De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Paul zag Mark Mons aan en merkte dat die altijd maar knikte, dat het goed was. Welnu, hij wilde nu ook wel eens wat zeggen, en aarzelend stak hij zijn hand op. Wat Mark Mons daarvan wel zou zeggen ! Want misschien was het vertelsel van de drie wenschen toch wel waar.
De meester knikte hem toe, dat hij 't mocht zeggen.
„Gebakken aardappels met een gebraden worst!" — zei hij en meteen had hij er spijt van, de dwaze vraag gedaan te hebben, want terstond barstte een algemeen gelach uit, en Paul voelde 't even, dat hij ook hier de verschoppeling was : ze lachten om alles wat hij zei, meende hij. Maar zijn vriend zette hem op de plaats der eere.
„Om eten mag je dus den Heere niet vragen ? " zei de meester.
Wel zeker wel, want de Heere Jezus zelf had ons leeren bidden om ons dagelijksch brood.
„Is aardappelen met worst dan ook geen dagelijksch brood ? "
Jawel, maar Paul had het zoo vreemd gezegd : 't was iets van een verhaaltje en de worst hing aan den neus en daarom moesten ze zoo lachen.
„Kennen jullie dat verhaaltje van de drie wenschen ? "
Allemaal kenden ze het. „Wat was de domheid van de drie broers ? "
Bijna alle handen vlogen omhoog. Paul mocht eerst antwoorden.
„Ze hadden wat beters moeten vragen." „Wat dan ? "
„Dat ze mochten worden — ja, Virginie zou hij maar niet meer noemen, want dan lachten ze hem weer uit — dat ze mochten worden — van reine harten !"
De grooteren knikten den meester toe, om instemming te betuigen met wat Paul gezegd had : zij zouden zich waarschijnlijk anders uitgedrukt hebben. En als Mark Mons het nog eens onder aller aandacht bracht, dat de Heere alles kón geven, en dat wij om alles mochten vragen ; maar dat het wijs was, om het allerbeste eerst van al te begeeren, dan liet hij de kinderen zooveel mogelijk zelf uitmaken, wat dat beste was. En toen hij 't nog eens kort en duidelijk had herhaald, wendde hij zich tot Paul met de vraag, wat de meest begeerlijke zaak was.
En terwijl alle kinderen belangstellend naar den armen jongen zagen, antwoordde hij :
„Dat we den Geest, dat we God liefhebben en dat we geen kwaad doen."
O, Mark Mons was zoo blij, dat Paul dat gezegd had. Hij legde er nog even den nadruk op, dat ze ook wel om allerlei andere, dagelijksche dingen mochten vragen ; maar ze moesten er rekening mee houden, dat God wist, beter dan wij zelf, wat goed en wat niet goed voor ons was. Hij had ons lief en zou ons dus niet gaarne iets geven, dat ons verdriet kon aandoen : maar 't allerbeste gaf Hij ons zeker, indiejn wij 't van Hem begeerden.
Daarna baden ze te zamen en zongen ze een versje en nog een versje en toen gingen ze naar huis.
Mark Mons zei tot Paul, dat hij maar even moest wachter? , want dat hij zelf een kopje koffie ging drinken bij Kooijker in de kamer.
Marie bleef in de schuur, om de banken aan kant te zetten; doch toen Paul haar bezig zag, hielp hij mee, zoodat spoedig de schuur weer in zijn gewonen doen was. Nu kwamen ze bij elkander staan.
„Marie ! moet je dat nu altijd zeggen : Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan, en dat andere ? "
„Welnee ! lederen Zondag wat anders." „Hoe weet je dan, wat ? " „Dat staat toch op 't papiertje ?
Zoo? Hij had al gedacht, waartoe dat papiertje diende.
„Maar ik kan niet lezen." „'t Is waar ook. Je hebt nooit naar school gegaan. Luister, ik zal 't je vóórzeggen, dan kan je 't nu al leeren !"
Ze begon terstond. Maar wat die Paul toch verbazend gemakkelijk zulk een tekst van buiten leerde !
„Paul, je moet leeren lezen !" „Hoe doe je dat ? " „Kan Koen lezen ? "
„Hij leest nooit, maar hij kan wel schrijven in zijn zakboekje, en uitrekenen, wat hij verdient. Ik denk, dat hij niet lezen kan." „Hilda ook niet ? "
Dat wist Paul niet. „Ik zou het je wel kunnen leeren, maar ik heb nooit vrijen tijd."
„Ik ook niet." Dat was een moeilijk geval.
„Marie ! — zou je van God mogen vragen, om 't lezen te leeren ? "
„Zeker ! als je niet lezen kunt, kan je immers ook niet in den Bijbel lezen !"
Paul wist van den Bijbel niets anders, dan dat het een dik boek was, met één zilveren slot of haak voor mannen, en met twee voor vrouwen, en dat de menschen het bij zich droegen, als ze naar de kerk gingen.
Hij wist nu, wat hij — behalve het allervoornaamste — nog aan God zou vragen.
Mark Mons was al klaar. „Kom Paul ! ga je mee, of blijf je hier ? " Haastig groette hij Marie en ging niet zijn vriend mee.
„Meester ! — als je niet lezen kunt, dan mag je wel van God vragen, niet waar, dat je 't mag leeren ? "
„Zeker, en dat zal Hij dan ook wel geven ; maar jij kunt toch wel lezen, Paul ? "
„Nee ! — ik heb nooit op school gegaan. Marie zou 't mij willen leeren ; maar we hebben allebei geen tijd."
„Ik zou het je ook wel willen leeren. Kijk ! — Mark teekende met zijn wandelstok een o in 't zand — dat is een letter, en die heet o. Kan je dat onthouden ?"
„Makkelijk!1" „Kijk ! dat is een a !"
Toen ze door 't boschje waren, kende Paul reeds de klinkers a, e, i, o en u. Doch toen de jongen zijn huis in 't oog kreeg en Koen den weg zag opkomen, vreesde hij een bestraffing. De manier, waarop hij zei: o, daar komt Koen ! deed Mark die vrees vermoeden.
„Zou Koen boos zijn, Paul, omdat je met mij bent meegegaan? "
„Ik denk het." „Je moet maar niet bang zijn, hoor ! Ik zal mijn best voor je doen. En je weet, dat je in alles God te hulp moogt vragen."
Koen ging reeds weer langzaam terug. 't Was dus zeker wel om Paul te doen geweest.
Ze haalden den man spoedig in. „Dag Koen ! hoe gaat het ? Het spijt me, dat ik je in de week nooit zie. Als je eens in Oldouwe komt, loop dan even bij ons aan. Vader en moeder hebben nog geen geschikt varken o'm te slachten. Kom je eens aanloopen ? "
Wat was Koen vriendelijk. „'k Heb een paar mooie voor je. Wil je ze zien ? "
„Nee Koen, nu niet! 't Is Zondag. Kom maar eens bij ons thuis !"
„'k Zal komen hoor. En 'k zal je goed bedienen !"

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's