De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

„Want het Leven is mij Christus, het sterven is mij gewin." Filippenzen 1 vers 21.

Leven en Sterven.
Het leven dat wij hier op aarde leven kan van verschillend zijden bezien en daarmee in verband kan ook de dood, dien wij allen tegenreizen, van verschillende kanten beschouwd worden.
Sommige menschen bezien het leven alleen van de lichtzijde en zulke menschen beschouwen dan den dood alléén van de schaduwzijde. Daar is een geest; die het leven prijst als het beste wat we bezitten kunnen. Daar zijn menschen die het leven willen uitputten, opdat het toch alles zal opleveren wat er in den korten tijd dien we het bezitten van te genieten is. En zulke menschen willen dan den dood gaarne zoo ver mogelijk op een afstand houden. Zij doen al wat zij kunnen om den kooning der verschrikking buiten hun venster te sluiten, want daar is voor hen niets vreeselijker denkbaar dan dat de man met zijn scherpe zeis hun levensdraad zou afsnijden en zij uitgedragen zouden worden naar de plaats waar geen verzinnlng noch wetenschap is.
Die geest die het leven beschouwt als enkel winst al het sterven als enkel verlies is de gast van het oppervlakkig optimisme, dat ook in onzen tijd zijn vele vereerders telt en dat wij in de Heilige Schrift reeds met deze woorden geteekend vinden : laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
Tegenover dien geest van het oppervlakkig optimisme staat echter de geest van het troosteloos en somber pessimisme. De menschen die met dien geest bezield zijn, zijn juist andersom. Zij weten van het leven in den regel niets dan kwaad te vertellen. Zij beschouwen het leven nooit van de lichtzijde, maar altoos van den donkeren kant. In den regel hebben zij weinig of geen oog voor de weldaden die zij uit de hand des Heeres ontvangen. Zij zien altoos meer op wat zij missen dan op wat zij bezitten. Het eenige goeds dat het leven nog heeft is dat het niet altoos duren zal, maar dat er eens een einde aan komt. Het leven is voor hen een ramp, waaraan alleen de dood een einde zal maken. Daarom beschouwen zij het ook als een uitkomst dat straks de zwarte koets voor hun deur zal stilhouden en dat er dan ergens een kuil voor hen gedolven zal liggen. En dien dood en dat graf prijzen zij niet aan, omdat zij zeker zijn dat het met het sterven later zal worden, want het is voor hen vaak niet anders dan een sprong in het duister, dien zij soms doen met een gil der wanhoop op de lippen en een zucht der vertwijfeling in de ziel. Het is alleen maar omdat zij in hun levensbeker niet anders dan droesem hebben overgehouden ; het is alléén maar, omdat zij graag van de ellende van dit moeilijke leven verlost willen zijn.
Zoo merkt ge, dat leven en dood van verschillende zijden bezien kunnen worden.
Wat is nu echter de rechte beschouwing van het leven en wat is in verband daarmee dan ook het rechte gezicht op den dood?
Het komt ons voor, dat de apostel Paulus ons op die vraag een antwoord heeft gegeven in het woord, dat  wij hierboven geschreven hebben en dat hij eenmaal tot de gemeente van Filippi heeft gericht.
De apostel spreekt hier eerst over zijn leven, en daar bedoelde hij mee het leven dat hij hier op aarde leefde naar lichaam en ziel.
Dat leven was hem Christus. En als wij nu vragen, wat dat beteekent, dan meenen wij dat Paulus hier heeft willen zeggen, dat zijn leven was :

1e een leven uit Christus.
2e een leven door Christus.
3e een leven met Christus ; en
4e een leven tot Christus.

In de eerste plaats was het leven van den apostel een leven uit Christus. Christus bleek van dat leven de bron en oorsprong te zijn. Evenals het water van een rivier zijn oorsprong heeft in een bron, zoo had het leven van dezen man zijn oorsprong in Christus.
Ja, de apostel Paulus kende, evenals ieder kind van God, een tweeërlei leven. Hij kende een leven dat hij reeds had ontvangen toen hij in zijn moeders buik was bedekt, maar hij kende óók een leven dat in hem gewrocht was door de bijzondere, door de wonderbaarlijke werking van den Heliigen Geest.
De scheiding van die twee levens lag op den weg naar Damascus. Vóór dien tijd immers had de apostel slechts één leven geleefd. Het was een leven waarin hij alleen zichzelf had gezocht; het was een leven waarin hij alleen zijn eigen eer op het oog had gehad : het was een leven waarin hij geleefd had als een Farizeêr, waarin hij gemeend had tegen de zaak van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen te moeten doen : kortom het was een leven waarin hij zijn eigen gerechtigheid had zoeken op te richten.
Maar op den weg naar Damascus was hij door de machtige hand des Heerai gegrepen geworden. Daar had God een ander leven in hem geplant. Daar Immers had de verheerlijkte Christus zich aan hem ontdekt in het bekende woord : Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. En het eerste teekeo van het nieuwe leven dat in hem gewekt was, was toen de bekende uitroep geweest : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?
Ja, sinds de apostel op den weg naar Damascus met God te doen had gekregen, was hij een nieuw leven deelachtig geworden, was er tusschen Christus en hem een mystieke gemeenschap gekomen. Zijn leven en dat van Christus was daar één geworden. Om de volkomenheid van die eenheid te doen uitkomen, had Paulus reeds in zijn brief aan Galaten gezegd : ik leef, doch niet meer ik, maar Christus heeft in mij hetgeen ik nu in het vleesch leef dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad en zichzelve voor mij overgegeven heeft. Ja, om de volkomenheid van die eenheid nog des te duidelijker te teekenen, gaat hij in den brief aan Fïlippi zijn leven als 't ware met dat van Christus vereenzelvigt, zeggende : het leven is mij Christus.
En wat dunkt u, kan dat woord in dien zin door al Gods kinderen den apostel niet nagezegd worden?
Immers, van nature, neen. dan was Christus ook hun leven niet. Integendeel, dan kenden ook zij maar één leven, het leven dat bij hun geboorte tot openbaring kwam. In geestelijk opzicht dan konden zij van nature niet anders dan dood door de misdaden en door de zonde genoemd. Dan was hun hart niet ongelijk aan de doodenvallei, die de Heere eens aan Ezechiêl toonde. Maar sinds de Heere met Zijn machtigen Geest vaardig over hen werd en het Hem beliefde Zijnen Zoon aan hen te openbaren, heeft ieder kind des Heeren een ander leven ontvangen. En dat leven dat in de ure der wedergeboorte in hen gewekt werd, blijkt niet anders dan het leven van Christus te zijn. Sinds dat oogenblik blijkt Christus de bron en oorsprong van hun leven te wezen. Het water uit de levensbron Christus is door de werking des Heiligen Geestes als 't ware in hen overgevloeid.

In de tweede plaats was het leven van een apostel een leven door Christus.
Immers waar leven is, daar moet dat leven ook ten allen tijde worden gevoed en gesterkt. Zoo is het ook in het natuurlijk leven, in welks bezit wij allen ons nog verheugen mogen. Werd ook dat leven niet gevoed, niet telkens weer bij vernieuwing gevoed, wij gevoelen, dat 't dan spoedig zou uitgedoofd zijn. En niet anders is het nu met het geestelijke leven dat door den Heiligen Geest geplant was in de ziel des apostels en dat nog steeds gewerkt wordt in de harten van allen die Godss kinderen zijn. Ja, inzonderheid dat leven is een voortdurende strijd.
Vraagt het maar aan allen, die door genade dat leven drachtig zijn geworden. Dan zullen zij immers allen getuigen van een wet die strijdt met de wet huns gemoeds en hen gevangen neemt onder de wet der zonde, die in hunne leden is. Dan zullen zij allen spreken van scherpe doornen in het vleesch. Dan zullen zij allen klagen dat daar vaak zooveel tranen door hen geschreid en zooveel zuchten door hen geslaakt moeten worden.
Maar ziet, nu blijkt Christus in dien strijd om het geestelijk bestaan ook de Onderhouder van hun leven te zijn. Christus immers is het brood des levens, waarmee hun hongerende ziel telkens weer wordt gevoed. Christus is het water des levens waarmee hun dorstige ziel telkens weer wordt gelaafd. Christus is de levenskracht waarmee hun moegestreden ziel telkens weer wordt verkwikt. En zoo is 't leven van Gods kïnd niet slechts uit Christus gevloeid, maar het wordt ook door Christus onderhouden. Het is ook een leven door Christus.
Maar dan is het in de derde plaats ook een leven met Christus. Paulus zegt dan ook elders zoo terecht: ons leven is met Christus verborgen in God.
Mijn leven is met Christus. Neen, dat kan de mensch dezer wereld niet zeggen. Van nature toch dan leeft de mensch in plaats van met Christus veel Iiever met zichzélf, met de wereld, met de zonde, en in den grond der zaak met den vorst der duisternis. Het leven met Christus lijkt den natuurliken mensch veel te eng en veel te benauwd. Veel te bang en veel te donker. Het leven met Christus is in het oog van den mensch dezer wereld aan alle vreugde gespeend. Hij stelt het zich voor, dat het altoos een klagen en nooit een roemen, dat het altoos een zuchten en nimmer een juichen is. Hij kan het zich niet anders indenken of het leven met Christus gaat onvermijdelilk gepaard met een pruilende lip en een huilende stem.
Wanneer wij echter zelf in de gemeenschap met Christus, dus in den verborgen omgang met God het leven onzer ziel gevonden hebben, dan weten we, dat het juist omgekeerd is. Dan verstaan we dat alleen dat leven met Christus de bron is van alle vreugd, het geheim van alle heil en de oorzaak van alle zaligheid. Dat leven met Christus zouden Gods kinderen dan ook voor niets ter wereld willen missen. Vraagt het hun maar, en zij zullen het u als uit één mond toeroepen, dat zij er voor de gansche wereld geen afstand van willen doen.
Maar niet alleen uit, en door, en met; het leven van een kind des Heeren is ten slotte ook een leven voor of tot Christus. Alles wat uit Christus vloeit, keert immers ook weer tot Hem terug. Het leven is mij Christus kan dus ook in dezen zin worden opgevat, dat de apostel er mee bedoelde : mijn leven behoort niet meer mijzelf, maar het behoort den Heere Christus toe ; ik ben Zijn eigendom geworden en nu zijn ook al de uitgangen van mijn leven op Christus gericht. Zijn eer, Zijn naam, Zijn zaak, Zijn Woord, zijn het element van mijn leven geworden. En zoo is het toch in den grond der zaak ook met allen die het eigendom van Christus zijn geworden.
Want zeker, het was wel een hoog standpunt dat de apostel hier zoo vrijmoedig durfde getuigen dat zijn leven Christus was. Toen hij deze woorden sprak, klapwiekte de apostel met de vleugelen des geloofs zoo heel hoog boven dezulken, die nog maar kruipen op den weg der zaligheld. Het is dan ook volkomen waar, dat niet al Gods kinderen dit woord den apostd met dezelfde zekerheid en met dezelfde beslistheid durven nazeggen. Maar daarbij mogen toch twee dingen niet vergeten worden. In de eerste plaats, dat deze zelfde Paulus, die hier zoo hoog vloog, in dezen zelfde zendbrief ook gezegd heeft: ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht. En in de tweede plaats, dat er geen enkel kind van God is, die niet stamelt wat Paulas hier in de taal van het welverzekerd geloof zoo vrijmoedig beleden heeft.
Het leven is mij Christus. Christus dus de bron van het leven, Christus dus de kracht van het leven, Christus dus de inhoud van het leven, Christus dus het doel van het leven.
Wat dunkt u, is zulk een leven ook een rijk leven, of niet ?
En Is zulk een leven ook waard om uw leven er eens naast te leggen, en dan uzelf af te vragen of zulk een leven het uwe reeds is ?
En neen, dan is Christus uw leven nog niet als de grondtoon van uw leven nog niet een gebed is om door Hem behouden te worden.
Dan is Christus uw leven nog niet, als de polsslag van uw leven nog niet jaagt naar de prijs der roeping Gods.
Dan is Christus uw leven nog niet als de drijfjkracht van uw leven niet is Gods levende Woord, en als de strekking van uw leven niet is dat de Naam des Heeren verheerlijkt wordt.
Dan is Christus uw leven nog niet, als gij nog niet valt voor Zijn Woord, als gij nog niet vlucht tot Zijn troon, als gij nog niet strijdt om in te gaan, als gij uw leven nog verdeelt tusschen God en de wereld, tusschen Christus en Belial.
Maar dan ook is Christus uw leven wel, wanneer gij als een arm en een ellendig zondaar onder Zijn Middelaarsvleugelen uw toevlucht hebt gezocht. Dan is Christus uw leven wel, als gij door Zijn bloed gereinigd, als gij door Zijn Geest geheiligd, als gij door Zijn werk verlost, als gij door Zijn gerechtigheid behouden wilt worden.
Dan is Christus uw leven wèl, als daar iets in u leeft van de bekende belijdenis van den dichter van den 73sten Psalm : Wien heb ik nevens U in den Hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's