Ingezonden.
Sommelsdijk, 5 Maart 1923.
Mijnheer de Redacteur,
Door een en ander ben ik verplicht nog eens naar "de pen te grijpen en te antwoorden. Ik zal echter kort zijn, daar mijn oorspronkelijk doel was, niet om veel te zeggen, maar een en ander te vragen. Ik heb daarop nog geen antwoord gekregen. Bijna allen schrijven, dat er geen goed inzicht is inzake de Modus-vivendi-kwestie ; en men vraagt om nadere uiteenzetting. Toch wordt er aan ons adres bij voorbaat gesproken over begripsverwarring enz., zonder dat men daarvoor eenig bewijs aanvoert. Maar men staat daarzelf schuldig aan. Men maakt ons intusschen uit voor half-Confessioneel en slingert met groote woorden, zonder op de zaak zelf in te gaan of ons iets te antwoorden op onze vragen. Ik heb den heer Van Ek van Middelharnis in mijn vorig schrijven gevraagd, of ik bijeen wilde houden, wat niet bijeen hoort ; of wij terwllle van de goederen moeten blijven ; of er geen strijd zal, even groot als de tegenwoordige richtingsstrijd ; of dan ook geen machtsstrijd zich zal openbaren ? Inplaats nu van een antwoord te geven beschuldigt hij weer opnieuw van dezelfde zaken en gaat alleen op de twee vragen in, die natuurlijk niet de zaak zelve raken.
Mijnheer Van Ek, nu niet meer om de zaak heen gefladderd : nu er recht op aan, zooals ds. Van Schuppen schrijft Ik zal voortaan met open vizier strijden, op gevaar af van een sabelhouw te ontvangen ! Ik schreef niet uit lafheid met een onderteekening van abonné, bondslid. Ik deed het, omdat het mij om de zaak gaat, die geschreven wordt en niet om den persoon die schrijft. Hoe dikwijls wordt niet de zaak vertroebeld om den persoon die het schrijft. Maar het is niet, dat ik mij schaam om hetgeen ik schrijf.
U, Mijnh. de Red., dankend voor het mij verleende plaatsje, teeken ik
I. VAN DEN BOOGERT
Sommelsdijk.
Nog eens: Modus Vivendi.
Mijnheer de Redacteur,
Op gevaar af, dat ds. Van Schuppen niet weet waarheen hij zijn sabel moet keeren, om mij een „sabelhouw" te geven (waarom zulke taal, waarde Collega, in ons Bondsblad ? moet het er zóó naar toe onder ons, als er verschil van opinie is? ? ) en dan nog wel een sabelhouw vlak in 't gezicht, wil ik, indien het mij toegestaan wordt, toch nog gaarne een enkel woordje zeggen. Want de heer Van Ek, van Middelharnis, schreef in „De Waarheidsvriend" van 16 Februari dat er zich „enkele tegenstanders van den modus-Vivendi in onzen Bond openbaarden ; dat die tegenstanders vol „Confessioneele dubbelhartigheid" zijn; dat vele Geref. Bonders (natuurlijk de tegenstanders van den modus-vivendi) „voor de helft Confessioneel zijn" — om dan te vragen „wat men op een modus-vivendi tegen heeft ? "
Als hij dan voelt aankomen, dat het antwoord zal zijn : wij hebben er dit op tegen, dat die modus-vivendi op boedelscheiding zal uitloopen, dan antwoordt hij zelf letterlijk : „Maar moeten wij dan terwille van gebouwen en kerkelijke goederen ten eeuwigen dage blijven samenleven met hen, die onze principiëele tegenstanders zijn op alle gebied ? Men wil bijeen houden wat niet bij elkaar behoort en dat mag niet."
En verder : „Blijft dus : boedelscheiding, die wordt voorbereid door den modus-vivendi." En dan : „Laat men toch bedenken, dat 't niet de organisatie is, die ons samenbindt in wezen, doch de belijdenis. Ik zou zeggen, als Hoedemaker voor een modus-vivendi geweest is, dan kunnen wij het toch zeker wel zijn."
Als ik dat alles nog eens rustig lees en overdenk dan sta ik toch verbaasd over de groote verwardheid die er heerscht bij degenen die zeggen, dat zij 't zoo goed begrijpen, wat men bedoelt met een modus-vivendi. Heeft men ooit grooter verwarring gezien ten opzichte van de waardeering van de tegenstanders in onzen Bond en heeft men ooit grooter verwarring gezien ten opzichte van de waardeering van de voorstanders ?
Om maar één ding te noemen. Wie zegt den heer Van Ek, dat er enkele tegenstanders in onzen Bond zijn ? Kunnen het er ook niet velen zijn ? En wie van de tegenstanders onder de Bondsmannen beweert „dat we bij elkaar moeten houden wat niet bij elkaar hoort"? Laat de heer Van Ek eens één Bondsman aanwijzen, die dat leert. Laat hij eens één regel uit „De Waarheidsvriend" geven, waarin dat tot uiting is gekomen ?
En dan : „dat de organisatie ons in wezen zou saambinden !" Wie van ons zegt dat ? Mijnheer, U insinueert, terwijl U zelf boos wordt, als onder 't geen U schrijft even hier en daar een streepje gezet wordt door den Hoofdredacteur. Brengt Uw schrijven van 16 Februari de broederen dichter bij elkaar ?
Eén ding is mij duidelijk, dat de heer Van Ek niet juist weet, wat de Voorstanders van een modus-vivendi willen. Maar de radicale taal van prof. Visscher heeft hem, die nog jong is — zoo als hij zelf getuigt — bekoort en nu moet Hoedemaker mee voor 't wagentje gespannen, waarbij wordt uitgeroepen : "als Hoedemaker er voor is, dan kunnen wij er zeker wel voor zijn !"
Weet de heer Van Ek wat Hoedemaker wilde en weet hij wat prof. Visscher wilde blijkens zijn verklaring in de Tweede Kamer pas afgelegd ?
Zoolang de heer Van Ek blijkbaar zelf niet weet wat „de" modus-vivendi of .„een" .modus-vivendi — zooals ds. Van Schuppen onderscheidt — is en bedoelt, laat hij dan zelf niet spreken van boedelscheiding en laat hij vooral niet meedoen, om verdacht te maken, allen in onze Bond, die geen Voorstanders zijn van de modus-vivendi-beweging.
Mijnheer de Redacteur, ik zal U niet meer lastig vallen met U een plaatsje te vragen in ons Bondsblad over deze zaak. Ik geloof, dat er nu voorloopig weer genoeg over gezegd is. Wat mij betreft, dan blijve deze zaak verder rusten.
Met dank voor de plaatsing.
Uw dw.,
EEN BONDSPREDIKANT.
Onderschrift van de Redactie :
Wij hadden verleden week geen lust — door huiselijke omstandigheden —een onderschrift te plaatsen onder het stukje van den heer Van Ek. die zoo iets schreef van „woorden verdraaien" enz. Dergelijke dingen leggen we ook liefst naast ons neer, als ieder zelf kan controleeren wat er van aan is.
Als we nu een onderschrift zouden moeten geven, dan zij 't dit: vindt men goed, dat we de zaak voorloopig als „gesloten" beschouwen? Men zal er ons een groot genoegen mee doen. Wij kunnen niet inzien, dat we op deze wijze heel veel vorderen. Al heeft ook deze pennenstrijd weer beteekenis.
M.V.GR
Bibliotheek voor „Rehoboth", Nieuw-Leusen.
Sinds vorige opgaaf werd mij nog toegezonden een kostelijk pakket „Tot de Wet en tot de Getuigenis" van KI. te Zwolle ; een dergelijk pak (2de zending) van J. A. te Nijkerk ; benevens nog eenige boeken van E. K., S. en F. de V., allen te Hasselt.
Wellicht vraagt een lezer : Waarom bedelt die man toch immer ? Kunnen die lui daar zelf dat niet bekostigen ?
Laat me dan mogen meedeelen dat de leden onzer Evangelisatie gedurende de laatste jaren duizenden hebben bijeengebracht voor ons gebouw „Rehoboth", dat met orgel en galerij — die al spoedig noodig bleek — op ruim tienduizend komt. Daarvan rust nog 3'/2 duizend als hypotheek, zoodat alle beschikbare gelden dienen gebruikt te worden voor aflossing en er dientengevolge voor andere zeer nuttige doeleinden geen som kan worden uitgetrokken. Vandaar, dat ik me genoodzaakt zie voor dergelijke dingen aan te kloppen bij goede vrienden.
Den vriendelijken gevers onzen dank voor hun hulp en der Redactie voor de verleende plaatsruimte. Uw dw.,
Hasselt.
W. W. BOUWHUIS.
P.S. Ik heb een paar losse banden voor „Tot de Wet en tot de Getuigenis." Heeft iemand nog losse nnmmers ?
Dan kan ik ze aanvullen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's