De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

De Kerk.
IV.
De Kerk van Christus moet er een leer op na houden. Men kan daarover lang of kort spreken : maar met de Schrift in de hand ontkomt men daar toch niet aan en de Kerk door alle eeuwen heen. Bizonder ook de Gereformeerde Kerk in Nederland, heeft nooit anders verklaard noch gewild, dan te staan op en te leven In de kerk der godzaligheid, die naar Gods Woord is.
Het zijn de slechtste tijden, als de Kerk des Heeren het met de kerk niet nauw neemt, 't Was, naar we meenen, dr. Bronsveld, die 't eens zei : "Ik kan leer niet missen om stevig in mijn schoenen te staan — zoo kan de Kerk ook haar leer niet missen om staande te blijven." En zoo is 't. Als de Kerk haar eigen leer verwaarloost of verwerpt, dan verwerpt zij zichzelf en den inhoud van haar geloof. Waarbij 't duidelijk is, dat de inhoud van haar geloof en belijden moet wezen, wat de Heere haar heeft geopenbaard. Rondom Gods wil moet de Kerk zich scharen. En waar 't de slechtste tijden voor de Kerk zijn als zij Gods wil op zij schuift en daar haar eigen wil voor in de plaats brengt, zoo zijn het de beste tijden voor Christus' Kerk op aard, als de geloovigen één mogen zijn in de belijdenis van hun Zaligmaker en het houden van Zijn Woord en het doen van Zijn wil-„Gij zijt Mijne vrienden, zoo gij doet wat Ik u gebied-" (Joh. 15 vers 14).
Staande in het geloof, moet de Kerk de Waarheid Gods zuiver bewaren en in oprechtheid voor Gods aangezicht wandelen, getuigende: "Ik kleef vast aan Uwe getuigenssen, o Heere! schaam mij niet." (Psalm 119 vers 31). Aan de openbaring Gods, in Zijn Woord ons gegeven, moet de Kerk vasthouden; in den weg Zijner getuigenissen en openbaringen en geboden en rechten moet zij loopen; zij moet van harte belijden: ik heb verkozen den weg der waarheid Uwe rechten heb ik mij voorgesteld" (Psalm 119 : 30).
Wee de Kerk, als zij daaraan ontzinkt; als zij des Heeren wegen verlaat en als het Volk vervreemd raakt van de waarheid, die naar de godzaligheid is. Dan treedt er een toestand' in, als waarvan we lezen bij Hosea. Daar staat: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen" (Hosea 4:6).
De Kerk zal dus hebben acht te geven op de leer. Niet alsof de Kerk tevree zou zijn, als het met de leer maar in orde is — en meer niet. Want wie alleen op de leer let, wie uitsluitend op de zuivere belijdenis der waarheid bedacht is en ganschelijk niet op de praktijk des levens het oog heeft gericht, is een echte intellectualist en maakt zich schuldig aan groote eenzijdigheid. Maar ook die uitsluitend naar de openbaring van het leven vraagt en ganschelijk geen oog heeft voor de zuivere belijdenis der waarhedd, gaat in tegen de duidelijke uitspraken van Gods Woord, waaruit toch immers blijkt, dat de Heere aan Zijn Kerk de waarheid geschonken heeft en het de roeping der Kerk is als belijdende Kerk op te treden, om alzoo bevestigd te worden in het geioof, te midden van een zondig en dwaas en vijandig menschengeslacht, dat naar God! niet vraagt en Zijn wet niet overdenkt noch betracht (Psalm 1).
Op leer èn leven komt het aan bij Christus' Kerk. En fout gaat men, indien men het leven los gaat maken van de leer. De Kerk zal èn van de belijdenis èn van het leven van' ieder getuigenis hebben te geven, maar moet er dan ook zelf in staan en bij leven.

De leer, de belijdenis der Kerk is dus een allergewichtigst ding. „Jezus zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: indien gijlieden In Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijne discipelen" (Joh. 8 : 31) en in die waarheid staande en levende zou de Kerk van Christus waarlijk vrij zijn (vers 32). En Paulus, wel wetende, dat er zouden komen, die zich tegen dat Woord zouden kanten, schrijft aan de Romeinen; „En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer die gij (van ons) geleerd hebt en wijkt af van hen" (16 : 17). Wat Johannes in zijn tweeden brief aldus omschrijft en onderschrijft: Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt tot hem niet: "Wees gegroet" (2 Joh. 9 : 10).
Met Gods Woord in de hand zal het dus moeilijk vol te houden zijn, dat de Kerk van Christus geen leer, geen belijdenis, geen confessie noodig heeft; of ook, dat 't er voor de Kerk des Heeren minder op aan komt, of zij de hand houdt aan haar belijdenis en of de leden der Kerk de belijdenis beamen of niet. Met de Schrift in de hand weten we, dat het leven en het voortbestaan der Kerk er mee van afhangt, of zij Gods waarheid al of niet getrouw belijdt en verdedigt. De eere Gods hangt er mee van af. De welstand der leden van Christus gemeente is er mee van afhankelijk. Vandaar ook b.v. de tweede vraag van het formulier voor den kinderdoop, gesteld aan de geloovige ouders, die straks hun kroost moeten opvoeden, onderwijzen en doen onderwijzen: „Of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des Christelijken Geloofs begrepen is, en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekent de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen."
Hier nu komen we terug op hetgeen we in no. Ill van deze artikelenreeks schreven.
Heeft onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk in haar tegenwoordige samenstelling, een leer, een belijdenis, een confessie ? En leeft zij er naar ?
Heeft zij geen confessie, dan hebben wij, met Gods Woord in de hand, haar te verwerpen en wij moeten haar toevoegen : Gij zijt niet de Kerk van Christus in dezen lande, want Christus' Kerk heeft, naar Christus' bevel en naar het woord der apostelen te leven bij en te blijven bij „de leer van Christus" (2 Joh. vers 9), bij 't geen Christus heeft bevolen (Joh. 15 vers 14), bij Zijn Woord (Joh. 8 vers 31) bij de leer, die zij van de apostelen gehoord heeft (Rom. 16 vs. 17), bij de gezonde leer (Titus 2 vers 1), bij de leer in onvei-valschtheid (Titus 2 vers 7) ; om daarin te volharden en zichzelve te behouden. (1 Tim. 4 : 16).
Hoe staat het nu met de leer, met de belijdenis, met de confessie van de Ned. Herv. (Geref.) Kerk in haar tegenwoordigen toestand ?
ja — nu moeten we ons maar voorbereiden op een lange geschiedenis, vol ellende !
Want als dr. Bronsveld, dien we hier boven ook reeds aanhaalden, in de dagen van 1886 schrijft, „dat in de Reglementen onzer Kerk zoodanige bepalingen moeten worden gemaakt, waardoor het boven allen twijfel wordt verheven, dat iemand, die de moderne wereldbeschouwing is toegedaan, tot die Kerk niet kan toetreden, wil hij althans een eerlijk man zijn" — dan voelen we daar uit reeds aanstonds, dat het met die „Reglementen onzer Kerk" niet zoo heel mooi staat en het blijkbaar in die Reglementen niet zoo heel duidelijk uitkomt, dat in de Herv. (Geref.) Kerk niet thuishooren, die „de moderne wereldbeschouwing zijn toegedaan."
Zoo is het.
Ja — onze Herv. (Geref.) Kerk heeft haar leer, haar belijdenis, haar confessie. En in die confessie ligt haar geloof, haar levens-en wereldbeschouwing, haar belijdenis aangaande den Christus — maar „de Reglementen onzer Kerk" zijn omtrent die zaak niet al te duidelijk, zoodat het, volgens dr. Bronsveld, met een schijn van recht door iemand die „de moderne wereldbeschouwing is toegedaan" kan gezegd worden : ik behoor óók tot die Hervormde Kerk ; ik kan en wil ook lid van dat huisgezin zijn.
Met een schijn van recht
Dat moest niet zoo zijn.
Temeer, waar onze Herv. (Geref.) Kerk de voortzetting is van de aloude Nederlandsche Gereformeerde Kerken, die vanouds zoo kloek hebben uitgesproken, wat haar geloofsbelijdenis was, naar uitwijzen van Gods Woord.
De Nederlandsche geloofsbelijdenis in 37 artikelen geeft daarvan bewijs. De Heidelbergsche Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen niet minder. En toen de Remonstranten haar belijdenis wilden ontwrichten, hebben de Gereform. Kerken in dezen lande, vergaderd met de Buitenlandsche Kerken te Dordt, in den jare 1618 en 1619 getuigenis gegeven voor heel de wereld, dat zij trouw wenschten te blijven aan haar confessie en zij hebben veroordeeld degenen, die van Gods Woord en haar belijdenis afweken. Die konden héén gaan, dewijl zij niet van haar waren.
Uit die Kerken, die zoo kloek stonden met de belijdenis, die naar de Schriften is, is de Ned. Herv. (Geref.) Kerk van onzen tijd voortgekomen. Maar met een heele wonderlijke wending in de geschiedenis !
En daar zit de bron van velerlei verwarring en verslapping en ellende.
1816 — dat is een keerpunt !
1816. Dat is dus niet zoo heel lang na die dagen, dat hier de menschen (waren dat Hollanders ? ) rondom den vrijheidsboom, met den vrijheidshoed in top, dansten, gearmd met Fransche nieuwlichters, die spraken van vrijheid, gelijkheid en broederschap ; die verkondigden : geen God en geen meester.
De dagen der Fransche Revolutie. En daarna de dagen van de Fransche overheersching, toen hier Napoleon alles te zeggen had (Nederland was maar een aanslibsel van de Fransche rivieren !) en koning Lodewijk Napoleon hier wetten en verordeningen deed afkondigen.
Wat is in dien revolutietijd en in dien Franschen tijd met de Gereformeerde Kerken wonderlijk gehandeld. Wat is er vreemd met het kerkegoed rondgesprongen. En van hooger hand kwam men met allerlei voorschriften en reglementen, die vierkant tegen het wezen der Kerk ingingen.
De Revolutie had het natuurlijk op den godsdienst in het algemeen en op de Kerk in 't bizonder gemunt. In 1798 werd in de Staatsregeling bepaald, dat alle godsdiensten bij den Staat gelijk zouden wezen en dat geen burgerlijke voordeelen meer verbonden zouden zijn aan de belijdenis van eenige kerkelijke leer ; dat elk Kerkgenootschap voor zijn eigen belangen had te zorgen en in eigene behoeften had te voorzien. De Kerkelijke goederen en fondsen werden nationaal verklaard, om tot een vast fonds voor opvoeding en armverzorging aangelegd te worden. Kerkgebouwen en pastorieën, behoorende tot de Gereformeerde Kerken, moesten gelijkmatig naar het zielen-aantal verdeeld worden onder de bestaande gezindten. Ook zouden na drie jaren de tractementen, benevens kinder-en academiegelden niet meer worden uitbetaald. Geen „handopening" meer ; geen Theologische Faculteit meer. En den predikanten werd opgelegd een eed af te leggen, waarbij zij moesten beloven „nimmer met woorden of daden te zullen medewerken tot herstelling van het vernietigd aristocratisch Stadhouderlijk bestuur." (In Amsterdam weigerden 15 predikanten ; in Leiden 2, waarvan één de bekende domine Nicolaas Schotsman was).
Weg met God ; weg met Oranje — was dus de leuze in dïe dagen.
Maar, waar de Gereformeerde Kerken, tot blijdschap van velen, vroegere rechten verloren had, kwamen erin 1801 onder Lodewijk Napoleon, weer mildere bepalingen. Aan de hoogleeraren en predikanten werd de uitbetaling hunner tractementen verzekerd ; ook de Theologische Faculteiten bleven bestaan. Maar alle Kerkgenootschappen werden onderworpen aan de Regeering en daar mee verloren ook de Gereformeerde Kerken het recht van zelfbestuur. Aan de Hervormde Kerk werd een nieuwe vorm van Kerkregeering gegeven ; althans een „Concept-Reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap in het Koninkrijk Holland" werd ter goedkeuring aan Koning Lodewijk Napoleon voorgelegd, ingediend door eene Commissie, bestaande uit kerkelijke en niet-kerkelijke personen.
Maar — door de inlijving van Holland bij Frankrijk en het vertrek van Koning Lodewijk Napoleon, verviel alles weer, wat gereed lag om als wet ingevoerd te worden.
Toen dreigde grooter gevaar nog. Onder Koning Lodewijk Napoleon waren al 50 predikantsplaatsen opgeheven. Intusschen waren vroeger al tal van kerkgebouwen — vooral in N.-Brabant — in handen van de Roomschen gevallen. En nu onder Keizer Napoleon, werd weer een nieuw „Reglement ter organisatie der Kerk" ontworpen, waarbij het plan voorzat nog 300 Hervormde predikantsplaatsen te doen verdwijnen en de Remonstranten met de Hervormden te vereenigen.
Ook bestond het voornemen in de groote steden onderscheidene kerkgebouwen aan die Roomschen te geven.
Toen viel Napoleon. En Oranje kwam terug.
Nu kon de Kerk weer vrijer ademhalen.
De vorm van bestuur was tot dusverre nog niet met de daad veranderd. De oude, presbyteriale vorm van Kerkregeering was wel vaak bedreigd, maar nog gebleven. Zeer stroef werkte alles. Vele vergaderingen werden niet meer gehouden. Maar de Dordtsche Kerkorde bestond nog en de Classen vergaderden nog.
Wat zou Oranje nu doen ?
Wij wilden wel, dat we hier van goede dingen konden spreken ; maar helaas ! zijn we gedwongen van heel verkeerde dingen te gewagen.
Niet, dat Oranje ook geen goede dingen heeft gedaan. Want bij besluit van 19 Januari 1814 werd b.v. de uitbetaling der rijkstractementen aan de predikanten verzekerd. Sinds December 1810 waren die geheel of gedeeltelijk ingehouden, wat groote armoede in de pastorieën ten gevolge had. Maar in Januari 1814 werd het weer in oude gemaakt, door de goede zorgen van Koning Willem I.
Jammer, dat de Koning nu de Gereformeerde Kerken niet vrijliet om zichzelf weer te organiseeren, naar de beginselen van de Dordtsche Kerkorde en dus in den weg van het Gereformeerd Kerkrecht, met zijn presbyteriale wijze van Kerkregeering.
Maar de Koning heeft helaas ! de Kerk niet in haar eigen rechten geëerbiedigd, en heeft haar van boven af een organisatie opgelegd, die vierkant in strijd was met den aard en het wezen der Gereformeerde Kerken in dezen lande.

(Wordt voortgezet).

De algemeene verzoening.
In deze weken, waarin we bizonderlijk aandacht schenken aan het plaatsbekleedend lijden en sterven van Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar, komt ook telkens de vraag naar voren : voor wie is Jezus gestorven en aan wie komen Zijn kruis-en zoenverdiensten ten goede ? De vraag dus : hoever breidt de bediening der verzoening van Christus zich uit ? Of met andere woorden : voor wie heeft Christus alles volbracht? Wij beantwoorden deze vraag, met te zeggen, dat de Schrift leert, dat Christus' werk alleen is voor degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn en dat Christus de zaligheid niet voor méér menschen heeft verworven, dan aan wie zij wordt toegepast. Dat is de leer der particuliere genade. Waarbij wij teksten zouden kunnen laanhalen als : „Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden" (Matth. 1 vers 21) ; „Ik stel Mijn leven voor de schapen" (Joh. 10 vers 15b) ; „Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe" (Joh. 17 vers 9) ; „Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren" (Joh. 18 vers 9b) ; „gelijk Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelven voor haar heeft overgegeven" (Efeze 5 vers 25b) ; „de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed" (Hand. 20 : 28b).
Deze leer der particuliere genade staat in verband met de leer der nitverkiezing. Waarvan, wij b.v. in de Vijf Leerregels van Dordt, hoofdstuk 1, 6 lezen : „ En hier is het, dat zich voor ons opdoet die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der menschen, zijnde in even gelijken staat des verderfs ; of : het besluit van de Verkiezing en de Verwerping, in den Woorde Gods geopenbaard. Hetwelk, evenals hel de verkeerde, onreine en onvaste menschen verdraaien tot hun verderf, alzoo den heiligen en Godvreezenden zielen een onutsprekelijken troost geeft." Of gelijk we in § 7 lezen : „dewelken Hij naar het vrije welbehagen Zijns wils, tot de zaligheid, uit louter genade, uitverkoren heeft in Christus, Denwelke Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan Hem te geven en krachtiglijk tot Zijne gemeenschap door Zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of, met het ware geloof in Hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen, enz."
Daar worden dan teksten aangehaald als : „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in zichzelven, naar het welbehagen Zijns willens, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefdie." (Efeze 1 vers 4—6. En verder : „Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft deze heeft Hij ook gerechtvaardigd ; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt." (Rom. 8 vers 30). Nu is het wel bekend, dat tegen deze leer der particuliere genade, door de Gereformeerden voorgestaan en beleden, allerlei bezwaren worden ingebracht door de voorstanders van de leer der algemeene verzoening.
En ja, wel is de leer der algemeene verzoening in strijd met de practtjk des levens, daar velen het breede pad des verderfs bewandelen en weinigen den smallen weg des levens betreden. Waarbij, indien Christus voor alle menschen had voldaan, voor velen dat werk ijdel zou zijn en Zijn bloed tevergeefs voor hen gestort zou wezen. Maar toch blijft men met de leer der algemeene verzoening komen, waarbij men dan zegt : dat de mogelijkheid om zalig te worden door Christus is verworven, maar dat het aan den mensch staat om zich die zaligheid toe te eigenen — in welke redeneering dan besloten ligt, dat het geloof en de zaligheid ten slotte voor rekening van den mensch, die Christus aanneemt, komen.
Hoewel wij op Schriftuurlijke gronden niets van de leer der algemeene verzoening moeten hebben — welke leer ook tenslotte de troostelooste is van alle — moeten wij toch nog even onder de oogen zien, dat de Reinonstranten zich óók beroepen op Schriftuuriplaatsen. En dat zijn dan voornamelijk : „zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt" (Joh. 1 vers 29) ; „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3 vers 16) ; „Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzóó ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens" (Rom. 5 vers 18) ; „Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende" (2 Cor. 5 vers 19).
Dat zijn dus teksten, waarin van de wereld sprake is en van alle menschen, hetwelk de voorstanders van de leer der algemeene verzoening aanwenden om voor hun leer te pleiten. Waarbij dan nog komen teksten als : „Welke wil, dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2 vers 4) en : „En Hij is eene verzoening voor onze zonden ; en niet alleen voor de onze, maar ook voor .de zonde der geheele wereld." (1 Joh. 2 vers 2).
Meer dan één Schriftuurplaats hebben de voorstanders der algemeene verzoening dus bij de hand ; en zij komen dan ook gewoonlijk nog met 2 Petrus 3 vers 9 „de Heere vertraagt de belofte niet (gelijk eenigen dat traagheid achten) maar is langmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen" en Rom. 11 vers 32 „God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn."
Wat is hiertegen nu in te brengen? Zullen we zeggen, dat er „gereformeerde" teksten en dat er „remonstrantsche" teksten zijn ?
Natuurlijk niet. De Schrift is één en ongebroken. Wat de Schrift leert, dat leert zij overal.
Daarom moet ook steeds Schrift met Schrift worden vergeleken en de Schrift moet niet naar ónze meening uitgelegd worden, want zij heeft haar eigen uitlegging als het onfeilbaar Woord van God.
Wat leert de Schrift nu overal, als Schrift met Schrift vergeleken wordt en zij zichzelve mag uitleggen ?
Dan is het boven allen twijfel verheven, dat de Schrift overal leert, dat de zaligheid in Christus voor de uitverkorenen is ; voor degenen, die de Vader Hem van eeuwigheid gegeven heeft.
Van een zalig worden van alle menschen, hoofd voor hoofd, is in de Schrift geen sprake ; want er zullen er velen, zéér velen verloren gaan. „Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven ? " (l Cor. 6 vers 9). Die zullen komen in de buitenste duisternis. Terwijl voor degenen, die in Christus Jezus zijn, geen verdoemenis is. (Rom. 8 vers 1).
Er zal een eeuwige schifting zijn. Allen moeten voor den rechterstoel van Christus verschijnen, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad ((2 Cor. 5 vers 10) en dan zal het eenerzijds gehoord worden : „Gaat weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is (Openb. 22 vers 15) en anderzijds : „Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld." (Matth. 25 vers 34).
Wie dus leeren, dat alle menschen, hoofd voor hoofd, zullen zalig worden, die spreken niet overeenkomstig de Schrift.
Wie zeggen, dat alle dingen, een voor een geteld, weder zullen worden opgericht en hersteld, komen in strijd met de duidelijkste uitspraken der Schrift ; want alle menschen en alle engelen zullen niet weder worden saamvergaderd, daar de goddeloozen en de duivelen zullen geworpen worden in de hel.
't Is zoo geheel naar luid van artikel 37 van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, waar we aldus lezen : „En alsdan zullen persoonlijk voor dezen grooten Rechter verschijnen alle menschen, zoowel mannen als vrouwen en kinderen, die van den aanbeginne der wereld af tot den einde toe geweest zullen zijn, gedagvaard zijnde door de stemme des archangels en door het geklank der Goddelijke bazuin (1 Thess. 5 vers 16). Want alle degenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te samen gevoegd en vereenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zal geleefd hebben. En aangaande degenen, die alsdan nog leven zullen, die zullen niet sterven, gelijk de anderen, maar zullen in een punt des tijds veranderd en uit verderfelijk onverderfelijk worden. Alsdan zullen de boeken (dat is : de conscientiën) geopend en de dooden geoordeeld worden naar hetgeen zij in deze wereld gedaan zullen hebben, hetzij goed, hetzij kwaad. (Openb. 20 vers 12 ; 2 Cor. 5 vers 10). Ja, de menschen zullen rekenschap geven van elk ijdel woord, dat zij gesproken zullen hebben (Matth. 12 vers 36), die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht : en dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der menschen openbaar voor allen ontdekt worden. En daarom is de gedachte dezes oordeels, met recht, schrikkelijk en vervaarlijk voor de boozen en goddeloozen en zeer wenschelijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen, enz."

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's