De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

9 minuten leestijd

Modus Vivendi.
Mijnheer de Redacteur,
Na lezing van de ingezonden situkken van d. B, en v. E. voelde ik mij verplicht daartegen te schrijven. De heer d. B. zegt, onder meer andere dingen, dat er een goed inzicht is bij velen (waaronder natuurlijk de drie inzenders) inzake de Modus-Vivendi. Nu, dat kan wel waar zijn, maar dan toch zeker ook bij den heer d. B. niet. Want waarom schrijft hij tegen ons en laat de uiteenzetting van de Modus-vivendi aan ds. Woelderink over ? Hebt u soms nog niet alles begrepen ? Waarom is anders nog een uiteenzetting of nadere verklaring noodig ? wij achten dat overbodig, daar wij dezen weg niet op moeten om onze (Herv. Geref.) Kerk in stukken te snijden. De eer v. E., die de artikelen van ds. W. met instemming heeft gelezen, vraagt ons, moeten we, ter wille van gebouwen in kerkelijke goederen ten eeuwigen dage blijven samen leven met hen, die onze principiëele vijanden zijn ? Moet men dan bijeen houden wat niet bijeen behoort ? Ik zou hem willen vragen wie dat leert en wie dat voorstelt van ons ? Is onze strijd niet ingezet, om ons op de belijdenis te vereenigen en onze Herv. (Geref.) Kerk voor die belijdenis terug te winnen, wat recht en billijk is ?
Geestelijken arbeid als evangeliseeren, wijst de heer v. E. van Middelharnis af, waar dat moet uitloopen op een machtstrijd. Ik zou hem willen vragen of die strijd nog niet veel heviger zal worden in den weg van groepsformatie ? In elk geval wordt het dan óók een machtstrijd in de groepeering zal heel wat ongeestelijke dingen èn onmogelijke dingen brengen. Daarom als u tegen een machtstrijd ben die eindelooze ellende brengt in onze Hervormde Kerk verscheurt in de steden en in de dorpen, protesteer dan met ons tegen de Modus-vivendi. Corius schrijft, een Modus-Vivendi beeekent niet het einde van 't oude, maar het begin van een nieuwen strijd, die uitloopt op ontbinding der Kerk. Gij wilt een Modus-vivendi en zijt tegen strijd ? Denk u den toestand, dien we zouden krijgen, in, en u geeft me gelijk.
Óf we ter wille van de goederen blijven ? Och, als het enkel om materialisische dingen ging, dan zou ik zeggen : een ! dat nooit. Maar voelt u den kerkelijken strijd van zooveel jaren zóó ?
Ik zie de dingen anders. Ik geloof, dat onze Herv. (Geref.) Kerk een plantinge Gods is, waarmede de Heere nog groote en vele geestelijke bemoeienissen houdt. En nu is de zonde onzer Vaderen en onze zonde groot op dé erve der Kerk. Vóór 1816 en na 1816. En waar zij door de zonde geworden is wat zij is, daar moeten wij voor God in de schuld komen op de plaats waar de schuld, door onze slapheid en door onze afwijkingen, gemaakt is. In onze kerken, van gemeente tot gemeente, is zwaar en menigmaal overtreden en daarom moeten we van plaats tot plaats in de schuld komen en leeren opwaken, om met Gods Woord, dat nooit ledig wederkeert, uit te gaan. Verootmoediging en wederkeering tot Gods getuigenis kan alleen de dageraad doen opgaan.
Zullen we de Kerk laten uiteenvallen? Zullen we haar verlaten? Als men meent dat onze Kerk een valsche was, ga dan heen. Waarom zoudt gij ten eeuwigen dage u druk maken over wat kerkegoed ? Maar als het om de Kerk zélve te doen mag zijn, om haar uit haar diepen val weer te mogen terug brengen in den weg van verootmoediging tot den Heere, dan moeten we elkander daarin helpen en in den weg van Daniël wandelen. Dan moeten we leeren uitroepen in oprechtheid ; Bij U, Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten. Neig Uw oor, Heere, en hoor, doe Uwe oogen open en zie onze verwoestingen en de Kerk, die naar Uwen Naam genoemd is, want wij werpen onze smeekingen niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uwe barmhartigheden, die groot zijn. O Heere. hoor, O Heere vergeef, O Heere merk op en doe het en stel het niet uit om Uwszelfs wil, o, mijn God, want Uw Kerk is toch naar Uwen Naam genoemd.
De Herv. (Geref.) Kerk is toch des Heeren planting en de Heere heeft daar recht op en onze taak is toch voor die Kerk op te komen, om 's Heeren wil. Wij moeten er maar niet een stuk afscheuren en daar dan mee gaan zitten als bij het werk van onze handen. Maar we moeten den goeden strijd des geloofs strijden op de erve der Vaderen, óm Gods wil en om de wille van ons volk. Naboth gaf zijn vaderlijk erfgoed niet, ook zelfs aan den aardschen koning niet,ook niet voor veel geld en de ware moeder wilde niet, dat haar kind zou worden in stukken gedeeld, opdat ieder wat zou krijgen. Alles of niets, zei zij. Mogen wij dan de Kerk aan den vijand overgeven ? Neen, nooit ! En al is de vijand van binnen machtig — ik onderschat hem niet — de Koning der Kerk is machtiger. Laten we Hem toch vooral niet ondersohatten ! En Hij staat gewisselijk aan de zijde van degenen, die in het midden der Herv. (Geref) Kerk de Gereformeerde Waarheid wenschen te verbreiden en verdedigen. Heeft Hij in de laatste tientallen van jaren dat niet kennelijk getoond, ook bij ons ? Laten we dan elkander niet ontmoedigen en den arbeid in andere banen .gaan leiden. Ons Gereformeeride volk wil dat niet. De Heere zal Zijn erfdeel bouwen tot glorie Zijns Naams !
Met dank voor de plaatsing. Mijnheer de Redacteur.
EEN ABONNEE EN BONDSLID.

Geachte Redactie,
In „De Waarheidsvrienid" van 9 dezer wordt door een inzender aangehaald een stukje van prof. Fabius, waarin deze beweert, dat het door een kerkelijk-Gereformeerde bijwonen eener afscheidsrede van een predikant der Ned. Hervormde Kerk, gemis aan kerkelijk besef verraadt.
Dat zoo'n uitlating, op zijn zachtst uitgedrukt, geheel misplaatst is, valt natuurlijk niet te ontkennen, doch zij komt m.i. geheel voor rekening van dien Hooggeleerde.
Met generaliseeren moet men voorzichtig zijn ; adres : het schrijven van een anderen Hooggeleerde in „D e N e d e r 1 a n d e r", met de toelichting daarop van dr. H. H. Kuyper, in „De Heraut" en overgenomen in „De Waarheidsvriend" van 9 dezer.
Steller dezes zou uit de historie der laatste tijden een voorbeeld kunnen noemen, waarbij een „Gereformeerd-Hervormd" predikant aan een Herv. broeder „une verte réprimande" toediende, omdat laatstgenoemde ambtshalve een afscheidspredikatie van een kerkelijk-Gereformeerd predikant had bijgewoond Die predikant had dus ook weinig „geestelijk besef", doch m.i. gaat het niet aan om nu maar te concludeeren dat de Gereormeerd-Hervormden in doorsnee allemaal zoo zijn.
Dat het booze kerkisme ons nimmer parten spele !
EEN BONDSLID.
H. Waard.

Een beroep op het Nederlandsche Volk.
In Zuid-Rusland bevinden zich de landbouwkoloniën van ongeveer 60.000 Doopsgezinden van Nederlandsche herkomst. Toen deze door de bolsjewistische revolutie en het bendenwezen van roovende en plunderende .revolutionnairen in de grootste ellende waren gedompeld, is in 1920 door eenige Nederlandsche Doopsgezinden gesticht de Algemeene Commissie voor Buitenlandsche Nooden, waarvan Ds. A. Binnerts Sz. te Haarlem voorzitter, Mr. Jan W. van der Vlugt aldaar penningmeester en ondergeteekende secretaris is.
Toen een jaar later ook Zuid-Rusland door den allerverschrikkelijksten hongersnood werd bezocht, die zoovele andere gouvernementen van Rusland heeft getroffen, heeft de Algemeene Commissie haar werk en doel uitgebreid en niet alleen de 60.000 Doopsgezinden, maar ook de overige bevolking in die streken, ongeveer drie millioen menschen ter zijde gestaan. Meer dan een jaar lang heeft zij nu in de Oekraine en in de Krim ongeveer 45000 hongerlijders gevoed en in het leven gehouden, en verder aan de geheele bevolking naar omstandigheden de belangrijkste diensten bewezen. En nog altijd zet zij dit werk onverdroten voort.
Om haar nu voor het vervolg te kunnen redden en nieuwe hongersnooden te voorkomen, is het noodzakelijk de landbouwondernemingen der Doopsgezinden aldaar weer op de been te helpen, want daarvan is de geheele bevolking afhankelijk. Die vormden de kern van den landbouw, en waren, zoo te zeggen, model-boerderijen.
Daartoe is in de Ie plaats noodig zaaizaad. Onder de Nederlandsche Doopsgezinden hebben wij getracht hiervoor ƒ 100.000 bijeen te brengen. Onze gemeenten zijn echter ook door den nood des tijds zeer zwaar belast. Zij zijn klein en door de verandering in de maatschappelijke omstandigheden moeten zij in vele plaatsen het acht-of tienvoudige van vroeger opbrengen voor de gemeentelijke behoeften. Ondanks de uiterste krachtsinspanning en ondanks den geestdriftigen goeden wil van vele onzer gemeenten, is het niet mogen gelukken. Slechts ƒ20.000 konden wij voor dit speciale doel bijeenbrengen.
Zullen wij dan nu de eens zoo bloeiende landbouwondernemingen der Doopsgezinden in Zuid-Rusland reddeloos te gronde laten gaan ? Zullen wij hen en met hen de overige bevolking dan toch verloren laten gaan ? Hebben wij hen gevoed en gered, om deze brave, arbeidzame, godsdienstige en beschaafde menschen geestelijk en maatschappelijk te laten verkommeren ?
Hoe grieft ons, als Doopsgezinden, onze onmacht !
Maar niet alleen als Doopsgezinden gevoelen wij ons beschaamd. Ook als Nederlanders. Want deze 60.000 menschen, die van ons hunne redding verwachten, zijn van denzelfden stam als wij. Zij zijn van Nederlandsche herkomst. Zij spreken nog in hunne huizen een taal vol uitdrukkingen van Hollandschen huize. Zij kenmerken zich nog door Hollandsche zindelijkheid, Hollandsche spaarzaamheid, Hollandschen eenvoud van leven, liefde voor kerk en school, werken van barmhartigheid enz. Kortom zij hebben hun vaderlandsch karakter nog niet verloren.
Zullen wij hunner dan in hun nood niet gedenken als Nederlanders ?
Daarom waag ik het een beroep te doen op het geheele Nederlandsche volk.
Helpt ons, deze menschen te redden en hun welvaart te herstellen !
De eer van den Nederlandschen staat is er mede gemoeid !
Nog 80.000 gulden hebben wij er voor noodig. Voor ons onbereikbaar, klein groepje als wij zijn, maar wat is het voor heel ons volk ? Die ƒ80.000 moeten er binnen 14 dagen zijn, anders is het onmogelijk vóór den lente-zaaitijd het koren te koopen en ter plaatse te brengen.
Reeds nu nijpt de tijd. Helpt ons daarom zonder beraad en zonder uitstel.
Elke gave, groot en klein, is hartelijk welkom. Bij voorkeur door storting op de postrekening 2292 kantoor Haarlem onder vermelding : voor het zaaigraan Zuid-Rusland, van de Heeren Guepin en van der Vlugt.

Ds. F. C. FLEISCHER, Doopsgez. Pred. Secretaris der Alg. Comm. v. Buitenl. Nooden, Markt 5 te Winterswijk, Postrekening 14868.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 februari 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's