De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Nu werd er door allen één voor één een tekst opgezegd en daarna op dezelfde wijze nog een andere tekst. Waar de kinderen al die wijsheid vandaan haalden, kon de jongen maar niet begrijpen : ze zeiden allen precies hetzelfde.
Maar nu kwam het!
Aan de kinderen werd gevraagd, of ze een koning kenden, die aan iemand beloofde, alles te geven, wat ze vroeg, tot de helft van zijn koninkrijk.
En er waren er, die hem kenden en de jonge Esther, die niets begeerde dan haar leven en 't leven van haar volk.
Daarna werd er gevraagd naar nog een koning, die 't zelfde beloofde, en dezen kenden nog meer kinderen ; en allen kenden de wreede Herodias en haar wreede dochter.
„Omdat de koning haar zoo mooi en zoo lief vond, ais ze danste", had een meisje gezegd, en de meester vroeg daarop terstond :
„Was ze mooi ? "
„Zeker wél, meester."
„En was ze ook lief en goed? "
„Nee, meester."
Als Mark Mons ze vroeg, of 't meer ge­beurde, dat mooie kinderen niet goed en lief waren, keken ze elkander verlegen lachend aan, alsof ze van mooi en lief geen verstand hadden en zeggen wilden : Ben ik mooi ? en ben ik lief ? De oolijkerds !
Of ze een jongen kenden, die mooi was en God vreesde ?
Marie Kooijker alleen wist het.
„Mozes !"
Paul bad het meest schik van Marie Kooijker : deze wist — dacht hij — zooveel als Mark Mons. Hij kende haar ook heel goed als een vriendelijk stil meisje. Meermalen had hij eieren voor Hilda, die ze verhandelde, bij Kooijker moeten halen. Eens had hij dorst gehad en Marie om water gevraagd, maar ze had hem een nap vol heerlijke karnemelk gegeven. Een anderen keer had ze hem een geboterd stuk roggebrood met twee, in de heete asch gebraden, groote aardappelen gegeven : hij smulde nog, als hij er aan dacht. Hij merkte ook wel, dat de meester goed over haar tevreden was.
„En wie kent een meisje, dat mooi was, en lief en goed ? "
Maar op dit gebied scheen het geen vetpot te zijn : geen vinger ging omhoog.
Toch ! die van Paul ! De stakkerd straalde van geluk, dat hij nu ook eens wat wist.
„kom Paul, zeg het eens !" „Virginie !"
Sommige kinderen lachten luid.
„Meester, dat staat niet in den Bijbel!"
Terstond begon hij te blozen over het afkeurende lachen. Maar zijn opmerkzame vriend beurde zijn moed weer op. „'t Is heel goed geantwoord, hoor Paul ! Als die lachebekjes Virginie kenden, zouden ze zóó niet doen. Wij kennen Virginie, niet waar ? "
De lachers gaven zich met een knipoogje naar Mark Mons verloren en Paul groeide : hij had het goed geweten, wat niemand wist !
Doch nu voor den jongen het spannende: „Wat eischte dat mooie wreede meisje van Herodes? "
„Het hoofd van Johannes den Dooper !" Paul schokte op van den schrik. Johannes den Dooper kende hij wel : 't was een boerenarbeider uit zijn buurt, die gewoonlijk Hanke genoemd werd, maar zijn scheldnaam was „de Dooper". Paul had de jongens meermalen den man zóó hooren naroepen.
En die Johannes, over wien de meester 't nu had, was wel niet dezelfde, maar toch ook zoo iets als een boerenarbeider en die wel eens dronken was, maar ook overigens even braaf als Koen. — Maar wat behagen nu een meisje, een rijk mooi meisje, er in kon hebben, om met het afgeslagen hoofd van zulk een boerenarbeider rond te loopen, ging het begrip van den jongen ver te boven. Hij ijsde van de gruwelijke wreedheid. Hij zag het gebeuren en rilde.
Want — de koning had haar wensch gegeven.
Hij kende wel slechte menschen, maar zóó ?
zóó ? Doch nu kwam het betere.
Doch nu kwam het betere. „Wie kent nu iemand, die tot alle ongelukkigen zeide : Wat wil je, dat Ik je doen zal ? "
Dat wisten bijna allen :
„De Heere Jezus !" Tot een blinde had Hij 't gezegd, en die had geantwoord : Heere, dat ik zou kunnen zien !
Paul boog zich naar voren, om 't goed te hooren, of Jezus dat kon doen : als Hij dat kon, dan moest Hij een Geest wezen ! een groote Geest!
En ja ! de Heere Jezus had den blinde de oogen geopend ! En dan wisten de kinderen nog veel meer ; Pauls oogen draaiden van den een naar den ander, 't hield maar niet op : zooveel onmogelijks had die Jezus gedaan. Ook dooven het gehoor gegeven, lammen hersteld, ongeneeslijke zieken gezond gemaakt, krankzinnigen het vol Ie verstand gegeven en zelfs dooden weer in 't leven gebracht.
De jongen keek den meester aan, om aan diens gelaat te zien, of 't waar was, en 't was waar : hij zag het!
En wat hij in zich zelf reeds gevraagd had, vroeg de meester nu luide aan allen ; hoe de Heere Jezus dat had kunnen doen ?
„Jezus was God 1"
Voor Paul was dat nu alles hetzelfde : God, de goede groote Geest, Jezus.
En nu kwam er een vraag, die den reeds diep aangedanen jongen in de grootste spanning bracht.
Of God nu nóg wel tot ons zeide : Zeg maar, wat ge wilt: Ik zal alles doen, wat gij vraagt!
's Jongens oogen flikkerden naar alle zijden heen, want uit veel kindermonden klonk het beslist en duidelijk :
"Ja !"
Neen, dit was niet maar een vertelseltje : hier zou geen kat met een witten snuit ach­teraan komen. O, hij verlangde naar buiten om alleen te zijn, heel alleen ! Hij zou dan dadelijk probeeren !
„En wat zullen we Hem dan vragen ? " Stil ! nu zou 't komen ! Deze allen wisten, wat er gevraagd kon worden, wij allen hadden den vinger opgestoken. Sst.. „Dat Hij onze zonden vergeve !" Zonden vergeven : dat ging boven zijn begrip.
„Dat Hij onze harten reinige !"
Ja, zooals Virginie ! en zooals die eenen zoon van den burgemeester : dat waren reine harten !
„Dat we in den hemel mogen komen In den hemel! waar 't zoo hoog en eerlijk en eindeloos was. Altijd had hij wel gedacht, dat daar iets gelukkigs moest zijn. Hoe je daar kon komen ? De leeuwerik vlogen er soms heen, en daar heel hoog zongen zij zoo mooi ! Zou — -
„Dat Hij ons gezondheid geve !"
Dat ook al ! Hij had wel eens koude voeten en buikpijn gehad : soms heel erg maar nu wist hij, wat hij dan te doen had.
„Dat we goed mogen kunnen leeren".
„Dat moeder beter mag worden !" Wist Marie Kooijker 't wel ? Hij zou eens met haar over spreken, als hij er eieren moest halen.
„Dat mijn zusje beter mag worden!"
„Dat onze koe weer beter wordt!"
„Dat — dat — dat ons huisje niet omwaait!"

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's