Uit het kerkelijk leven.
De Kerk.
De Overheid — en hier mag wel gedacht worden aan mannen als de Commissaris-Generaal H. van Stralen — wilde meer éénheid in den vorm van het bestuur der Gereformeerde Kerken. De verschillende provincies deden de dingen te veel "op eigen houtje", waardoor de eenheid der Kerk te weinig tot haar recht kwam. En daarom begeerde de Overheid, dat alle provinctes, niet alleen in het burgerlijke maar ook in het kerkelijke bestuur, dezelfde wetten en gewoonten zouden hebben.
Centralisatie was de leus ; waarbij de plaatselijke Kerk haar rechten en vrijheden voor een groot deel zou verliezen ; waarbij ook de provinciale synoden zouden worden afgeschaft — de classicale vergadering zou in naam blijven — en waarbij alles als opgesmolten werd in eene jaarlijks te houden Algemeene Synode, die geheel naar model van de Overheid zou worden saamgesteld en ingericht.
14 Mei 1814 maakte de Raad van State ernstig bezwaar tegen dit plan. Men sprak van „een niet strooken met de natuur van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap." Men vreesde dat die synode wel eens ten kwade kon werken terwijl men er zich geen waarborg voor konde beloven, dat daarbij altijd de gematigdheid zoude plaats grijpen, welke alleen de rust der Kerk kon verzekeren. Daarenboven stond 't te vreezen, dat over de wettigheid van zoodanige Synode, indien zij niet was samegesteld uit afgevaardigden van de provinciale Synoden, heel wat ongenoegen zou ontstaan onder de Hervormden, vooral onder de predikanten, waar van allerlei wanorde het gevolg kon zijn." Bovendien meende de Raad van State (in 1814) dat „volgenss artikel 139 van de Grondwet, des Koonings bemoeiingen met de Kerkgenootschappen zich niet verder mochten uitstrekken dan tot schikking van financiêelen aard."
Indien de Vorst zich evenwel toch met de aangelegenheden wilde inlaten, adviseerde de Raad van State het beste, een consuleerende Commissie te benoemen, samengesteld „uit eenige bijzondere, verlichte leeraars der Hervormde Kerk in andere kundige lidmaten uit de onderscheidene provincies, ter voorlichting ter zake van eene verbeterde organisatie."
Men voelde dus wel, dat men een verkeerden en voor de Kerk een gevaarlijken weg opging. Men heeft gewaarschuwd. Doch tegelijk eigenlijk tot een on-grondwettigen en verderfelijken weg geadviseerd.
Was de Koning maar verstandiger geweest !
Koning Willem I volgde het advies, door den Raad van State gegeven op (aan de waarschuwing werd geen aandacht geschonken !) en bij besluit van 12 October 1814 werd meegedeeld dat eenige „verlichte leeraars en kundige lidmaten uit de onderscheidene provincies" zouden worden gevraagd in een consuleerende Commissie zitting te nemen. Maar de politieke verhoudingen — Napoleon was in Frankrijk teruggekeerd — waren oorzaak, dat het bij een besluit voorloopig bleef. 13 Mei 1815 drong de Secretaris van Staat evenwel aan, om toch bij „geheim besluit" tot benoeming over te gaan, men zou dan vast met de leden van de Commissie „vertrouwelijk" kunnen correspondeeren en alles voorbereiden. Dit voorstel werd 28 Mei 1815 in een koninklijk besluit belichaamd. De Koning benoemde 11 leden, één uit elk der toen bestaande provinciale Synodale ressorten en uit de Waalsche Kerkgemeenschap, 't Waren de heeren : H. H. Donker Curtius, predikant te Arnhem ; W. L Krieger, predikant te 's Gravenhage ; W. Broes, predikant te Amsterdam ; A. van Deinse, predikant te Middelburg ; C. van der Leeuw, predikant te Utrecht ; N. Lobry predikant te Leeuwarden ; C. Fransen van Eek, predikant te Deventer ; D. Hendriksz, predikant te Groningen ; J. de Jong , predikant te 's Hertogenbosch ; G. Benthem Reddingius, predikant te Assen en D. Delprat, predikant bij de Waalsche Gemeente te 's Gravenhage.
't Ging dus alles buiten de Kerk om. En niet alleen in 't begin, maar ook in den voortgang. Want de Secretaris van Staat had een Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden in orde gemaakt, dat den 17den van Zomermaand 1815 aan ieder lid der Commissie werd toegezonden, vergezeld van een memorie van toelichting. Verzocht werd, of ieder der leden op-en aanmerkingen schriftelijk wilde inzenden vóór de vergadering, en al de leden voldeden hieraan „met nauwgezetheid, vrijmoedigheid en blijmoedigheid."
9 October 1815 werd een gewijzigd ontwerp aan de leden der Commissie toegezonden en werd hen aangeschreven den 25sten October te 's Gravenhage bijeen te komen. Deze eerste bijeenkomst duurde tot 4 November, toen het Ontwerp-Reglement, zooals het toen was, door al de leden der Commissie werd onderteekend. 13 November bood de Commissaris Generaal, die als Voorzitter de vergadering der consuleerende Commissie had bijgewoond, het gemaakte ontwerp den Koning aan, met een begeleidend schrijven, waarin de beginselen van het Ontwerp-Reglement zéér werden geprezen.
Uit dit alles is tenslotte geboren het Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk, 't welk den 7den Januari 1816 door 's Konings goedkeuring werd bekrachtigd, met bevel, dat dit Reglement met den meesten spoed in ziin geheel in het loopende jaar moest worden in werking gesteld ; en dat de bestaande kerkelijke colleges en bestuurders (van vóór 1816 dus) hunne werkzaamheden regelmatig moesten eindigen. De verschillende bizondere reglementen (voor de Kerkeraden, de Diaconie, het examen, enz.) zouden zoo spoedig mogelijk aan het Departement van Binnenlandsche Zaken worden ontworpen en aan de eerste Synode-vergadering worden aangeboden ter behandeling en vaststelling.
Wanneer wij deze dingen nog weer eens aan onzen geest laten voorbijgaan, kan het toch niet bevreemden, dat menschen die voelen voor het Gereformeerd Kerkrecht nog steeds schande spreken over de manier, waarop in 1816 door de Overheid, zonder eenige Kerkelijke vergadering daarin te kennen, aan de Kerk een organisatie is opgelegd, welke niet alleen in aard en wezen en beginsel verschilde van de Dordtsche Kerkorde, maar een organisatie, welke geheel in strijd was met den aard en het wezen van de Oereformeerde Kerken in dezen lande, die nu door den Koning eenvoudig werden opgesmolten in één Kerkgenootschap, met de Synode als hoogste Bestuur.
De Overheid heeft door het oude een streep gehaald en het nieuwe er voor in de plaats gegeven, maar noch tot hef eene noch tot het andere had zij ook maar eenig recht.
En eenmaal op dien weg zijnde, ging de Regeering hoe langer hoe verder. Want de leden van de eerste Synode werden door den Koning gekozen en niet door de Kerk. Bij koninklijk besluit van 28 Mei 1816 wenden benoemd de 11 predikanten, die in de Consuleerende Commissie zitting hadden, met toevoeging van drie andere predikanten, één ouderling en drie praeadviseerenide professoren. De drie predikanten waren : ds. J. J. Scholten, predikant te Breda ; ds. A. Goedkoop, predikant te Gent (Limburg) en ds. I. J. Dermout, predikant te 's Gravenhage, die als secretaris zou optreden.
De eenige ouderling die in de Synode zitting kreeg was mr. J. van Leeuwen, van Arnhem ; terwijl uit de Godgeleerde Faculteit te Leiden prof. J. v. Voorst, uit Utrecht prof. H. Royaards en uit Groningen prof. H. Muntinghe als praeadviseerende leden zitting mochten nemen.
De Synode (zij vergaderde van 3 tot 30 Juli) werd den 3den Juli 1816 in de Kloosterkerk te 's Gravenhage plechtig geopend met een rede van ds. Krieger, naar aanleiding van 1 Cor. 14 : 10 : , laat alle dingen eerlijk en met goede orde geschieden", „waarin Z.H.Eerw. na eene beknopte toelichting van den gekozen tekst, de aandacht der hoorders bepaalde bij het nut van het tegenwoordig bestaande Kerkelijk Bestuur, den oorsprong van de Synode en de voordeden daaruit ontstaan ; sluitende dezelve met gepaste aanspraken en opwekkingen."
Z.Exc. de Commissaris-Generaal liet daarop door den WeJEd. Gestr. Heer secretaris en adviseur bij het Departement der Kerkelijke zaken openlijk voor lezen de artikelen uit het Algemeen Reglement van het bestuur der Hervormde Kerk, betreffende de Synode en deszelfs werkzaamheden van art. 16— 30. En nadat het koninklijk besluit van 28 Mei 1816 was voorgelezen, uit hetwelk bleek wie er als leden van de Synode door den Koning waren benoemd, hield Z.Exc. de Commissaris-Generaal zelf een „treffende en doelmatige aanspraak aan de leden van de Synode, waarin de heuchelijke tijdsgelegenheid dankbaar werd vermeld en de plichten in art. 9 van het Algemeen Reglement (thans art. 11 Algem. Regl.) genoemd, met ernst en waardigheid ontvouwd en aanbevolen werden, wordende alzoo deze Vergadering door Zijne Excellentie namens Zijne Majesteit geconstitueerd."
„Deze aanspraak werd door den Hoog Eerw. Heer W. L. Krieger gepast en zegenend beantwoord, eindigende Zijn Hoog Eerw. met een minzame en hartelijke aanspraak aan de leden van de Synode." (Syn. acta 1816).
Alles is zoo „hartelijk" en „vriendelijk" en „lief" toegegaan hij die oplegging van de organisatie van 1816 ! Zóó lief en zóó vriendelijk, dat men er nu nog van walgt !
En we kunnen het zoo goed verstaan, dat in den loop der jaren door onderscheiden theologen en juristen is betoogd, dat heel de organisatie van 1816 in oorsprong en wezen vol onrecht en vol kwaad zit ; zóó vol onrecht en kwaad, dat het bijna niet onder woorden is te brengen.
Mannen als Hooyer, Prins, Bronsveld, Gunning, Groen van Prinsterer, Heldring, van Lynden van Sandenburg, Thorbecke, van Houten, Fabius, Kuyper, de Meyer, Rengers Hora Siccama, de Jonge van Ellemeet, enz. enz. staan hier naast elkaar en laten eigenlijk, bij verschillend waardeeren, een en hetzelfde geluid hooren.
(Wordt voortgezet).
De algemeene verzoening.
II.
Wie leeren, dat alle menschen, hoofd voor hoofd, zullen zalig worden, spreken niet overeenkomstig de Schrift ; en in onze Gereformeerde belijdenisschriften wordt dan ook een ander geluid gehoord. (Zie Heid. Catech. Zondag 7). Alle menschen, alle engelen, zullen niet weder worden saamvergaderd, daar de goddeloozen zullen worden uitgeworpen en de duivelen zullen blijven in hun eeuwige banden. (Openb. 22 vers 15).
Ook die teksten, die schijnbaar van een algemeene verzoening en van de wederoprichtinig aller dingen spreken, leeren ons wat anders; wat duidelijk wordt, als wij ze lezen in het goede verband.
Neem 1 Joh. 2 vers 2 : „En Hij is eene verzoening voor onze zonden ; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonde der geheele wereld." Dat is nu wel een tekst, die schijnbaar leert, dat heel de wereld, dat alle menschen, zullen zalig worden. Maar lees dezen tekst nu eens in het verband met de geheele beschouwing van den Apostel. Dan blijkt duidelijk, dat hier volstrekt niet geleerd wordt dat de zonde van de geheele wereld, van alle menschen, hoofd voor hoofd, verzoend is en dat alle menschen, man voor man, zullen zalig worden. Zoo'n gedachtengang wordt bij de apostel Johannes hier in de verste verte niet gevonden en hij zegt zooiets ook nergens. Wel het tegendeel ! Want in het derde hoofdstuk staat duidelijk, dat het gaat tusschen de kinderen Gods en de kinderen des duivels, tusschen de Gemeente des Heeren en de wereld. De scheidingslijn is overal : voor of tegen den Christus ; verzoend of onverzoend. Maar dit is nu het heerlijke van Gods verzoeningswerk, — en dat doet de Apostel uitkomen — dat Hij Zijn uitverkorenen overal heeft, onder alle geslachten, talen en natiën ; over heel de wereld verspreid.
Het Jodendom en de eerste Christengemeenten hadden het noodig, dat dit algemeene karakter van Gods particuliere genade telkens sterk op den voorgrond werd gezet. De Heere heeft de Zijnen aan al de plaatsen Zijner heerschappij en krachtens Gods genadeverbond zal de zaligheid over allen die daar in vervat zijn, komen, even zeker als de straf gekomen is over allen, die in Adam begrepen zijn. Twee dingen zullen dus in 't oog moeten worden gehouden bij de teksten, die zoogenaamd vóór de algemeene verzoening pleiten. En wel dit : dat de nadruk .gelegd werd door de Apostelen (door al de Apostelen) tegenover het particularisme der Joden, ook het feit, dat de Heere door heel de wereld Zijn uitverkorenen heeft; terwijl vervolgens betoogd wordt dat de Heere Zijn gekenden heeft onder alle menschen wat soort, en rang betreft ; onder armen, maar ook onder rijken, onder de slaven, maar ook onder de heeren ; onder de burgers, maar ook onder de koningen ; en dat Hij niet zal toelaten, dat er ook maar iemand van de Zijnen zal verloren gaan. Lees nu, dat in 't oog houdend, nog eens teksten als : „Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende" (2 Cor. 5 vers 19) of : „Welke wil, dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen." (1 Tim. 2 vers 4).
Wordt het nu b.v. niet duidelijk, dat Paulus in den brief aan Timotheus vermaant, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen — waarmee Paulus natuurlijk niet bedoelt voor alle menschen, hoofd voor hoofd en een voor een, maar voor al dat soort van menschen, die hij in het 2de vers noemt, n.l. voor koningen en allen, die in hoogheid zijn.
En dat onderstreept hii dan nog eens — n.l. dat men toch niet voor één soort van menschen, maar ook voor anderen bidden moest — door te zeggen : „want God wil, dat alle menschen zalig worden.
De christenen, die vervolgd werden door de overheden der wereld, moesten niet nalaten Gods aangezicht te zoeken voor degenen, die in hoogheid gezeten waren, want God wilde óók van deze menschen zalig maken. De Zaligmaker beperkt Zijn zaligheid niet tot een bepaalde groep. Hij wil Zich ontfermen over koningen en onderdanen, rijken en armen, er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, en daarom nu moesten zij, die zelf de zaligheid mochten deelachtig zijn, het ook bedenken in hun gebeden, dat de Heere van alle soorten der menschheid wil zalig maken; dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, die wil dat alle menschen, — zonder beperking door nationaliteit of stand — zalig worden.
Een uitlegging als boven is geheel, in overeenstemming met de gansche Schrift.
„Alle heidenen zullen Hem dienen", staat er in Psalm 72 vers 11b. En wij zingen er zoo gaarne van.
Maar dat kan nóóit beteekenen alle heidenen, man voor man en hoofd voor hoofd.
Heel de Schrift komt daar tegen op. Doch heel de Schrift leert, dat van al de soorten van heidenen, van al de volken en talen en landen zullen komen tot Sions Koning. (Psalm 87).
Zoo ook 2 Petrus 3 vers 9 : „... niet willende, dat iedereen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen."
Degenen die een algemeene verzoeningsleer voorstaan gaan wat inleggen in dezen tekst, wat in strijd is met hetgeen gansch de Schrift leert.
De Schrift leert nergens, dat de Heere niet zal wederkomen vóór dat alle menschen, man voor man, zich zullen hebben bekeerd en de zaligheid zullen hebben verkregen.
De Schrift leert overal héél andere dingen !
En 2 Petrus 3 vers 9 is in overeenstemming met héél de Schrift. Want de Apostel Petrus zegt hier, gelijk de andere Apostelen dat óók leeren, dat de Heere niet zal wederkomen voordat alle uitverkorenen zullen zijn vergaderd en toegebracht; en de Heere wacht zoo lang met Zijn wederkomst — wat geen traagheid is ! — omdat Hij niet wil, dat ook maar één enkele verloren zal gaan van degenen die in Zijn genadeverbond begrepen zijn ; Hij wil ze eerst allen vergaderen ; er zal geen enkele achter blijven.
Laat men dat allen toch steeds nemen, zooals de Schrift het duidelijk aangeeft en héél de Schrift ons doorloopend leert.
Natuurlijk zit er orde aan het gebruik van dat woord „allen."
Maar laat men dan ook vragen : wat bedoelt de Schrift er mee ? Zoo b.v. Romeinen 11. vers 32 : „God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
Van een algemeene verzoening is in het laatste gedeelte van dezen tekst volstrekt geen sprake ; gelijk trouwens nergens de Schrift zooiets leert.
Maar wat wil de Apostel Paulus hier ten opzichte van de barmhartigheid Gods doen uitkomen ? Dit. Dat, waar alle menschen in Adam, hoofd voor hoofd gevallen zijn, daar wil de Heere, die eerst, naar Zijn eeuwigen Raad, Israël verkoren had als Zijn volk, doen uitkomen, dat Hij in Abraham alle volkeren en alle geslachten wil zegenen. En de Apostel Paulus betoogt hier met kracht, nu de volheid des tijds gekomen is, dat waar alle volkeren zijn afgevallen van God, Hij uit alle natiën Zich nog wil verkiezen tot zaligheid ; „opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn."
Laat men toch niet in de Schrift inleggen wat er niet staat. Hoe zou nu Romeinen 11 de algemeene verzoening leeren, waar Paulus juist in datzelfde Schriftgedeelte zoo scherp de verkiezing en verwerping leert ?
Neen de leer der algemeene verzoening en van de wederoprichting aller dingen steunt niet op de Schrift. Men kan er alleen wat teksten bij aanhalen, als men die uit het verband rukt en als men er dan inlegt, wat er niet in staat.
Er is geen algemeene verzoening. Er is geen herstel aller dingen. Er is geen bekeeringsmogelijkheid na den dood, voor degenen die onbekeerd in hun zonden sterven.
God zal straks alles in al de Zijnen zijn (1 Cor. 15 vers 28) ; Christus zal alles wezen in al. Zijn gunstgenooten (Col. 3 vers 11). Allen die in Christus zijn en allen die den nieuwen mensch hebben aangedaan zullen zalig worden ; er zal er niet één verloren gaan, want er is geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn.
En waar allen — d.i. alle menschen, hoofd voor hoofd — moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk — man voor man, vrouw voor vrouw en kind voor kind — wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad — daar zullen de rechtvaardigen hooren : Komt in, gij gezegenden Mijns Vaders ; en de goddeloozen : Gaat weg van Mij, gij vervloekten.
En wij, wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof. (2 Cor. 5 vers 10, 11).
Twee mooie Stichtingen.
Er is in den laatsten tijd gelukkig onder de Hervormden, een geest van opwaking gekomen, waardoor allerlei werk, dat tot hiertoe aan anderen — met name aan de Gereformeerde Kerken — werd overgelaten, nu onder ons ter hand wordt genomen. Waarbij veel meer samenwerking met de Gereformeerden in de Hervormde Kerk wordt gezocht, dan vroeger wel het geval was.
Wij hebben hier op 't oog hetgeen geleid heeft tot het stichten van inrichtingen als Vredeheim en Zonnegloren.
Vredeheim bedoelt aan ouden van dagen geschikte tehuizen en passende verpleging te verschaffen. "Wat vooral in deze dagen, nu er een nieuw soort „armen" is ontstaan, niet genoeg kan worden gewaardeerd.
En Zonnegloren bedoelt inrichtingen ter verpleging van tuberculoselijders op te richten, daar er nog zooveel van die ongelukkige patiënten zijn, dien het aan doeltreffende verpleging en behandeling ontbreekt.
Gaat de eerste stichting „Vredeheim" meer rechtstreeks van de Federatie van Hervormde Diaconieën uit, voor „Zonnegloren" is een afzonderlijke vereenlglng opgericht, waarin de Federatie van Diaconieën wel is vertegenwoordigd, maar dat toch een eigen Vereeniging is waarin velerlei kerkelijke krachten saamgebracht zijn.
In het Algemeen Bestuur van „Zonnegloren" zitten o. a. prof. Slotemaker de Bruine, jhr. Rutgers van Rozenburg, Baron van Boetzelaer van Dubbeldam, mr. Abr. van der Hoeven, van Rotterdam ; G. J. A. Ruys te Utrecht ; J. C. Fliehe, Arnhem ; ds. L. van Mastrigt te Harderwijk ; N. Janssen te Urecht ; L. F. Duymaer van Twist te 's Gravenhage ; ds. J. G. Woelderink te Randwijk en H. A. van de Westeringh te Veenendaal.
Wij hopen dat deze nuttige Vereeniging ook bij onze Diaconiën allerwege steun zal vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's