Stichtelijke overdenking.
Zonde en Genade. Opdat gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzóó ook de genade zoude heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. Romeinen 5 vers 21.
Zonde en Genade.
Op de vraag: waarin bestaat toch eigenlijk wel de gansche heilIeer van Gods Woord? zou ik slechts als antwoord twee woorden willen noemen, nl. zonde en genade. Ongetwijfeld, die beide woorden drukken uit de twee fundamenteele waarheden, waarom het in de Heiige Schrift gaat, tezamen vormende den vollen Raad Gods ter zaligheid. En wel eerst moet bij ontdekkend geesteslicht bevindelijk gekend en geleerd worden, wat zonde is, zal ooit als waarheid ervaren worden, wat wel genade is. Het is vooral de Apostel Paulus, die zich nadrukkelijk die tweevoudige leer naar voren brengt, bovenal in den zoo schoonen Romeinerbrief.
Let slechts op het woord onzer overdenking.
Om de rijke beteekenis daarvan u reeds terstond voor oogen te stellen, zoo wijs ik u met uwe gewijde aandacht heen naar een eeuwig gedenkwaardigen heuvel, naar Golgotha, waar eens drie kruisen stonden opgericht. Aan het middelste kruis hing de ééne Rechtvaardige, nl. „Christus Jezus, onze Heere", om door Zijn zoendood eeuwig leven door eene eeuwig geldende borggerechtigheid aan te brengen. Aan het kruis rechts van den Zoenborg Christus ontdekt ge een moordenaar, die van ganscher harte belijdt, rechtvaardiglijk aldus zoo zwaar te lijden. Maar ziet aan dezen werd gratie verleend en dientengevolge geschonken eeuwig leven. Immers aldus klonk uit Christus' mond hem blijde tegen als hemelsche muziek: "Heden zult ge met Mij in het paradijs zijn."
Daar ontwaren we derhalve de practische toepassing van het tweede deel van onzen tekst. Doch let nu ook eens op dien derden gekrusigde, aan Christus' linkerhand. O, bij en aan dezen tweeden moordenaar zien we op ontzettende wijze vervuld, wat we lezen in ons eerste tekstgedeelte, nl. de macht der zonde met hare bittere kracht : den dood. Daarin toch zegt de apostel, dat de zonde geheerscht heeft tot, of eigenlijk in den dood.
Wel past ons allereerst eens nader stil te staan bij dat ons eerste tekstgedeelte, dewijl het toch zulk eene ontzettende waarheid uitdrukt geldend van nature een iegelijk mensch, ook onszelven, dewijl allen In Adam, niet alleen ons aller stam-, maar ook ons aller Bondshoofd, gezondigd hebben. Ach, reeds deze onze erfzonde is zoo verschrikkelijk, „maakt", zoo belijdt een gewijde dichter voor den Heere, „mij 't voorwerp van Uw toorn. Reeds van het uur van mijn ontvangenis af."
Gewis, de zonde Is vreeselijk. Onze apostel stelt haar voor als een heerscher, wanneer hij daar zegt : De zonde heeft geheerscht tot den dood, "
En ja, de zonde is inderdaad een heerscher. Maar ach, welk 'n heerscher ! Gelijk aan 'n wreed despoot een tyran die ons gemaakt heeft tot gewillige slaven, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Door de zonde kan 't oog niet zien, de hand niet aannemen, wat tot zaligheid noodig is, de voet niet bewandelen den smallen weg des heils, is het verstand verduisterd. Ook innerlijk zwaait de zondemacht haren verderfelijken schepter. 't hart toch is als een kerker vol boosheid, een vuile bron gelijk, waaruit alleriei booze gedachten opwellen en booze daden voortkomen, waardoor bij de erfzonde nog komen zoovele dadelijke zonden.
En welke mag nu wel de vrucht zijn dezer zondeheerschappij ?
Hoort, hoe de apostel zegt: „de zonde heeft geheerscht tot den dood."
Welk een ongelukkig schepsel is alzoo de mensch geworden, hoe gansch zeer ellendig !' De dood toch is zulk een bittere vrucht. Hoeveel smart brengt niet het sterven te weeg. hoeveel nameloos leed. En dat alles om der zonden wil. Ja, door de zonde is reeds dit tijdelijke leven niet anders dan een gestadige dood. En ware nog maar deze dood de éénige vrucht der zonde. Maar helaas, de waarheid is nog vreeselijker, want door de zonde is de mensch ook geestelijk dood, niet gevoelende de diepte zijner ellende, niet kennende zichzelven in de grootheid zijner verdorvenheid. noch den Heere In diens vlekkelooze heiligheid en Christus in Zijie onmisbaarheid. Zijn beeld is dat van de verloren penning, gansch dood in zichzelven, of wilt ge, dat van den slapenden koning Saul in de woestijn.
En weet ge wat het allerergste is ? Achter den tijdelijken dood ligt het oordeel en dan de eeuwige dood. Eeuwige dood, hoe ontzaggelijk! O, die eeuwigheid duurt zoo lang. Bij haar vergeleken, is dit leven, ook al worden we tachtig jaar, nog minder dan een korrel zaad in verhouding tot het onmetelijke strand. Immers de eeuwigheid is zonder einde. En daarbij is die eeuwigheid zoo bang. De eeuwigheidsdood toch is een welbewuste dood, zal zijn een stervend sterven, zonder einde, altijd lijdend pijn, immer wroeglng.
Voorwaar, welk een bittere vrucht der zonde! En toch, eene gewisse vrucht dewijl de Heere is een heilig God, wel zóó heilig, dat Hij noodwendig de zonde als eene schending van Zijne Oppermajesteit met den dood moet straffen. Deze straf beantwoordt volkomen aan Zijn recht. Zijne eere en aan Zijn heilig Wezen. De dood is rechtvaardiglijk verdiend, vandaar dan ook die wroeging der verdoemden in de hel. Maar Gode zij dank, hoewel alzoo waar is, ontzettend waar, dat de heerschappij der zonde is tot den dood, zoo mogen we toch u ook spreken van eene geheel andere heerschappij met een geheel andere vrucht.
Want hoort, hoe de apostel aldus vervolgt en besluit: „alzoo ook de genade zoü heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere."
Allereerst gewaagt hij van genade. Genade nu, wat is ze ?
Stel u voor eene gevangenis, vol van dezulken, die onze Koningin op 't diepst beledigd, en hare wet op 't ergerlijkst geschonden hebben. Maar zie, nu komt de Koningin eenigen den vrijheid geven, ja, voor hen de kerkerdeur openen, uitroepende: „ga heen in vrijheid, uwe schuld scheld ik u kwijt.''
Ik vraag u, is zulk eene verlossing niet uit gansch onverdiende goedheid, uit enkel gunst ?
Welnu, evenzoo handelt de Heere ten opzichte van Zijn volk en kinderen, die daarom dan ook wel terecht Zijne gunstgenooten heeten. Wat toch hebben ze verdiend? O, vraagt 't eens hunzelven en allen zullen ze bekennen: den dood en wel tot in alle eeuwigheid.
Doch ontdekt aan hun verloren toestand en doemwaardigheid, hebben ze leren roepen tot hunnen Rechter om genade en die ook ontvangen, ja, later leeren verstaan, hoe dat hun roepen tot den Heere uit 's hartes diepstes grond reeds genade des Heeren was.
Maar let wèl, de Heere schonk hun de genade niet zoo maar, met voorbijgaan van Zijne heliigheid. Neen, Hij schenkt Zijn volk verlossing in den weg Zijner onkreukbare gerechtigheid, want genade en recht boden elkaar den kus des vredes,
— Vraagt ge hoe ?
Wel, hoor, hoe de apostel daarop aldus antwoordt: „dat de genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eenige leven door Jezus Christus, onzen Heere."
We worden alzoo heengewezen naar Jezus Christus. Onwillekeurig worden we alzoo nogmaals met onze gedachten heengeleid naar Kalvarië's heuvel en wel inzonderheid naar het kruis van den Zone Gods met z'n beide armen. En nu is 't ons, alsof we lezen op den rechterarm: „God is genadig, en wel in die mate, dat een moordenaar mag ingaan in 't hemelsch paradijs" : terwijl op den anderen arm geschreven staat: „God is rechtvaardig, wel zóó rechtvaardig, dat het Hem schaagde Zijn eigen Zoon te verbrijzelen tot den dood, ja, den vloekdood des kruises."
De verlossing des zondaars is dus wel uit genade, maar toch tevens in den weg van Gods heilig recht, ja, van verdienste. De verdienste evenwel ligt buiten den zondaar. eenig en alleen in Jezus Christus, den Zoenborg. Hij, die zonder zonde was, werd tot zonde gemaakt en aldus de Borg van Gods volk. Want zie, God de Vader rekent hun die borggerechtigheid van Christus, den tweeden Adam, toe, gansch volkomen.. „Genade heerscht door rechtvaardigheid", dat is door die rechtvaardigheid, die ons van den Heere door het geloof geschonken wordt, zoo merkt terecht de kanrteekenaar onzer Statenvertaling op.
Is er dus onrecht bij God ? Neen, duizendwerf neen : maar waar is en blijft: "Uit genade zijt ge zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, 't is Gods gave." Wel mag dan ook onze apostel elders betuigen : „'t Is niet desgenen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods."
Ja, des ontfermenden Gods. De ontfermingen zijn groot, ze zijn van eeuwigheid tot in alle eeuwigheid.
Van de grootheid der genade spreekt de apostel, als hij aldus ons tekstwoord endigt, dat „genade zou heerschen tot het eeuwige leven."
Welk eene geheel andere vrucht werpt derhalve de genade af dan de zonde. En hoe kan 't ook anders ! Genade is toch zulk een geheel andere heerscheres dan de zonde.
Waar de zonde heerscht tot den dood, daar is genade heerschende tot het eeuwige leven. !
Eeuwig leven, welk een rijkdom ! Hoe gelukkig kan het kind Gods hier zich reeds gevoelen, wanneer het somwijlen zoo mag genieten de beginselen er van. Hoe zalig moet het dan wel eenmaal zijn, dat leven volop te mogen smaken in de blijde gemeenschap van den Driëeenigen Verbonds-God. En dat eeuwiglijk I Dan dus niet meer 't klaaglied : "ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ? " ; maar dan als een vermaakt verloste het jubellied aangeheven met al de gezaligden, waarvan de grondtoon wel wezen zal: „Ik danke God, door Jezus Christus, onze Heere." Ja, dan zal heerlijk in vervulling treden : „'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên."
Doch ziet, nu zal 't er maar op aankomen of wij voor onszelven in dat heil zullen deelen. Daartoe is noodig, dat we voor eigen persoon kennis hebben aan die twee fundamenteele waarheden, ons heden voorgesteld, aan zonde eenerzijds en aan genade anderzijds.
Het voorwerpelijke toch moet onderwerpelijk worden, m.a.w. moet worden zelfbevindelijke kennis, 't geen alleen geschieden kan door de toepassende werking des Heiligen Geestes.
Helaas, velen ergeren zich aan die leer van zonde en genade. Zij willen niet weten van de prediking, die den mensch voorstelt als zich een door en door zondig schepsel, dat zoo ten volle den dood heeft verdiend en zelf niets kan bijbrengen tot zaligheid, welke geheel is uit loutere genade.
Behoort ook gij, lezer, tot die velen misschien ? Weet dan wel, dat voor u slechts geldt, zoo 't niet bij u komt tot waarachtige bekeering, deze ontzaggelijke waarheid: de zonde heerscht tot den dood.
In de tweede plaats zijn er velen, die de leer van zonde en genade nog wel willen hooren prediken, maar, helaas, niet met toepassing van henzelven, ja, er geheel dezelfden onder blijven, ongevoelig, lauw.
Zeg mij, moet ook gij nog tot die velen gerekend worden ? Zoo ja, bedenk dan wel, dat ook gij dan zult moeten plukken die bittere vrucht derzonde, den eeuwigen dood, indien ge blijft. die ze ge zijt.
Doch ook zijn er, die niet slechts erkennen de heerschappij der zonde, maar die haar met smart gevoelen, ja, die daar zuchten onder haren last. Ze hebben beproefd, kinderen des werkverbonds die ze zijn, door zelf werken zich te redden, maar tevergeefs, 't Eenige wat ze konden was zich slechts dood werken, om aldus zichzelven te leeren kennen als geheel reddeloos en hulpeloos.
Zeg mij, is daar misschien uw toestand geteekend?
Zoo ja. welnu, grijp dan moed. Dan immers is het evangelie van Gods vrije genade in Christus voor u, ja, juist voor u zulk eene blijde boodschap ; dan ook is die Christus voor u zoo begeerlijk, dat ge moet uitroepen :
Geef mij Jezus, of ik sterf. Buiten Jezus is een eeuwig zielsverderf.
Laat dit u tot troost zijn : wie inderaad bevindelijke kennis heeft aan het eerste deel van onzen tekst, hoe nl. de zonde heerscht tot den dood. zal óók ervaren, hoe genade heerscht tot het eeuwige leven. In Christus den gekruisigde reikt God de Vader toe Zijn genadeschepter aan armen en nooddruftigen. Nooit kunt ge de zonde u te vreeselijk, maar ook nimmer de genade in Christus u te heerlijk voorstellen. Ge kunt nooit te diepen indruk hebben van uwe eigene zonde en ellende, maar ook nimmer eene te hooge gedachte hebben van Christus' rijkdom. Daarom, heilzoekende ziele, geef den moed niet op. Eens, op 's Heeren tijd zal 't wezen uwe blijde ervaring :
In Adam verloren,
In Christus verkoren.
Dat, niet waar is de zalige bevinding van al Gods gunstgenooten.
Ook van u, m'n lezer ?
Zoo ja, welk een rijke stof hebt ge dan niet om te getuigen van en te roemen in de vrije gunst uws Gods, die eeuwig Hem bewoog. Dat dan maar veel uw loflied klinke, den Heere tot eere : "Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen" : om straks eeuwig den Heere groot te maken.
Wat zal dat zalig zijn !
— Amen. —
Elburg.
D. PLANTINGA
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's