De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

9 minuten leestijd

De komende crisis.
De hoop, die velen gekoesterd hebben, dat de vrede van Versailles, de door den oorlog afgetobde volken tot rust zou brengen, is helaas niet in vervulling gegaan.
Voor degenen, die zich van den inhoud van de vredesyoorwaarden voldoende hadden rekenschap gegeven, stond het van meetaf vast, dat er niet alleen tengevolge van de verbittering, welke tijdens den oorlog was gekweekt geworden, verwijdering tusschen de Centrale rijken en de Entente zou blijven bestaan, maar dat, wat veel ontzettender was, die voorwaarden stof gaven tot tal van nieuwe conflicten.
En zoo is het ook geschied. De vrede heeft geen rust gebracht, maar is een haard geworden van nieuwe verwikkelingen ; zoo op den Balkan als in Lithauen en Polen en niet het minst in het bijna aan ons land grenzende Roergebied.
Vooral in dit Roergebied is het alsof de oorlog nog onbeteugeld voort gaat, echter met dit onderscheid dat daar niet twee legers tegen elkander kampen, maar het is de strijd van den overwinnaar, die een volk, dat verslagen is, van zijne levenssappen die noodig zijn, om zich opnieuw op te werken, berooft.
Naast het Rusland, dat door de revolutie geteisterd blijft, en een Oostenrijk, dat van armoede en ellende wegsterft, staat het Duitsche volk, dat in zijn bestaan wordt bedreigd, en dat, zoo God het niet verhoedt, zijn ondergang tegemoet gaat.
Dat wij hier in ons land van dien toestand den terugslag zouden ondervinden, is duidelijk naar voren getreden.
En toch zijn we nog slechts aan het begin van de groote crisis, die over de gansche wereld komen zal.
Want het gaat niet zoo, dat elk land voor zichzelf kan leven, maar door het fijne raderwerk, waarin zich het leven der volkeren beweegt, is in onzen tijd het eene volk op het andere als 't ware aangewezen.
Daarbij is het ideaal, dat de Sociaal Democraten zich hadden voorgesteld, n.l. dat de georganiseerde arbeidersbeweging door haar kracht in de toekomst oorlogen zou verhindren, niet verwezenlijkt; Van die zijde wordt het onomwonden uitgesproken, dat wat men gehoopt had, heeft gefaald. De kracht, die zou ontplooiid worden, is tegengevallen. Men had op alles gerekend, maar op één ding was niet gelet, n.l. op den factor, die het leven van elk mensch beheerscht : de zonde.
En zoo staat heel de beschaafde wereld één groote chaos te worden, waaruit slechts één middel kan redden : het terugkeeren tot de Wet en tot de Getuigenis.
Leere de Heere ons volk om zioh voor Hem te verootmoedigen.

De weg tot den heilstaat.
III.
Het socialisme heeft uitgemaakt, dat de beheerschende kracht van alle leven in het stoffelijke is te zoeken. En nu gaat het noodwendig in den weg van het socialisme tot een betere maatschappij-inrichting, waar het particulier bezit vervangen zal worden door het gemeenschappelijk bezit en dan zullen allen gelukkig zijn en de godsdienst zal overbodig zijn ; zal, als vanzelf, verdwijnen en wegvallen, zooals de Pleister afvalt en overbodig is  wanneer de wond is genezen. De godsdienst kan alleen maar bestaan in tijden, dat de stoffelijke verhoudingen zoo gebrekkig en ellendig zijn onder de menschen, maar dat zal straks uit zijn. De voorgeschiedenis van de menschelijke geschiedenis spoedt ten einde. Want zooals Marx schreef : „Alle bestaande gesohiedenis, zoowel die der beschaving alsook die van het kapitalisme, is slechts vóórgeschiedenis ; de mensch is nog niet eigenlijk mensch ; eerst met het socialisme wordt hij geheel mensch en heer der aarde ; dan eerst maakt hij bewust zijn geschiedenis zelf." Of zooals Engels leert : „De strijd voor het afzonderlijk bestaan houdt op. Daar mede eerst treedt tde mensch in zekeren zin definitief uit het dierenrijk, komt uit dierlijke bestaansvoorwaarden in werkelijk menschelijke. De objectieve vreemde machten, die tot nu toe de geschiedenis beheerschten, komen onder de controle van de menschen zelf. Eerst van dien tijd af zullen de menschen hun geschiedenis met bewustheid zelf maken. Het is de sprong van de menschheid uit het rijk der noodzakelijkheid in het rijk der vrijheid." En Ant. Pannekoek voegt er in zijn brochure „Godsdienst en Socialisme" dan bij : „Is het thans nog vermetel, of is het niet veeleer eene eenvoudige vanzelfsprekende gevolgtrekking, indien wij zeggen, dat dat vrije, heerlijke gouden geslacht, dat dan zal opstaan, niet meer het bijgeloof noodig heeft, dat gedurende de geheele beschaafde periode noodzakelijk en onvermijdelijk was ? " En verder : „De arbeidersklasse ziet den weg, hoe zij zichzelf kan verlossen en behoeft geen verlossing van een hoogere macht af te smeeken." Zoo groeit en leeft in het strijdende proletariaat een geestes-en gemoedstoestand, waarbij voor godsdienst geen plaats, meer blijft." (blz. 26, 27, - enz.).
Zoo beheerscht dus de stof alles en betere stoffelijke omstandigheden zullen de ziel des mensclien ook met andere dingen koineii vullen, waarbij de godsdienst moet verdwijnen.
Het is zooals August Bebel teekent in zijn beleend boek „Die Frau und der Socialismus" (pag. 406 e.v.). „Aanvankelijk, zoo leert hij, was, op den laagsten trap van maatschappelijke ontwikkeling, alle godsdienst een afgodische vereering van een fetis, zijnde bijvoorbeeld een stukje hout of steen, als ware het een bezield wezen. Men noemt dat fetisisme, gelijk dat nog gevonden wordt bij enkele stammen in Afrika, Australië, enz. ; bii stammen, die nog staan op een zeer lagen trap van beschaving.
Bij verdere ontwikkeling maakte deze fetisdienst plaats voor polytheïsme (veel godendom). Bij nóg hoogere ontwikkeling ging dit over in monotheïsme (het geloof in één God). Maar reeds is dit monotheïsme wijkende voor het pantheïsme (algodendom, wereld en God één).
Doch ook dat is nog niet het hoogste. Het hoogste komt pas als de mensch voor den mensch het hoogste wezen is.
Nu springt aanstonds in het oog, dat hier dus de godsdienst uit stoffelijke omstandigheden wordt verklaard, maar dat deze materialistische verklaring van de religie niet klopt met de werkelijkheid. Het volk van Israël bijvoorbeeld, dat in maatschappelijke ontwikkeling de mindere van Egyptenaren en Babyloniërs was, had het monotheïsme (het geloof in één God), terwijl alle omringende volkeren, levende onder hooger ontwikkelde productievormen polytheisten waren. Maar men voelt, dat met geweld van dit historisch-materialistisch standpunt uit alles wordt verklaard uit de stof, die alles beheerscht en alles vormt, ook de geestelijke religieuse gevoelens van de natie. Terwijl dan wordt geleeraard, dat in de toekomende tijden, als 't economisch, maatschappelijk leven de stoffelijke omgeving des menschen dus — op 't best zal zijn ingericht, de godsdienst als vanzelf zal verdwijnen.
Uit de stof, door de stof, tot de stof zijn aie dingen, is het credo van het socialisme. Zoodat spottend wel eens gezegd is : een socialist is een Calvinist zonderGQod. Zooals de Calvinist toch de souvereiniteit Gods erkent en uitroept : uit God en door God en tot God zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid ; waarbij beleden wordt, dat God alle dingen stuurt naar Zijn Raad en welbehagen, zoo zegt de socialist, die leeft uit de historisöhe-materialistische levensbeschouwing, dat „de arbeidsbasis, het economisoh proces, de bron van het denken en van wetenschap en wijsbegeerte, van de hoogste intellects openbaringen is." (Cornelie Huygens).
Niet God heefit alles geschapen ; alles is uit het stof geworden.
Niet God regeert ; maar een grootsch mechanisme beweegt en stuurt alles.
En de mensch, die uit een lagere diersoort is opgeklommen, nadert nu in den weg van het socialisme en nieuwe toekomst, een heilstaat, waar de mensch zichzelf tot een god zal zijn, om alles te doen naar eigen wil en wet, wat aan allen zal brengen heerlijkheid en blijdschap.
Karl Marx en Darwin raken hier elkaar, gelijk Cornelie Huygens in het geschrift „Darwin en Marx" duidelijk aantoont.
„De menschen", zoo schrijft genoemde C. Huygens, „zijn in wezen gelijik aan alle schepselen in velden en wouden." Dat is dus : de mensch mag een beetje meer verstand hebben dan het verscheurend dier, dat leeft in het woud of het koebeest, dat graast in de weide, de ziel, de geest, het verstand van den mensch is in wezen gelijk aan hetgeen bij het beest omgaat en het beest openbaart. Dat is dus zooals mr. Troelstra in „Het Volk" schreef (31 Jan. 1904) : „Kat en vos, tijger en hyena, wolf en gier, zwijn en aap, treden eveneens in den mensch op. Ik bedoel dit niet in figuurlijken, zin, maar in den zin der afstammingstheorie. Op gevaar af van zoo mogelijk nog dieper bij onze politieke theologen in ongenade te vallen dan tot beden, verklaar ik hunne theorie der zonde goeddeels te accepteeren op gronden aan de afstamming van den mensch uit lagere diersoorten ontleend."
Behoeft het nu nog betoog, dat er van een bestaan van God geen sprake kan zijn ?
Het is alles in heel het stelsel en in alle redeneeringen brutale en totale Godloochening en heel het nieuwe leven dat de zonnige toekomst van de socialistische maatschappij in haar schoot draagt, zal atheïstisch zijn. Vroeger waren de menschen nog zoo dom om in een God of in goden te gelooven ; en zij maakten zich zelf goden, waarbij de priesters hen hielpen — maar dat zal weldra uit zijn, voor goed uit, en de menschen zullen zich zelf tot een god zijn en het hoogste geluk op aarde genieten !
Daarom moet ook eigenlijk ieder, die in, het socialistische kamp verzeild geraakt is, en daar weer gaat vragen naar godsdienst en gaat spreken over God, uitgelachen worden. Godsdiensl is immers met het socialisme onvereenigbaar ! Het hebben van de aarde maakt den heanel overbodig ; het hebben van de verlossing door de stof, maakt het vragen naar een Verlosser Gods belaohelijk.
Kautsky schreef dan ook : ik wil niet geacht worden, alsof ik het voor mogelijk houd, van het christelijk standpunt uit, tot het juiste begrip van het wetenschappelijk socialisme te geraken. Het erkennen van een persoonlijk God (en een onpersoonlijk God is een zinledig woord) en een persoonlijke onsterfelijkheid, is onvereenigbaar met den tegenwoordigen stand van de wetenschap in 't algemeen, waarvan het wetenschappelijk socialisme een onderdeel is, dat zich niet willekeurig van het geheel laat scheiden. Onvereenigbaar met het wetenschappelijk socialisme in 't bijzonder is het begrip van een Godmensch of „Uebermensch", wien het gegeven zou zijn, door de kracht van zijn persoonlijkheid de menschheid te verlossen of tot een hoogeren trap van zijn bestaan op te heffen.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's