uitnemend in den geest der Schrift is doorgedrongen, bestreed niet minder krachtig de droomerijen der monniken, die met een onjuist beroep op Paulus' woord : „de letter doodt, maar de Geest maakt levend" den letterlijken zin der Schrift trachtten uit te wisschen om hun uitlegging als de zin des Geestes aan te prijzen. Men dacht, zoo schrijft Calvijn, dat de letterlijke zin te klein, te laag en te veracht was ; daar in moest men naar verborgenheden zoeken, die men niet anders dan door allegorieën vinden kon. En niet moeilijk kon men zijn oogmerk bereiken. Want de wereld begon de bespiegelingen, die een gedaante van spitsvondigheid hadden, boven de vaste en wezenlijke leeringen te verheffen. En door zoodanige toejuiching is de stoutheid nog meer toegenomen. Dit is zonder twijfel een vond des duivels geweest om het gezag der Heilige Schriften te verminderen en het ware gebruik er van bij het lezen weg te nemen ; welke ontheiliging God door een rechtvaardig oordeel gewroken heeft, toen Hij toeliet, dat men op deze wijze den zuiveren en waren zin door valsche uitleggingen onderdrukte. Ik beken, dat de Heilige Schriftuur een overvloedige en onuitputtelijke fontein is ; maar ik ontken, dat die vruchtbaarheid bestaat in een velerlei zin, welke iemand zich naar zijn goeddunken daarin verbeeldt. Klaarder dan hier door Calvijn kan het gevaarlijke van de allegorische Schriftuitlegging niet worden aangewezen.
In zijn voorrede voor Lodensteijns werk „De weegschaal van de onvolmaaktheden der heiligen" achtte Melchior Leydekker, professor te Utrecht sinds 1679, zich reeds geroepen om in zijn dagen te protesteeren tegen eene Schriftuitlegging, die door de hervormers uitgebannen, onder invloed van Coccejus weer begon baan te breken in de Gereformeerde Kerken hier te lande. Daar kan men ook de bovengenoemde aanhalingen van Calvijn en Luther vinden. Maar het is wel merkwaardig, dat diezelfde Leijdekker, als hij vermeldt „dat gelukkig nog velen van de nieuwe leerwijze niets moeten hebben", ernstig klaagt, dat een deel van deze predikers niettemijn blijft staan bij de eerste beginselen van de leer van Christus, van de bekeering en van de wedergeboorte en zelden tot de volmaaktheid voortgaan om den geestelijken mensch in al zijn daden te oefenen, toe te rusten en te bestieren.
Waarlijk, de tijden mogen veranderen maar de menschen niet. Ook nu kan men opmerken, hoezeer altijd weer verlangd wordt, dat de prediker op de eerste beginselen den nadruk zal leggen en uitvoerig zal teekenen de gevoelens en ervaringen, die in den weg der ontdekking aan zonde en schuld worden gekend, zonder dat men vandaar wenscht voort te gaan tot het geloof in Christus en zijn vele werkzaamheden ten opzichte van den Middelaar en Zijn genadegoederen en tot de vruchten, uit zulk een levend en werkzaam geloof voortspruitend.
Sommigen mogen echter een dergelijke leerwijze bij uitstek geestelijk achten, vooral als ze op 'n gevoeligen toon geschiedt, de Schrift leert ons anders en in ons tekstwoord vermaant de apostel den kinderen Israels met nadruk, dat ze niet aan het begin van den weg mogen blijven staan, maar hebben voort te trekken en op te wassen in de kennis en in de genade van onzen Heere Jezus Christus.
Het lijden en sterven van onzen Heiland, dat in deze dagen ons gedurig voor oogen wordt gesteld, is bij uitnemendheid geschikt om de vonk des geloofs, die in het Godvreezend gemoed schuilt, aan te blazen en tot vernieuwde werkzaamheid op te wekken ; in het lijden en sterven van Christus toch opent zich de bron, welks levende wateren niet alleen de dorst eener ziel naar de Gerechtigheid lesschen, maar óók den moede en aemechtige de krachten verleenen tot een heilig en Godgewijd leven.
Deze verborgenheid des geloofs schuilt echter niet in een verborgen zin der woorden, die alleen door een vernuftige verdichting onthuld kan worden, maar ze ligt in de dadelijke gemeenschap des geloofs met Christus besloten, welke door het natuurlijk verstand, al is het ook sprankelend van vernuft, niet kan worden verstaan, maar gekend wordt van alle ziel, die zichzelf verloor om het leven in Christus te zoeken en te vinden.
En zonder twijfel is deze verborgen gemeenschap des geloofs met den levenden Christus de grond, waaruit alle wasdom der geloovigen voortkomt. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zoo zij niet in den wijnstok blijft; alzoo ook gij niet, zegt de Heiland tot Zijn discipelen, zoo ge in Mij niet blijft.
Om tot de volmaaktheid voort te varen, hebben daarom de godvruchtigen de gemeenschap des geloofs met Christus te beoefenen, en wijl er van een opstanding des nieuwen menschen geen sprake kan zijn tenzij dan dat de oude mensch gekruisigd worde, en sterve, hebben ze bovenal de gemeenschap des geloofs met een lijdenden en stervenden Christus te zoeken, opdat ze met Hem en in Hem der zonde mogen sterven ; want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven.
Te  weinig wordt hier de nadruk opgelegd ; te zeer strijdt dit ook met het vleesch. Naar Christus' kroon strekken veler handen zich uit, maar weinigen begeeren Zijn kruis te dragen. Met Hem wil men heerschen ; daarom wil men altijd een heerschende Kerk op aarde ; aan deze zijde van het graf is het echter roeping met Hem te lijden en tot Hem uit te gaan buiten de legerplaats.
Zijn smaadheid dragende. Menig godvruchtige beklaagt zich over dorre tijden, die kwamen ; het hemelsche manna wordt weinig meer gesmaakt en de oogenblikken van zalige genieting worden zeldzamer. Is dit een klacht over tekortkoming of een murmureering der zelfzucht ? Zoo men meent het eerste, vragen wij : heeft God u geroepen om te genieten ? of veel meer om uzelf te verloochenen, uw kruis op u te nemen, der zonde te sterven en Jezus te volgen ? Deze rede is hard, zeggen tal van menschen. En gewis, de dooding van den ouden mensch is een harde en pijnlijke zaak. Maar ofschoon ze niet altijd krachtig en standvastig dit doel najagen, weten toch alle kinderen Gods onder de leiding des Heiligen Geestes, dat deze weg de weg des levens is en daarom een weg van zalige vrede. Elke nagel, die in het vleesch van den ouden mensch wordt ingedreven, ontlokt hem een smartkreet, maar de nieuwe mensch juicht alsdan, wijl genade overwinnende was.
Er is niets, dat de wasdom der geloovigen meer tegenhoudt dan stille gerustheid, wijl de eerste beginselen door genade gekend zijn. Soms gaat deze stille gerustheid zóóver, dat men zich angstig afvraagt of deze kennis der eerste beginselen werkelijk uit genade is.
Want welk reiziger is tevreden met de verzekering, dat hij op den rechten weg is ? Zal hij niet op den rechten weg moeten voortgaan om eenmaal het doel te bereiken ? Het zaad, dat in de aarde geworpen en ontkiemd, daarna niet verder wil werken, is ten doode gedoemd.
Niet de vraag, hoever de geloovige kan opwassen in de genade van onzen Heere Jezus Christus, maar veeleer de vraag, welk klein beginseltje van genade genoegzaam is om zalig te worden, schijnt den Christenen van dezen tijd ter harte te gaan. In hoeverre deze vraag overeenkomst vertoont met het verlangen van den natuurlijken mensch om zooveel mogelijk van de wereld te genieten en daarbij Christus toch niet los te laten, make ieder voor zichzelf uit. Dit echter is zeker, dat de Schrift van den waren Christen een anderen zin en een ander bedoelen vraagt.
Volgt Mij, zeide de Heere ; volgt Mij niet een eindweegs, maar gansch den weg over. Wie zijn hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is onbekwaam voor het Koninkrijk Gods.
R.

w.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's