De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

7 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Paul! op zij, jongen!" zei Mark, die nooit de minste vrees voor welken hond ook had gekend, en hurkte terstond zoo !aag mogelijk bij den grond om den hond te lokken.
't Beest raakte daardoor met zich zelf verlegen, schudde even den kop, kwispelstaartte, kwam nader, liet zich door Mark streelen en likte dan diens hand. De kinderen lachten en schaarden zich om den hond. Dat vonden allen, de hond zelf ook, een aardig geval en een oogenblikje gebeurde er niets dan likken en aaien.
Paul stond er verbaasd naar te kijken: want hij wist, dat het een booze hond was; doch hij dacht, dat de ware vriendelijkheid van den meester terstond de boosheid van den hond had overwonnen.
Hij wist niet, en Mark wist het toen zelf niet, — eerst later hoorde hij het — dat de moeder van dezen hond een trouwe vriendin van Mark was geweest. Mark had voor een paar jaar nog met dezen hond, toen deze nog door Hector gezoogd werd, gespeeld.
En in dien tijd was het aardige jonge hondje een groote hond geworden; Mark was hem wel, maar hij Mark niet vergeten; terstond had hij hem erkend. Doch Mark wist niet, dat deze hond dat jonge beestje was geweest. Voor Paul was 't iets wonderlijks.
Een der jongens noemde het beest Polli en toen zei Mark :
„Kom, Polli ! ga jij nu ook mee met ons? " En Polli ging mee, kwispelstaartend en telkens den meester in de oogen ziende. Paul wist nu niet meer, wat hij van de zaak denken moest. Vragen durfde hij 't aan niemand, maar hij overlegde, of Polli ook niet meeging om naar 't mooie zingen en vertellen te luisteren. En of Polli dan ook niet iets te wenschen zou hebben; en dan kon hij nu al begrijpen, wat; de hond zou altijd bij Mark Mons willen blijven. En dat was ook zijn eigen wensch: en meteen voelde hij zich zeer aan den verstandigen Polli gehecht: zij twee waren de nieuwelingen!
De hond ging waarlijk mee tot aan 't hek van Kooijker. Daar stonden reeds een aantal kinderen, die van den anderen kant waren gekomen, te wachten. Dadelijk hadden zij de „nieuwelingen" opgemerkt.
,, Ha, Polli! ben jij daar ook? "
„Jongens, Paul van Koen! — Ga jij ook mee naar de Zondagsschool? Mag je wel van Koen en Hilda? "
Paul hield zich bedeesd achteraf, want de „meester" was alleen naar de voordeur gegaan, en — kwam niet terug. Als hij nu eens weg bleef !
Een paar van de grootste kinderen hadden Polli bij den halsband genomen en vroegen:
„Polli, ken je je tekst? "
Maar deze nieuweling wist even weinig als die andere, wat een tekst was en gaf dus geen antwoord op de vraag.
„Ö zoo! je kent 'm niet! Dan mag je er ook niet in; ga dan maar gauw weer naar je huis!"
De hond scheen dit vol ernstig op te nemen, want hij liep terstond op een drafje naar de hofstee, waar hij thuis behoorde.
Paul vreesde nu zeer, dat hem een zelfde vraag te wachten stond, en waarop hij ook geen antwoord wist en dus ook weggezonden zou worden.
Doch daar gingen de groote schuurdeuren open, de „meester" kwam uit de donkere holte te voorschijn en de kinderen konden naar binnen gaan.
Paul had nu al zeer veel genoten, want het had hem niet weinig getroffen, dat de kinderen, de jongens ook, allen vriendelijk jegens hem waren, en — wat hij nooit gewoon was — hem als huns gelijke behandelden. Ja, hij meende zelfs te kunnen merken, dat ze blijde waren met zijn aanwezigheid en dat beviel hem allermeest: hier was hij niet de verschoppeling.
In de schuur kreeg hij een plaatsje tegen 't hooi, vlak tegenover den meester. Hij was nog nooit, in een school geweest, en het ordelijk, stil zitten, 't letten van allen op dien eenen man, die daar vóór stond, die alles beheerschte, maakte een bekoorlijken indruk op hem. Even hadden ze maar gezeten, of daar begonnen ze te zingen, het bekende:
„Lieve Heiland, hoor het nu, Als, uit zwakke kindermonden "
Hoewel Paul het lied nauwelijks half verstond, en er zooveel als niets van begreep, vond hij het toch mooi en geloofde, veel gelukkiger te zullen zijn, indien hij 't zelf mee zou kunnen zingen. Want hij had wel verstaan:
„Schoon ons oog U niet aanschouwt. Schoon Uw stem niet treft onze ooren — Als ons hart op U vertrouwt Is 't ons, of w' U zien en hooren "
Voor hem was er een Onbekende, een groote, goede Geest — Mark Mons had het gezegd, en nu, dat was hem duidelijk, werd er van gezongen — als hij van dien Onbekende meer wist, dan --------
„Laten we nu bidden !" Alle kinderen vouwden de handen en sloten de oogen.
Paul niet : hij zat verlegen rond te kijken. Mark Mons zag dat en begreep, dat de jongen niet wist, wat bidden was, en nooit eer gebeden of er den vorm voor aangenomen had. Daarom begon hij niet terstond te bidden.
„Kinderen ! — zei hij — als we bidden, spreken we tot God, Die alles gemaakt heeft, tot God, Die een Geest is, de grootste en beste Geest van alle geesten !" Sommige kinderen — allen hadden nu weer de oogen geopend — vonden dat zeggen wel wat vreemd ; ze wisten ook niet, dat de meester 't zoo zei om Paul, die daarmee begreep, wat bidden was.
„Als we bidden, vragen we iets aan dien grooten Geest, Die alles kan. Die ons liefheeft en gaarne geeft, wat we vragen, als 't goed voor ons is. Hij is hier en is altijd overal, waar wij zijn, en daarom komt het er niet op aan, of we luide vragen, of zacht, of zelfs onhoorbaar ; maar 't komt er op aan, of we het ernstig meenen, of we werkelijk ernstig dat begeeren, wat we vragen. Want God, de groote, goede Geest, let er niet op, hoe wij 't zeggen, maar hoe wij 't in ons hart meenen : want Hij ziet in ons hart, in ons allerbinnenste."
Toen zei hij, waarom we gewoonlijk onder 't gebed de oogen sloten en de handen in elkander legden, en deed het Paul vóór.
„Zóó !" En daarop begon Mons te bid­den, zooals hij vermoedde, dat Paul en de andere kinderen het zouden doen, als zij 't konden.
Hij vroeg heel eenvoudig en kort, maar zoo echt vragend, dat Paul nu en dan even de oogleden op een kiertje zette, om er door te gluren, of de meester niet tot iemand sprak, die daar werkelijk was te zien, en natuurlijk iemand die heel rijk en vriendelijk was. Maar er was niemand en Mark Mons hield maar altijd de oogen toe, en 't was voor Paul toch zeker, dat hij iemand werkelijk zag. En eens, dat de meester Dengene, Dien hij toesprak, „getrouwe Vader" noemde, deed Paul dadelijk de oogen wijd open, en zocht in de leege ruimte boven en om zich naar een mannengestalte. Het hem onbekende wezen was een Geest ; maar wat was voor Paul een geest ? Niets anders dan een wondermensch van vleesch en been, maar die even gemakkelijk door den schoorsteen als door de deur binnen kon komen. En was het misschien niet mogelijk, dat een geest zich „zoo maar" dwars door een muur heen drong, door het kleinste slotgaatje ging dat even vlug als door een open deur.
Zeker was het voor hem, dat de meester iets werkelijks vroeg aan iemand, die daar was, maar door niemand gezien werd. 't Moest iemand zijn, beter en vriendelijker dan zijn biddende vriend. Paul zelf bad nog niet mee : hij dacht slechts over 't bidden, en wat hij zelf — als hij alleen was — aan den goeden Geest zou vragen.
De meester had al „Amen !" gezegd, doch Paul bleef in zijn biddende houding, tot een buurjongen hem zeide, dat hef gebed „uit" was.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's