Stichtelijke overdenking.
„Want het leven is mij Christus, het sterven is mij gewin." Filippenzen 1 vers 21.
Leven en Sterven.
II.
Het leven is mij Christus, zegt de Apostel.
Maar leven en sterven staan voor den christen in onlosmakelijk verband. Het leven beziet hij in de schaduw van den dood en den dood beschouwt hij in het licht van het leven.
Daarom kon het ook niet uitblijven of, nadat Paulus eerst gezegd had wat zijn leven was, gaat hij. nu ook zeggen wat zijn sterven is.
Het sterven, zegt hij, is mij gewin.
Het sterven. Wanneer dat sterven zou wezen en waar dat sterven zou zijn en hoe dat sterven zou plaats hebben, waren vragen, waarop de Apostel geen antwoord kon geven. Maar dat hij sterven zou en dat de tijd zijner ontbinding aanstaande was, dat ontveinsde een man als Paulus zich niet.
En zouden wij ons dat wel mogen ontveinzen ? Niet waar, ook wij weten niet wanneer wij zullen sterven. Of het over een uur, of het nog heden, dan wel over enkele jaren, misschien, als we nog wat jonger zijn, over enkele tientallen van jaren zal zijn, het is ons niet bekend.
Ook wij weten niet waar we zullen sterven. Of het op ons ziekbed, dan wel op den weg of in het veld, op ons kantoor of op onze studeerkamer, in de fabriek of in de werkplaats, mlsschien in de kerk of in ons eigen huis zal wezen, daar is niemand, die het ons zegt.
Ook wij weten niet hoe we zullen sterven. Of het tengevolge van een sleepende of van een plotselinge krankheid zal wezen of dat we ergens door een ongeluk getroffen zullen worden, of dat misschien onze adem in één oogenblik zal worden afgesneden, ook dat is met den sluier van de toekomst bedekt en daar is niemand door wien ook maar een enkel tipje van dien sluier kan opgelicht worden.
Maar we mogen niet weten wanneer en waar en hoe, maar dat we zullen sterven, het wordt ons in de Heilige Schrift geleerd en we zien ook daarin de waarheid van Gods Woord telkens weer door de ervaring bevestigd.
Dat het den mensch gezet is eenmaal te sterven ; dat de mensch van eene vrouw geboren, kort is van dagen en zat van onrust, dat ons leven gelijk is aan het gras dat verandert, dat het in den morgenstond bloeit en verandert en dan des avonds wordt afgesneden en verdort, we worden er telkens op allerlei wijze aan herinnerd. Ja, de mensch gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers zullen in de straat omgaan, om het nu van dezen en dan van genen en eenmaal ook van u en van mij te verkonden, dat we den weg van alle vleesoh zijn gegaan.
Sterven ! Ontzettende gedachte die in dat kledne woord, die in de zeven letters besloten ligt.
Immers wat sterven eigenlijk is, weten we niet. Zeker, daar wordt wel vaak een verklaring gegeven, en zoo kunnen we zeggen dat het een scheiding is tusschen lichaam en ziel.
Niet waar, we weten als een mensch sterft, dan keert de geest weer tot God, die hem gaf en wat hier op aarde dan overblijft dat blijkt weldra niet anders dan stof te wezen dat straks in de groeve der vertering, in het killee graf wordt nedergelaten om daar weldra een prooi van 't wriemelend gedierte dezer aarde te zijn. Maar met het geven van die verklaring weten we nog niet wat sterven is. Immers wat een mensch die sterft gevoelt, ondergaat, ervaart, dat weten we niet en dat zullen we ook niet eer weten voordat ons eigen lichaam daar zielloos en koud op het doodbed nederligt.
Maar nu komt de Apostel Paulus ons zeggen dat het sterven, het moge dan verder wezen wat het wil, gewin voor hem is. En niet alleen hem — want het woordje „mij" dat in onze vertaling schuingedirukt staat, staat er eigenlijk in het oorspronkelijke niet bij, — maar dat gewin dat betreft allen die een even dierbaar geloof met hem waren deelachtig geworden.
Nu is deze uitspraak van den Apostel, dat het sterven gewin is, een raadsel voor den natuurlijken mensch. We zouden haast zeggen: daar is voor den onbekeerden mensch geen tegenstrijdiger plaats in onzen ganschen Bijbel denkbaar dan deze, dat het sterven gewin zou zijn.
Integendeel, op zichzelf achten wij 't sterven juist het grootste verlies dat door een mensch geleden kan worden. Als de dood dan ook onze vensteren intrad, dan spreken we in den regel van en dan gaan we elkander condoleeren met het verlies dat door ons geleden werd.
En op zichzelf is dat ook volkomen juist. Immers op zichzelf is de dood een roover, die ons alles, zelfs het liefste dat we hier op aarde bezitten, ontrooft, een wreedaard, die nu letterlijk niets en niemand ontziet. Of doet hij onzen aardschen tabernakel soms niet in één oogen blik instorten? Blaast hij niet alle schoonheid des menschen soms in één oogenblik weg om er walgelijkheid voor in de plaats te geven ? Scheurt hij de teerste liefdebanden vaak niet op de meest wreede wijze uiteen ?
Is het niet de dood, die den rijksten bezitter hier op aarde soms op eenmaal ontbloot van alles dat hij zich zijn eigendom waande? Is het niet de dood die hem alles ontneemt en die hem niet anders overlaat dan zes planken en een kleine strook gronds, waarin zijn stoffelijk overblijfsel geborgen wordt ?
Verplaats u an uw gedachten aan een doodbed. Daar ligt een doode ; hij heeft misschien in zijn leven opgestapelde rijkdommen gehad, maar niets er van wondt hem in het graf mee gegeven. Naakt is hij uit zijn moeders lijf voortgekomen en naakt keert hij tot de aarde terug. En nauwelijks is zijn graf gesloten of zijn testament wordt gelezen, zijn goederen worden onder zijn kinderen verdeeld, soms ook aan vreemden verkocht. En "we zien dat 't hun in 't sterven niets kan baten, En dat zij 't al aan and'ren overlaten."
Daar ligt een doode ; hij was misschien in zijn leven alom geacht en geëerd ; hij had een naam, waarvan de klank heinde en ver uitging. Maar ook zijn eer daalt hem in e groeve niet na. Zeker, in zijn leven werd hij alom gezegend en misschien wel dat aan den rand van zijn graf nog zijn lof wordt bezongen en zijn roem verkondigd wordt. Maar als eenmaal de aarde zich boven zijn kist heeft gesloten en de tijdstroom heeft enkele jaren zijn golven ook over die groeve voortgestuwd, dan geldt het ook van den naam, die zulk een doode heeft gedragen, dan geldt het ook van de heerlijkheid waarmee hij bekleed is geweest, dan geldt het ook van de bloemen waarmee men letterlijk of figuurlijk zijn graf heeft bestrooid : „als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer."
En zoo is het met alles dat door den killen adem des doods wordt aangeraakt Als we dan ook zien op alles wat de dood den mensch in den regel ontrooft, dan zeggen we niet: het sterven is gewin. Integendeel, dan zeggen we veeleer : het sterven is een onberekenbaar, een onschatbaar verlies. Ja, als we niet verder aien dan het geopende graf, dan is er inderdaad niets vsdirikkelijker denk baar dan dat een mensch sterven moet.
Maar als de Heere ons den verrekijker des geloofs heeft verleend en we mogen daarmee zien verder dan de dood en dieper dan het graf en hooger dan de wolken, dan komt het anders te staan. Immers als dan 't leven van den mensch wiens lichaam daar neerdaalt in die groeve, Christus was, zeker, dan heeft hij bij zijn sterven veel verloren, maar dan heeft hij veel meer nog gewonnen. Zoo heeft hij verloren misschien zijn vrouw, zijn kinderen, zijn ouders, zijn broeders, zijn zusters, zijn vrienden, maar hij heeft gewonnen de zalige gemeenschap van dien Vriend, die hem boven alles, zelfs boven man en vrouw, boven ouders en kinderen, boven broeders en zusters dierbaar was geworden.
Hij heeft verloren zijn armoede, maar hij heeft gewonnen een schat, waar de mot en de roest niet kan verderven en waar de dief niet doorgraven noch stelen kan.
Hij heeft verloren zijn moeite en zijn verdriet, zijn kruis en zijn smart, waarmee hij hier dagelijks te worstelen had, maar hij heeft gewonnen een beker der vreugde, waarin geen enkele bittere druppel meer is gemengd.
Hij heeft verloren de onrust van deze wereld, die in het booze ligt, maar hij heeft gewonnen de ruste die daar overblijft voor het volk van God.
Hij heeft verloren de aarde, waar satan zijn scepter zwaait, maar hij heeft gewonnen den hemel boven welks poorten geschreven staat, dat er niets zal inkomen dat ontreinigt of gruwelijkheid doet of leugen spreekt.
Hij heeft verloren de leemen hut van zijn lichaam, maar hij heeft gewonnen de stad die fundamenten heeft, een huis, dat niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen is.
Hij heeft verloren de middelen der genade als Woord en Sacramenten, waardoor hij hier toch anders dan door een spiegel als in een duistere rede kon zien, maar hij heeft gewonnen een zien van aangezicht tot aangezicht, een kennis, waarmee hij kan kennen, gelijk hij ook gekend is.
Hij heeft verloren een plaats waar hij telkens weer stond voor allerlei raadselen die hij niet kon oplossen, voor allerlei verborgenheden, die hij niet kon verklaren en voor allerlei duisternissen, die hij niet kon wegvagen, maar hij heeft gewonnen een plaats waar alle raadselen zullen opgelost wezen, waar alle verborgenheden verklaard zullen zijn en waar het zal blijken dat de donkerste wegen van Gods Voorzienigheid nochtans diepe wijsheid zijn geweest.
En daarom kunt gij begrijpen, waarom Paulus kon zeggen dat het sterven gewin voor hem was.
Eerst de dood toch zou hem stellen in het volle en ongestoorde bezit van wat Christus voor hem was.
Eerst de dood zou alle nevels opklaren, waardoor zijn geloofsoog hier nog zoo telkens verduisterd was,
Eerst als de dood kwam zou hij van het lichaam dezes doods, zou hij dus van de zonde op eenmaal worden verlost, zou de doorn in het vleesch op eenmaal uitgerukt worden, zou de engel des satans op eenmaal moeten ophouden om hem met vuisten te slaan.
Eerst als de dood kwam zou de Heere hem het pad des levens bekend maken en zou hij ervaren dat er bij Gods aangezicht verzadiging van vreugde, dat er in de rechterhand des Allerhoogsten liefelijkheden eeuwiglijk zijn.
Verstaat gij wat de apostel Paulus dus bij zijn sterven gewon ? Neen, daar verstaat gij nog niets van als uw leven nog niet Christus is. Daar verstaat gij nog niets van als het graf voor u nog een vraagteeken is. Daar verstaat gij nog niets van als gij nog geen zondaar voor God zijt geworden en gij hebt in waarachtig geloof nog nooit uw toevlucht tot Christus gezocht.
Daar kunt gij alléén dan iets van verstaan als gij uw eigen leven hebt verloren, als gij in de diepte der zelfverbrijzeling tot God om genade hebt leeren roepen, als uw leven een leven uit Christus, een leven door Christus, een leven met Christus en tenslotte ook een leven tot Christus is geworden.
Dan alleen kan, neen, zal ook voor u de dood gewin moeten zijn. Anders dan is hij verlies, dan is hij het grootste verlies dat gij lijden kunt, want dan zult gij als de koning der verschrikking straks bij u aanklopt alles verliezen.
Alléén als uw leven Christus is, dan weet ge dat de dood wel een vijand, maar dat hij ook de laatste vijand is die teniet gedaan wordt. En daarom vindt ge dan ook uw troost lin het pelgrimslied dat Gods kinderen op hun reis naar dood en graf elkaar zoo gaarne toeroepen :
Het zal niet lang meer duren, draag nog een poos uw kruis; 't Zijn nog maar weinig uren dan zijn wij eeuwüg thuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1923
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's