De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Ja, dat weten we wel. — Je vindt het toch goed, dat ik Paul meegenomen heb, niet waar ? "
„O, best ! •— ik bedank er je wél voor, hoor !"
"En voortaan mag hij altijd wel even mee loopen, niet waar ? "
" Zeker, zeker 1 't is goed ; dat hij wat leert!"
Ze waren in de bocht, vlak bij Koens huis.
Of Hilda te pruttelen zou hebben ? „Koen, mag ik wel even een sigaar bij je aansteken ? "
„Zeker, zeker ! Kom maar mee in huis !" Mark Mons groette de vrouw, presenteerde haar man een sigaar en begon toen zelf te rooken.
Koen gaf den noodigen uitleg aan zijn vrouw :
" 't Is de zoon van den Schuitenmaker van Oldouwe, die hier iederen Zondag langs komt ; — ze willen een vet varken. Ga even zitten, Mons ! je vader heeft meer varkens van me gehad."
„En altijd goed tevreden, niet waar !" deed de vrouw vriendelijk mee, en Mons zei :
" Best, hoor ! — maar weet je, wat jammer is ? — de varkensmenschen keken hem vragend aan — weet je, wat jammer is ?
— Dat Paul niet lezen kan. „Ja, dat is erg jammer", zei de vrouw.
„Hij kan 't nog leeren", zei Mark. „Dan zou hij naar school moeten — zei de vrouw — maar bij ons moet hij werken."
Mark zei, dat Paul niet naar school behoefde : hij zelf wilde 't wel probeeren, om hem te leeren lezen : 't zou niets kosten en de jongen zou 't misschien spoedig kunnen.
„Dan zou hij bij je moeten komen in Oldouwe en dat kost te veel tijd", zei Koen.
„Ja, dat kan niet", zei Hilda. „Heeft Paul den Zondagmiddag vrij ? " „Zoo vrij als ieder", zei Koen.
„Vind je dan goed, dat ik hem 's Zondagsmiddags leer lezen en dat ik dadelijk begin ? "
„Dat zal grappig worden hier in huis !" lachte de vrouw.
„Als je 't hier te lastig vindt, gaan we in de schuur. Koen, wil je nog eens opsteken ? 't Zijn goeie, niet waar? "
„Nou, of ze zoo meteen nog eentje !" Dan zouden ze maar dadelijk beginnen.
Wat was Paul in zijn schik ! En eigenlijk Koen en Hilda ook ; want men had hun dikwijls verweten, dat ze den jongen niets lieten leeren. En als ze er zich dan op beriepen, dat ze hem niet voor niemendal den kost konden geven, zeiden de menschen, dat ze hem toch 's winters op de avondschool hadden kunnen doen. Nu waren ze klaar met deze gelegenheid : 't zou geen geld en geen tijd kosten.
„Heb je soms een boek in huis ? " vroeg Mark.
Maar men had er geen ; niets dan een paar oude kranten. Mark gebruikte dan nog maar liever een Zondagsschoolkaartje, dat hij in zijn vestzak vond. Hij wees enkele letters met een fijn gepunt potlood aan.
„Kijk eens, Paul I — Deze heet i, deze a, deze o en deze e." Het waren de klinkers uit de woordjes : ik, zal, op, en.
Toen moest Paul ze noemen, en daar Koen en Hilda niet wisten, dat hij reeds die letters op 't pad had geleerd, stonden ze er verbaasd van, dat de jongen geen enkelen keer miste. Een uur waren ze samen bezig en toen kende Paul ook al eenige medeklinkers, zoodat hij al lezen kon : ik, al, op, en, ot, er.
„Die jongen kon nog wel perfester worden ; — zei Koen —als je tien keer zóó met hem bezig bent, zal hij kunnen lezen als een advekaat."
„Den volgenden Zondag, als God ons in 't leven spaart, zal ik een geschikt boekje voor hem meebrengen", zei Mark, presenteerde Koen een sigaar en vroeg of Paul een eindje met hem mocht oploopen.
„O zeker, zeker !" Och, die jongen I — Wat was hij in eens rijk en gelukkig geworden ! Hij had zijn vriend, en Koen en Hilda ook, wel de handen willen kussen.
't Was er Mark Mons om te doen, Paul nog eens goed op 't hart te drukken, dat hij maar alles, wat hij noodig had, aan God moest vragen, maar — 't allerbeste eerst en meest, want anders was al 't overige van weinig waarde. Tot den hoek gingen ze samen.
„Zie zoo, Paul ! nu maar gauw terug, jongen ! — en je best doen voor Koen en Hilda, dat ze goed over je tevreden zijn, want dat is het beste voor je. Maar geen kwaad doen, hoor I"
Glimlachend schudde de gelukkige jongen zijn hoofd, gaf Mark Mons de hand, en trachtte al de dankbaarheid van zijn hart in dien handdruk te leggen.
„Dag meester !" „Dag Paul I"
Of Mark Mons ook gelukkig was ! Zijn oogen werden vochtig, en indien hij nu het pad door het boschje gegaan had, waar niemand hem kon zien, zou hij van blijdschap gehuppeld hebben.
Paul was spoedig thuis.
„Zoo, perfesterke !" zei Koen lachend, en de jongen die zijn geluk niet op kon, pakte 's mans hand en zei :
„Je bent toch een beste Koen !" en dan die van Hilda pakkend :
„En een beste Hilda ! — Nu zal ik nog veel meer mijn best doen."
Daarna ging hij naar buiten, om in 't zand de letters van het tekstkaartje te teekenen, en als Koen door 't raam hem buiten bezig zag, zei hij :
„Er zit toch een goed hart in den jongen. Dat hij die chocolade niet alleen op at — hij lustte het toch zoo graag ! — wat jij, Hilda ? "
„Als 't je eigen jongen was. Koen, zou je zeggen : d'r is er geen beter. Weet je, dat hij mij 't kwartje te bewaren gaf ? "
„Ja, 'k weet het ! Maar pas op, als je 't hem niet eerlijk terug geeft I"
„'k Zal er wat bij doen en er hem een nieuwe pet voor koopen. De jongen is 't waard."

Hoofdstuk VI.
Vier dagen was 't na den, voor Paul onvergetelijken Zondag. Koen was met den leegen wagen van de weekmarkt te Oldouwe teruggekomen en scheen goede zaken gedaan te hebben, want hij sprak zeer zwaar en was buitengewoon vriendelijk jegens Hilda en zelfs jegens Paul, die terstond het paard had moeten uitspannen en naar de wei brengen.
„Je mag d'r op, als je wilt, en gezadeld !"
„Liever d'r niet op. Koen ; 't beest heeft al werk genoeg gedaan vandaag, 'k Zal hem maar los naar de wei brengen."
„Zooals 't perfesterke liefst wil ! Vooruit dan maar !" 't Paard kreeg een klinkenden klets op zijn flanken mee als groet.
„Kom hoppe !" zei de jongen vriendelijk en 't beest volgde hem als een hondje.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 maart 1923

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's